Allard Pierson Museum geeft archeologische stukken terug aan Italië

Het Allard Pierson Museum in Amsterdam stuurt Siciliaans aardewerk terug naar Italië.

Dat meldt de Volkskrant donderdag.

Het gaat om in totaal 37 objecten die in 1982 door het museum van de Universiteit van Amsterdam werden aangeschaft. Ruim dertig jaar later is het Allard Pierson Museum erachter gekomen dat de objecten onderdeel uitmaken van Siciliaans erfgoed.

“In de jaren tachtig was er nog nauwelijks regelgeving voor het uitwisselen van archeologische vondsten. En we wisten ook domweg niet dat ze van het Siciliaanse wrak afkomstig waren”, doelt directeur Steph Scholten op de objecten die afkomstig zijn van het zogenaamde Capistello-wrak.

‘Zeldzaam gebaar’

De ambassadeur van Italië in Nederland, Francesco Azzarello, is zeer blij met het besluit van het museum. Hij spreekt van een ‘zeldzaam gebaar’. “Hoe vaak moeten we niet jarenlang onderhandelen om stukken terug te krijgen waar Italië recht op heeft? Het Allard Pierson Museum geeft een voorbeeld aan de rest van de wereld door zelf met dit voorbeeld te komen.”

De nog te retourneren stukken zijn tot en met 17 april te zien in het museum van de Universiteit van Amsterdam.

Source: Allard Pierson Museum geeft archeologische stukken terug aan Italië | NU – Het laatste nieuws het eerst op NU.nl

November 20th, 2015

Posted In: commentaar, illegale handel, Uncategorized

Tags: , , ,

In deze blog besteedde ik de afgelopen jaren meerdere keren aandacht aan de dubieuze aankoopmoraal van een verzamelaar die zijn collectie onderbracht in een museumstichting. Toen belastende informatie mij ter ore kwam meldde ik dat bij een mij bekende, specialistische erfgoedinspecteur. De melding hield letterlijk in dat de verzamelaar objecten had gekocht die hij volgens de handelaar van wie hij ze kocht beter NIET in zijn museum kon tonen omdat hij dan problemen zou kunnen krijgen met het land waar die objecten vandaan kwamen. Let op: die objecten waren dus NIET in het museum; dat meldde ik diverse keren bij de Erfgoedinspectie.

De erfgoedinspecteur met wie ik over deze zaak communiceerde afficheert zichzelf op LinkedIn als “Expert and researcher looting and illegal trade in cultural goods” (http://nl.linkedin.com/pub/marja-van-heese/10/b59/372). Echter, ze was niet van plan deze expertise in te zetten bij mijn overduidelijke melding. Er ontstond pas beweging toen ik anderhalf jaar na mijn melding met de kwestie naar buiten trad op mijn mailing list, mijn websites en de mailing list van het Leiden Network. Wat deed de “expert and researcher looting and illegal trade in cultural goods”? Ze ging samen met de KLPD de collectie van het museum onderzoeken, ondanks mijn melding dat de betreffende objecten NIET in het museum zouden zijn. Een veel te late en een verkeerde actie. Alle feiten over deze ambtelijke inertie en inadequaat handelen heb ik met naam en toenaam gepubliceerd op het Internet.
Al deze publicaties plus inmiddels een tiental mails met voorstellen en verzoeken om informatie stuurde ik naar de “expert and researcher looting and illegal trade in cultural goods”. NOOIT kreeg ik enige reactie met uitzondering van de mail waarin ik aankondigde dat verder uitblijven van reactie voor mij reden zou zijn een klacht in te dienen bij de staatssecretaris van cultuur. Er vond daarop een onderhoud plaats bij de Erfgoedinspectie waar naast de erfgoedinspecteur – die overigens aan het onderhoud nauwelijks deelnam –  twee leidinggevenden aanwezig waren. Daar werd mij medegedeeld dat mijn melding niet goed was afgehandeld, dat naar aanleiding daarvan een protocol over afhandeling van meldingen was opgesteld, en dat inmiddels een onderzoek was gestart. Men wilde mij niet mededelen wat dat onderzoek in zou houden. Belangrijk is dat geen van de aanwezige medewerkers van de Erfgoedinspectie tijdens het onderhoud bezwaren uitte over mijn Internetpublicaties.
Deze hele kwestie liep van mei 2007 tot najaar 2009. December 2009 schreef ik een eindejaarsbericht waarin ik deze idiote gang van zaken rondom de Erfgoedinspectie omschreef als een ‘gitzwarte bladzijde’.
Nog steeds hoorde ik niets van de Erfgoedinspectie, totdat ik 10 april 2010 gebeld werd door een mij onbekende medewerker van het Ministerie van OCW met de mededeling dat Marja van Heese (onze “expert and researcher looting and illegal trade in cultural goods”) het vervelend vond dat ik in mijn berichtgeving haar naam vermeldde. Niet vermelden van haar naam zou in mijn ogen absurd zijn geweest omdat zij zich nu eenmaal overal afficheert als de expert op dit onderwerp. Ik antwoordde de beller dat ik nooit enige reactie kreeg van Marja van Heese op mijn mails aan haar of mijn Internetpublicaties en dat ze zelf contact met mij op kon nemen. Over het bizarre verdere verloop van het telefonische onderhoud berichtte ik al eerder op mijn site. Mijn gesprekspartner, Van Kouterik, trachtte eerst mij onder druk te zetten door te ‘dreigen’ met aangifte en toen dat niet werkte deelde hij mij domweg mee dat er al aangifte gedaan was.
Het klopt, die aangifte was al gedaan en wel op 25 februari 2010.
Die datum is niet toevallig want een week eerder, op 17 februari, vond in Amsterdam een Erfgoedarena Illegale Kunsthandel en Unesco 1970 plaats. Bijdragen werden geleverd door:
 – Jos van Beurden, onderzoeksjournalist en auteur van een boek over kunstroof in kwetsbare landen
, – Marja van Heese, inspecteur bij de Erfgoedinspectie, 
- Steph Scholten, directeur van de Divisie Erfgoed van de Universiteitsbibliotheek van de Universiteit van Amsterdam.Het debat vond plaats onder leiding van Léontine Meijer–van Mensch, docent Erfgoedtheorie en ethiek aan de Reinwardt Academie.
Jos van Beurden verwees op die avond naar de door mij gemelde kwestie. Dat vond Marja van Heese waarschijnlijk niet leuk, net zo min als Marja het leuk vond dat Jos van Beuren eerder in een paper voor een bijeenkomst in Shanghai over deze kwestie schreef. Een week na de Erfgoedarena deed Marja van Heese aangifte tegen mij wegens belediging, smaad en laster onder andere omdat ze door mijn publicaties ‘continu’ zou worden herinnerd aan de door mij gemelde kwestie en haar rol daarbij. Continu? Vreemd, ik ben net als Marja van Heese een centrale speler in deze kwestie en word helemaal NOOIT over deze kwestie aangesproken. Er is niets op tegen om bij een discussie of dispuut je gelijk te halen door details die je goed uitkomen iets over te belichten. Dat mag. Hoe sterker die overbelichting en overdrijving is, hoe gevaarlijker je komt in het randgebied tussen waarheid en leugen en verlies van integriteit. “Continu” bevindt zich volgens mijn overtuiging in dat randgebied. Wanneer Marja’s aangifte voor de rechter komt – wat ik me niet kan voorstellen – zal ze duidelijkheid moeten geven over “continu”. Ik denk dat ze dan een probleem heeft.
Nu terug naar dat stompzinnige telefoontje van Van Kouterik, dd 10 april 2010. Toen Van Kouterik mij namens Marja van Heese belde moeten beiden geweten hebben dat de aangifte niet meer ingetrokken kon worden. Waarom dan dat telefoontje? Er is jurisprudentie over publicaties op het Internet naar aanleiding waarvan aangifte werd gedaan wegens smaad en laster. Ik ga nu niet al mijn kruit verschieten, anders dan de mededeling dat dergelijke aangiftes bij de rechter niet slaagden wanneer de schrijver van de Internetpublicaties niet eerst door het ‘slachtoffer’ verzocht werd die publicaties te rectificeren. Daar klemt de schoen met Marja’s aangifte. Ze reageerde NOOIT op mijn berichten aan haar en ze verzocht mij NOOIT publicaties over mijn melding, de Erfgoedinspectie en de inspecteur te wijzigen. Vandaar dat mosterd-na-de-maaltijd telefoontje van Van Kouterik. Een truc dus om straks niet bij de rechter af te gaan. Ik ervaar het gebruik van trucs daar waar je juridisch in een uitzichtloze positie verkeert als niet integer. Voor alle duidelijkheid: na Van kouteriks telefoontje stuurde ik twee mails aan Marja van Heese en aan de directeur van de Erfgoedinspectie, drs. S.E.B. (Barbara) Siregar met verzoek om uitleg en kreeg ook op die mails geen enkele reactie.
We kennen in het erfgoedwereldje Marja als een vriendelijke, zachtaardige, bijna fluisterend sprekende vrouw. Het zal toch niet zo zijn dat die fluisterende zachtaardigheid een masker is waarachter stampvoetende boosheid schuil gaat zodra Marja met, in mijn ogen zeer terechte, kritiek wordt geconfronteerd? Boos stampvoetend vindt Marja van Heese dat die Cremers de mond gesnoerd moet worden. Blijkbaar zijn alle middelen, ook als ze ten koste gaan van haar integriteit, gerechtvaardigd. Indien die aangifte door de Officier van Justitie voor de rechter wordt gebracht zal dat onvermijdelijk betekenen dat die hele kwestie over de dubieuze aankoopmoraal van de verzamelaar en zijn museum weer opgerakeld wordt en in het nieuws komt. Een logisch gevolg waar Marja van Heese niet aan gedacht heeft, of waar ze in haar narcistische verongelijktheid maling aan heeft. Natuurlijk had de “expert and researcher looting and illegal trade in cultural goods” aan het belang van dat museum moeten denken toen ze aangifte deed; de collectie bestaat immers geheel uit buitenlands, religieus erfgoed.
Toen ik destijds met deze kwestie, na anderhalf jaar geduld, naar buiten trad kon ik verwachten dat er ongewenste neveneffecten zouden optreden. Als adviseur eet ik uit de erfgoedruif en dit soort publicaties zijn riskant voor mij. Dat risico heb ik bewust genomen ook al kon ik de exacte gevolgen niet voorspellen. Zo kon ik niet weten en had ik niet verwacht dat de in dit onderwerp gespecialiseerde erfgoedinspecteur in haar tandenknarsende frustratie er niet voor terug zou deinzen te jokken in een aangifte (‘continu’), trucs zou gebruiken om mij koste wat kost te laten hangen (het telefoontjes van 10 april 2010), en het belang van een onderzocht museum ondergeschikt zou maken aan haar persoonlijke doel. Al met al heb ik zeer goede gronden te twijfelen aan de integriteit van deze erfgoedinspecteur. Dat is wel het laatste neveneffect dat ik had kunnen verwachten na mijn publicaties. Een ontluisterend neveneffect.
Ton Cremers

July 24th, 2010

Posted In: Erfgoedinspectie

Tags: , , , , , , , ,

In deze blog besteedde ik de afgelopen jaren meerdere keren aandacht aan de dubieuze aankoopmoraal van een verzamelaar die zijn collectie onderbracht in een museumstichting. Toen belastende informatie mij ter ore kwam meldde ik dat bij een mij bekende, specialistische erfgoedinspecteur. De melding hield letterlijk in dat de verzamelaar objecten had gekocht die hij volgens de handelaar van wie hij ze kocht beter NIET in zijn museum kon tonen omdat hij dan problemen zou kunnen krijgen met het land waar die objecten vandaan kwamen. Let op: die objecten waren dus NIET in het museum; dat meldde ik diverse keren bij de Erfgoedinspectie.

De erfgoedinspecteur met wie ik over deze zaak communiceerde afficheert zichzelf op LinkedIn als “Expert and researcher looting and illegal trade in cultural goods” (http://nl.linkedin.com/pub/marja-van-heese/10/b59/372). Echter, ze was niet van plan deze expertise in te zetten bij mijn overduidelijke melding. Er ontstond pas beweging toen ik anderhalf jaar na mijn melding met de kwestie naar buiten trad op mijn mailing list, mijn websites en de mailing list van het Leiden Network. Wat deed de “expert and researcher looting and illegal trade in cultural goods”? Ze ging samen met de KLPD de collectie van het museum onderzoeken, ondanks mijn melding dat de betreffende objecten NIET in het museum zouden zijn. Een veel te late en een verkeerde actie. Alle feiten over deze ambtelijke inertie en inadequaat handelen heb ik met naam en toenaam gepubliceerd op het Internet.
Al deze publicaties plus inmiddels een tiental mails met voorstellen en verzoeken om informatie stuurde ik naar de “expert and researcher looting and illegal trade in cultural goods”. NOOIT kreeg ik enige reactie met uitzondering van de mail waarin ik aankondigde dat verder uitblijven van reactie voor mij reden zou zijn een klacht in te dienen bij de staatssecretaris van cultuur. Er vond daarop een onderhoud plaats bij de Erfgoedinspectie waar naast de erfgoedinspecteur – die overigens aan het onderhoud nauwelijks deelnam –  twee leidinggevenden aanwezig waren. Daar werd mij medegedeeld dat mijn melding niet goed was afgehandeld, dat naar aanleiding daarvan een protocol over afhandeling van meldingen was opgesteld, en dat inmiddels een onderzoek was gestart. Men wilde mij niet mededelen wat dat onderzoek in zou houden. Belangrijk is dat geen van de aanwezige medewerkers van de Erfgoedinspectie tijdens het onderhoud bezwaren uitte over mijn Internetpublicaties.
Deze hele kwestie liep van mei 2007 tot najaar 2009. December 2009 schreef ik een eindejaarsbericht waarin ik deze idiote gang van zaken rondom de Erfgoedinspectie omschreef als een ‘gitzwarte bladzijde’.
Nog steeds hoorde ik niets van de Erfgoedinspectie, totdat ik 10 april 2010 gebeld werd door een mij onbekende medewerker van het Ministerie van OCW met de mededeling dat Marja van Heese (onze “expert and researcher looting and illegal trade in cultural goods”) het vervelend vond dat ik in mijn berichtgeving haar naam vermeldde. Niet vermelden van haar naam zou in mijn ogen absurd zijn geweest omdat zij zich nu eenmaal overal afficheert als de expert op dit onderwerp. Ik antwoordde de beller dat ik nooit enige reactie kreeg van Marja van Heese op mijn mails aan haar of mijn Internetpublicaties en dat ze zelf contact met mij op kon nemen. Over het bizarre verdere verloop van het telefonische onderhoud berichtte ik al eerder op mijn site. Mijn gesprekspartner, Van Kouterik, trachtte eerst mij onder druk te zetten door te ‘dreigen’ met aangifte en toen dat niet werkte deelde hij mij domweg mee dat er al aangifte gedaan was.
Het klopt, die aangifte was al gedaan en wel op 25 februari 2010.
Die datum is niet toevallig want een week eerder, op 17 februari, vond in Amsterdam een Erfgoedarena Illegale Kunsthandel en Unesco 1970 plaats. Bijdragen werden geleverd door:
 – Jos van Beurden, onderzoeksjournalist en auteur van een boek over kunstroof in kwetsbare landen
, – Marja van Heese, inspecteur bij de Erfgoedinspectie, 
- Steph Scholten, directeur van de Divisie Erfgoed van de Universiteitsbibliotheek van de Universiteit van Amsterdam.Het debat vond plaats onder leiding van Léontine Meijer–van Mensch, docent Erfgoedtheorie en ethiek aan de Reinwardt Academie.
Jos van Beurden verwees op die avond naar de door mij gemelde kwestie. Dat vond Marja van Heese waarschijnlijk niet leuk, net zo min als Marja het leuk vond dat Jos van Beuren eerder in een paper voor een bijeenkomst in Shanghai over deze kwestie schreef. Een week na de Erfgoedarena deed Marja van Heese aangifte tegen mij wegens belediging, smaad en laster onder andere omdat ze door mijn publicaties ‘continu’ zou worden herinnerd aan de door mij gemelde kwestie en haar rol daarbij. Continu? Vreemd, ik ben net als Marja van Heese een centrale speler in deze kwestie en word helemaal NOOIT over deze kwestie aangesproken. Er is niets op tegen om bij een discussie of dispuut je gelijk te halen door details die je goed uitkomen iets over te belichten. Dat mag. Hoe sterker die overbelichting en overdrijving is, hoe gevaarlijker je komt in het randgebied tussen waarheid en leugen en verlies van integriteit. “Continu” bevindt zich volgens mijn overtuiging in dat randgebied. Wanneer Marja’s aangifte voor de rechter komt – wat ik me niet kan voorstellen – zal ze duidelijkheid moeten geven over “continu”. Ik denk dat ze dan een probleem heeft.
Nu terug naar dat stompzinnige telefoontje van Van Kouterik, dd 10 april 2010. Toen Van Kouterik mij namens Marja van Heese belde moeten beiden geweten hebben dat de aangifte niet meer ingetrokken kon worden. Waarom dan dat telefoontje? Er is jurisprudentie over publicaties op het Internet naar aanleiding waarvan aangifte werd gedaan wegens smaad en laster. Ik ga nu niet al mijn kruit verschieten, anders dan de mededeling dat dergelijke aangiftes bij de rechter niet slaagden wanneer de schrijver van de Internetpublicaties niet eerst door het ‘slachtoffer’ verzocht werd die publicaties te rectificeren. Daar klemt de schoen met Marja’s aangifte. Ze reageerde NOOIT op mijn berichten aan haar en ze verzocht mij NOOIT publicaties over mijn melding, de Erfgoedinspectie en de inspecteur te wijzigen. Vandaar dat mosterd-na-de-maaltijd telefoontje van Van Kouterik. Een truc dus om straks niet bij de rechter af te gaan. Ik ervaar het gebruik van trucs daar waar je juridisch in een uitzichtloze positie verkeert als niet integer. Voor alle duidelijkheid: na Van kouteriks telefoontje stuurde ik twee mails aan Marja van Heese en aan de directeur van de Erfgoedinspectie, drs. S.E.B. (Barbara) Siregar met verzoek om uitleg en kreeg ook op die mails geen enkele reactie.
We kennen in het erfgoedwereldje Marja als een vriendelijke, zachtaardige, bijna fluisterend sprekende vrouw. Het zal toch niet zo zijn dat die fluisterende zachtaardigheid een masker is waarachter stampvoetende boosheid schuil gaat zodra Marja met, in mijn ogen zeer terechte, kritiek wordt geconfronteerd? Boos stampvoetend vindt Marja van Heese dat die Cremers de mond gesnoerd moet worden. Blijkbaar zijn alle middelen, ook als ze ten koste gaan van haar integriteit, gerechtvaardigd. Indien die aangifte door de Officier van Justitie voor de rechter wordt gebracht zal dat onvermijdelijk betekenen dat die hele kwestie over de dubieuze aankoopmoraal van de verzamelaar en zijn museum weer opgerakeld wordt en in het nieuws komt. Een logisch gevolg waar Marja van Heese niet aan gedacht heeft, of waar ze in haar narcistische verongelijktheid maling aan heeft. Natuurlijk had de “expert and researcher looting and illegal trade in cultural goods” aan het belang van dat museum moeten denken toen ze aangifte deed; de collectie bestaat immers geheel uit buitenlands, religieus erfgoed.
Toen ik destijds met deze kwestie, na anderhalf jaar geduld, naar buiten trad kon ik verwachten dat er ongewenste neveneffecten zouden optreden. Als adviseur eet ik uit de erfgoedruif en dit soort publicaties zijn riskant voor mij. Dat risico heb ik bewust genomen ook al kon ik de exacte gevolgen niet voorspellen. Zo kon ik niet weten en had ik niet verwacht dat de in dit onderwerp gespecialiseerde erfgoedinspecteur in haar tandenknarsende frustratie er niet voor terug zou deinzen te jokken in een aangifte (‘continu’), trucs zou gebruiken om mij koste wat kost te laten hangen (het telefoontjes van 10 april 2010), en het belang van een onderzocht museum ondergeschikt zou maken aan haar persoonlijke doel. Al met al heb ik zeer goede gronden te twijfelen aan de integriteit van deze erfgoedinspecteur. Dat is wel het laatste neveneffect dat ik had kunnen verwachten na mijn publicaties. Een ontluisterend neveneffect.
Ton Cremers

July 24th, 2010

Posted In: Erfgoedinspectie

Tags: , , , , , , , ,