In Het Parool van gisteren is Ruud Spruit geïnterviewd door Henk Schutten over Spruit’s knullig, namelijk gelardeerd met fouten, bewerkte boek Kunstroof.
De opmerkingen van Spruit verdienen nauwelijks repliek. Daar zijn ze te slecht geïnformeerd en te bot voor. De verbijstering slaat echt toe wanneer je leest dat na de inbraak in het Westfries Museum ‘vele tonnen’ geïnvesteerd zijn in de beveiliging – meteen na de inbraak noemde Spruit de beveiliging geavanceerd – maar dat hij die investeringen zonde van het geld vindt omdat criminelen met een pistool een museum kunnen binnenlopen om te halen wat ze hebben willen. De man nodigt letterlijk het criminele wereldje uit.
Natuurlijk is tegen overvallen veel te doen, maar dat heeft Spruit nog niet kunnen bedenken. Wel zaagt hij, tegen beter weten in want ik informeerde hem, door over minuscule chips waarmee gestolen objecten via de satelliet kunnen worden opgespoord. Dat dit nonsens is schreef ik al eerder.
De politie en de gehele Nederlandse museumwereld krijgen van Spruit een veeg uit de pan. De politie maakt een bende van het onderzoek naar de inbraak en diefstal in het Westfries Museum en de Nederlandse museumwereld negeerde de pogingen van Spruit de neuzen dezelfde kant uit te krijgen in zijn strijd tegen diefstal. Van die pogingen is mij niets bekend, maar mocht Spruit ze ondernomen hebben dan is het volkomen logisch dat de museumwereld die genegeerd heeft. Geen verstandige museumdirecteur laat zich leiden door iemand wiens museum door verwaarlozing van het beveiligingsbeleid leeggeroofd is.

Spruit weet beter dan de politie hoe de inbraak in zijn museum te onderzoeken en Spruit zal de hele Nederlandse museumwereld wel even voorlichten. De man heeft megalomane trekjes. Als hij het allemaal zo goed weet waarom heeft hij dan de inbraak en diefstal in zijn museum niet weten te voorkomen? Let wel, dat was geen gewapende overval maar een ordinaire inbraak waarbij op kinderlijk eenvoudige wijze het middeleeuwse beveiligingssysteem onklaar werd gemaakt. De ouderwetse bewegingsmelders werden namelijk tijdens de openingsuren door de criminelen afgeplakt. Wanneer Spruit het zo goed meent met zijn voortrekkersrol in de museumwereld dan had hij meteen na de inbraak open kaart moeten spelen en zijn collega-directeuren eerlijk informeren over wat er gebeurd was en zich niet moeten verschuilen achter leugens over de feiten.
De publieke uitlatingen van Spruit zijn zo langzamerhand ronduit pijnlijk. Is er echt niemand in zijn naaste omgeving die hem tegen zichzelf kan beschermen?

Ton Cremers

September 30th, 2009

Posted In: Uncategorized

Gebed zonder einde: Ruud Spruit nodigt criminelen uit musea te overvallen en bazelt over beveiliging

30/09/2009 – 20:05

In Het Parool van gisteren is Ruud Spruit geïnterviewd door Henk Schutten over Spruit’s knullig, namelijk gelardeerd met fouten, bewerkte boek Kunstroof.
De opmerkingen van Spruit verdienen nauwelijks repliek. Daar zijn ze te slecht geïnformeerd en te bot voor. De verbijstering slaat echt toe wanneer je leest dat na de inbraak in het Westfries Museum ‘vele tonnen’ geïnvesteerd zijn in de beveiliging – meteen na de inbraak noemde Spruit de beveiliging geavanceerd – maar dat hij die investeringen zonde van het geld vindt omdat criminelen met een pistool een museum kunnen binnenlopen om te halen wat ze hebben willen. De man nodigt letterlijk het criminele wereldje uit.
Natuurlijk is tegen overvallen veel te doen, maar dat heeft Spruit nog niet kunnen bedenken. Wel zaagt hij, tegen beter weten in want ik informeerde hem, door over minuscule chips waarmee gestolen objecten via de satelliet kunnen worden opgespoord. Dat dit nonsens is schreef ik al eerder.
De politie en de gehele Nederlandse museumwereld krijgen van Spruit een veeg uit de pan. De politie maakt een bende van het onderzoek naar de inbraak en diefstal in het Westfries Museum en de Nederlandse museumwereld negeerde de pogingen van Spruit de neuzen dezelfde kant uit te krijgen in zijn strijd tegen diefstal. Van die pogingen is mij niets bekend, maar mocht Spruit ze ondernomen hebben dan is het volkomen logisch dat de museumwereld die genegeerd heeft. Geen verstandige museumdirecteur laat zich leiden door iemand wiens museum door verwaarlozing van het beveiligingsbeleid leeggeroofd is.

Spruit weet beter dan de politie hoe de inbraak in zijn museum te onderzoeken en Spruit zal de hele Nederlandse museumwereld wel even voorlichten. De man heeft megalomane trekjes. Als hij het allemaal zo goed weet waarom heeft hij dan de inbraak en diefstal in zijn museum niet weten te voorkomen? Let wel, dat was geen gewapende overval maar een ordinaire inbraak waarbij op kinderlijk eenvoudige wijze het middeleeuwse beveiligingssysteem onklaar werd gemaakt. De ouderwetse bewegingsmelders werden namelijk tijdens de openingsuren door de criminelen afgeplakt. Wanneer Spruit het zo goed meent met zijn voortrekkersrol in de museumwereld dan had hij meteen na de inbraak open kaart moeten spelen en zijn collega-directeuren eerlijk informeren over wat er gebeurd was en zich niet moeten verschuilen achter leugens over de feiten.
De publieke uitlatingen van Spruit zijn zo langzamerhand ronduit pijnlijk. Is er echt niemand in zijn naaste omgeving die hem tegen zichzelf kan beschermen?

Ton Cremers

September 30th, 2009

Posted In: Geen categorie

Tags: , ,

It is now five  months since the issue of looted African terracotta was raised in connection with the exhibition entitled “African Terra Cotta: a Millenary Heritage”, at the Barbier-Mueller Museum, Geneva and brought to the attention of all concerned. (1) A group of renowned scholars alleged that many of the objects on display had been looted from Burkina Faso, Ghana, Mali, Niger and Nigeria. It appeared at that time that some consideration would be given to the matter by those responsible for the preservation and protection of Nigerian cultural heritage. To this day, there has not been any public information, directly or indirectly, that action has been taken or is contemplated. It could well be that one has missed relevant information in the mass media.

READ FULL TEXT: http://www.museum-security.org/recovering_nigeria’s_terracottas.htm

September 30th, 2009

Posted In: African Affairs, Mailing list reports

Tags:

International Centre for the Study of the Preservation and Restoration of Cultural Property director-general Mounir Bouchnaki said conservation of heritage sites would not be sustainable if African states continue to rely on donor funding.

Dr Bouchnaki, who was speaking at The Centre for Heritage Development in Africa (CDHA) 11th Africa 2009 for museum directors Mombasa, expressed fears that conservation activities in many African countries would grind to a halt if donors pulled their support.

He said: “The major challenge we face in Africa is lack of adequate funding to conserve heritage sites. Countries depend on external funding as they have not prioritised the protection of their heritage.

“It is sad that the authorities have not realised the importance of our cultural value, which plays a major part in spurring economic growth. Kenya, for instance, attracts many tourists due to its diverse culture.”

The conservationist said the continent was also facing a shortage of professionals who have the capacity to manage and save the national heritage.

This, he added, was because African governments have not earmarked adequate funds for the training of conservationists and instead had left the task to unqualified personnel.

“We need professionals who have the knowledge to manage and preserve our African cultural sites. As we talk now the continent is faced with a serious shortage of qualified conservationists,” Dr Bouchnaki said.

“There is need for African states to allocate funds for training of personnel so that they can effectively conserve heritage sites, which are in danger of being wiped out of the world map,” he added.

Dr Bouchnaki said the continent was lagging behind in terms of listing of world heritage sites by the United Nations Educational, Scientific and Cultural Organisation, adding that there were only 60 sites which have been listed by the organisation.

He wondered how Africa could have only 60 world heritage sites while Italy alone has 42, the largest number in the world.

Dr Bouchnaki, however, said through the Africa 2009 programme they are planning to forward more sites on the continent to Unesco for consideration.


September 30th, 2009

Posted In: African Affairs, Mailing list reports

Tags:

UNESCO pide leyes eficaces contra saqueo de arte sacro en México

Notimex
El Universal
México
Martes 29 de septiembre de 2009

El organismo considera que deben registrarse, identificarse y catalogarse las obras religiosas para combatir su robo

A fin de frenar el saqueo de arte sacro en México, la UNESCO propuso hoy en la UNAM legislaciones más eficaces, registro, identificación y catalogación de obra, así como la multiplicación de los recursos, durante la inauguración del taller “Protección y Salvaguarda de los Bienes Culturales Patrimoniales de la Iglesia en América Latina y el Caribe”.
A partir de hoy y hasta el 1 de octubre especialistas de Bolivia, Ecuador, Paraguay, Uruguay, Perú y Guatemala, además de Costa Rica, República Dominicana, Cuba y México enfatizarán en aquellas experiencias exitosas, vínculos e intercambios entre gobiernos e iglesias, y en especial, sobre las acciones conjuntas que al respecto hayan desarrollado en sus países.

En el acto celebrado en el auditorio José María Vigil, del Instituto de Investigaciones Bibliográficas, Herman von Hoof, director Regional y representante de la Organización de las Naciones Unidas para la Educación, la Ciencia y la Cultura (UNESCO) , aseguró que la mayor parte de las obras y objetos que se extraen de diferentes templos se encuentran en el mercado negro.

Acompañado por autoridades de la Universidad Nacional Autónoma de México (UNAM) , del Instituto Nacional de Antropología e Historia (INAH) y representantes de la Iglesia, Von Hoof manifestó su preocupación al respecto y pidió una mayor colaboración entre el Estado y la Iglesia, a fin de prevenir el robo y tráfico ilícito de estos bienes.

Al respecto, Samuel Bourdeau, director adjunto de la Comisión Nacional de Cooperación con la UNESCO, celebró el taller y agregó que la construcción de políticas que aseguren el patrimonio de la preservación patrimonial, ha estado en muchos países supeditada a otros objetivos de fortalecimiento económico y consolidación democrática.

Refirió que hoy es un momento clave para reflexionar en torno a las estrategias que favorezcan la incorporación de nuevas visiones patrimoniales y el desarrollo de mecanismos gubernamentales y de la Iglesia, para la protección, registro, capacitación y conservación de los artículos religiosos.

Por su parte, Arturo Pascual Soto, director de Instituto de Investigaciones Estéticas de la UNAM, señaló que la pérdida del patrimonio material por robo, saqueo o cualquier otra forma de sustracción o destrucción, lleva implícito no sólo el despojo de fragmentos históricos, “sino que suele privarnos de magníficas obras de arte latinoamericanas”.

“La pérdida de este patrimonio representa el extravío del espíritu de una comunidad, el que la dignifica y el que le dio origen” , opinó Pascual Soto, al tiempo que pugnó porque la sociedad asuma el compromiso de salvaguardar el patrimonio cultural de los pueblos como sustento de la excepcionalidad histórica.

En su oportunidad, Héctor Félix Fierro, director del Instituto de Investigaciones Jurídicas de esa casa de estudios, reconoció que los juristas académicos han trabajo muy poco sobre el tema.

Dijo que con este taller, el instituto a su cargo ofrecerá un apoyo simbólico, pero sentido, con el objetivo de promover estrategias conjuntas de protección y salvaguarda de los bienes culturales patrimoniales (arte religioso y arte sacro) de la Iglesia en América Latina y el Caribe.

Los participantes del taller, representantes de las instituciones gubernamentales y de las instituciones religiosas abordarán los temas relativos en cuatro aspectos.

Ellos son: “Políticas y mecanismos gubernamentales y de las Iglesias para la protección de bienes artísticos religiosos”, “La lucha contra el tráfico ilícito”, “El vandalismo” y “Los desastres naturales” , incluyendo campañas públicas de protección de estos bienes.

Como un segundo punto, resalta, el registro de obras, identificación y catalogación de los objetos como primer paso en la protección y salvaguarda de las obras patrimoniales.

También acciones de capacitación para los responsables y custodios de los bienes artísticos religiosos, tanto en la protección como en su mantenimiento.

Y por último, la conservación preventiva de las obras y las condiciones de seguridad en las Iglesias.

September 29th, 2009

Posted In: Church theft, Mailing list reports

Tags:

27 rare statues stolen from TN museum

STAFF WRITER 1:16 HRS IST

Tiruchirapalli (TN), Sept 29 (PTI) Twenty seven rare bronze statutes of the 16th and 17th centuries were found missing from the government museum here today, police said.
The theft took place at the building, about 20 metres away from a police station. The museum is housed at the historic Darbar Hall belonging to Rani Mangamma of the period.
The rear side door and its lock were found smashed while the iron rods in the window were removed, police said.
Govindaraj, curator of museums, said value of the stolen articles were yet to be ascertained.
He said as per records, the statues had a height varying from three inches to 20 inches.

September 29th, 2009

Posted In: Museum thefts

Stolen museum exhibit found torched
4:47pm Monday 28th September 2009

A MUSEUM owner has told of his devastation after a stolen exhibit was torched.

Thieves broke into Frank Wood’s Walton Hall Farm Museum in Stanford-le-Hope on Monday September 14 and stole a number of irreplaceable exhibits worth around £2,000.

Among the stolen items was a 1960s Raleigh Wisp moped.

Police found it burnt out in Thames View Field, Chadwell St Mary, on Sunday night.

Mr Wood, who has had trouble sleeping since the break-in, said: “Its so sad, the moped is really rare and it was in such a lovely condition, it had hardly any scratches on it – and then I get a call from the police on Sunday night saying its been found burnt out on a field.

He added: “The bike was donated by a family in Thurrock so I’ll have to break the news to them too, they’ll be really upset.”

The police say a youth was seen riding the moped a few hours before it was found burnt out, and they believe the other stolen exhibits, which include old fashioned bikes and wheelchairs, may still be in the area.

Investigating officer, Pc Paul Glensman, has blasted those responsible for torching the moped.

He said: “A youth was seen riding the bike a while before it was found, so we believe that the other items may be still in the local area and will direct our inquiries as such.

“ I am disgusted that this item was stolen and blatantly set on fire, when it is such a rare piece.

“If anyone knows who is responsible, or has seen other people with the other invalid carriages, we urge them to contact us so we can return them to their owner.”

Anyone with any information about this incident is urged to call PC Glensman at Tilbury Police Station on 0300 333 4444.

September 29th, 2009

Posted In: Museum thefts

IS ICOM BECOMING AN INSTRUMENT OF THE SO-CALLED UNIVERSAL MUSEUMS? COMMENTS ON STATEMENT BY DIRECTOR-GENERAL OF ICOM THAT PARTHENON/ELGIN MARBLES SHOULD STAY IN THE BRITISH MUSEUM

Those who have been following discussions on questions of restitution and preservation of cultural objects know the high esteem in which the International Council of Museums (ICOM) is held by many. (1) Most of us believe that this non-governmental organization has rendered extremely useful service to the world of museums by its activities and standard-setting instruments such as the Code of Ethics for Museums and the ICOM Red List. (2).The organization has demonstrated its will to maintain a fair balance between the interests of the museums in countries where looted artefacts are found and those countries that strive for the restitution of their national heritage. This delicate balance in an area of political, economic, cultural and psychological complexities runs the risk of being upset if the recent statement attributed to Julien Anfruns, Director-General of ICOM, is an indication of thinking in the organization.

A statement on the Parthenon Marbles attributed to the Director-General of ICOM, appears to put in great danger all the efforts achieved so far by ICOM in maintaining equality and fairness towards its members from different countries. According to the Spanish journal, La Nueva España, Julien Anfruns declared that the Parthenon/Elgin Marbles should stay in London:

Julien Anfruns, director general of the International Council of Museums (ICOM), explained that “these pieces still give rise to misunderstandings”, and in this regard that, “had the transfer never happened who knows if we would be able to see these pieces today at all.”

“Greece formed part of the Ottoman Empire, it was not an independent country, there did not exist a consciousness that art encompassed the roots of a nation.”Anfruns concluded “that at least one thing is sure: Elgin’s bequest can be seen in the British Museum today”. (3) Anfruns has conveniently forgotten the damage done to the Parthenon Marbles by the use of wrong cleaning chemicals. A disaster which even the British Museum has admitted. (4)

Regarding the possibility of returning cultural objects to their countries of origin, the Director-General of ICOM, giving as examples of cultural objects found outside their countries of origin, the Venus de Milo or Samothrace’s Winged Victory, now in the Louvre, concluded that the idea was absurd. He questioned if the idea of return was “to bring together all the Velasquez to Spain, to do the same thing with all the heritage of Egypt?”

Anfruns is reported as saying that:Tony Blair’s government promoted a law according to which the Elgin pieces cannot leave the United Kingdom”.

Some of these statements are, to put it very mildly, irresponsible. Should a Director-General of ICOM even express publicly his own views on such a controversial question as the legality and legitimacy of the Parthenon/Elgin Marbles in the British Museum, independently of the views of his organization?

When Anfruns was appointed, the Press Release stated, inter alia: “Along with his managerial and administrative duties at the International Council of Museums, Julian Anfruns will act as its operational and intellectual head through four fundamental missions:

  • To act as the spokesperson of ICOM, and to promote the Organisation’s position as a reference for members of the museum community.
  • To strengthen the network of museum professionals with the aim of building up the reputation, scope and visibility of ICOM within the museum community.
  • To seek financial support from private sponsors and public partners.
  • To strengthen the efficiency of ICOM in order to consolidate and improve all services and programmes carried out by the Organisation.(5)

Can the Director-General of ICOM, a non-governmental organisation (NGO) maintaining formal relations with UNESCO and having a consultative status with the United Nations’ Economic and Social Council (ECOSOC), totally ignore the positions of the United Nations, UNESCO and the international community as expressed in several resolutions and at the recent Athens Conference on restitution of cultural items to their countries of origin? (6)

How far are the views of Anfruns compatible with Article 4.5 of the Rules of Procedure of the Intergovernmental Committee of UNESCO

this provides that:

Representatives of the International Council of Museums (ICOM) and the Organization for Museums, Monuments and Sites of Africa (OMMSA) shall also take part in meetings of the Committee, in an advisory capacity.” (7)

Can ICOM provide unbiased advice to the Committee when its Director-General has publicly taken position in favour of the so-called universal museum? It is well-known that the dispute between Greece and Great Britain on the Parthenon Marbles has been for a long time before the Intergovernmental Committee which seeks ways and means of facilitating bilateral negotiations for the restitution or return of cultural property.

How far are the views of Anfruns compatible with the following ICOM declaration issued in connection with recent Athens Conference?

There is a need to retrieve consideration of the historical movement since the eighteenth century of an articulation of ‘universal’ values; to trace the important trajectories in political and social philosophy arising from the concept of the dignity of all humankind. Seen in this light, the whole scenography of cultural heritage disputes and property claims brought to the door of museums may be re-cast in different terms from those staked out by the self-styled ‘universal museum’. The claims of those seeking to regain access, control or possession of their cultural heritage may no longer be projected as irritant or aberrant voices speaking from far outside the discourse of universal values, but rather as the extension and fulfilment of these values in today’s world.” (8)

Is the Director-General of ICOM at all conscious of the fact that the Greeks are also members of ICOM and as such should be treated equally in a dispute with the British which has been placed before the United Nations, UNESCO and ICOM? Can ICOM play any useful role when its Director-General declares publicly that he is in favour of one party? Is this compatible with his status as such and in accordance with the statutes of his organization? What role did the ICOM Secretariat, which consists of fairly experienced officials, play in this matter? Could they not restrain their D-G from making such absurd statements which only betray partiality and ignorance in the matter? It is possible that the Director-General did not consult either his Secretariat or the Executive Council of ICOM with regard to his unfortunate statement, even though as the Chief Executive Officer he is responsible to the Council.

However, if the statement of Anfruns is indicative of current thinking in the higher circles of ICOM, its wider implications for restitution cases should be carefully examined. Many institutions and persons will feel that they can no longer rely on the impartiality of ICOM since the current Director-General seems to espouse the discredited and self-serving arguments of museum directors such as Montebello (Metropolitan Museum of Art, New York), Cuno (Art Institute of Chicago) and MacGregor (British Museum, London) that the so-called “universal museums” have a right and duty to retain looted artefacts or artefacts acquired under dubious circumstances.

It is probably not very useful to examine in detail the absurd statements attributed to the Director-General. However, some one in the ICOM Secretariat should explain to him the untenable explanation presented by the British Museum why the Parthenon/Elgin Marbles cannot be returned to Greece. The statement that: “Tony Blair’s government promoted a law according to which the Elgin pieces cannot leave the United Kingdom” is surely misleading. The D-G should also be informed that public opinion polls in Britain have always indicated that the majority of the British people are overwhelmingly spoken in favour of returning the Parthenon/Elgin Marbles to Athens.

The Director’s statements on the new museums in Abu Dhabi are not very helpful in dealing with the question of the Parthenon Marbles. These museums pose different questions and are better left out of discussions on the Parthenon Marbles. (9)

In trying to explain the historical circumstances under which the Parthenon Marbles were taken from Athens, Anfruns declared that: “Greece formed part of the Ottoman Empire, it was not an independent country, there did not exist a consciousness that art constituted the roots of a nation.” Is the Director-General trying to argue that previous ages were not conscious or aware that art of a particular people or nation belonged to that group? Such an argument can be used to justify the deprivation of many groups of their arts if such a level of consciousness, presumably attributed only to modern European nations, were applied to many demands for restitution.

As regards the diversionary argument, now bereft of any force, about what would have happened, if Elgin had not removed the marbles from Athens, Anfruns is reported as saying that we can at least see these pieces in the British Museum. The vandalism involved in forcibly removing these marbles from their original location and the destruction involved in the process, as well as the ensuing dispersion of parts of a unity are ignored. (10) We do not want to indulge in speculations but it is probable that if these Parthenon Marbles had not been removed by Elgin they would not now be in London and most probably would be with rest of the friezes in Athens.

We can hardly believe that a Director-General of ICOM would make such statements. If he has been wrongly cited or quoted out of context, we urge him to make available to the public the complete text of his statement in Spanish and English since the views attributed to him will in the long run only do damage to ICOM. The Director-General could have looked at Article 6 of the ICOM Code of Ethics which would have cautioned him from making such statements. (11)

It could of course be that this is part of a long-term strategy by supporters of the so-called universal museums to trivialize the discussions on restitution so that the public loses interest and thus fails to appreciate important implications of the issue. We have had recently the absurd spectacle of a director of a respectable museum on the other side of the Atlantic persistently refusing to recognize the difference between “unification” and “reunification” and thus avoiding examining the question of the reunification of the Parthenon Marbles at Athens. After the New Acropolis Museum was opened, a director of a famous museum in London who did not attend the opening simply declared that the question of the location of the Parthenon/Elgin Marbles is a question of the past. He added that the most important issue now was how the British and Greeks could enable the Africans and the Chinese to see these Marbles. About the same time, a famous former director of a well-known museum in New York wondered what kind of world it would be if those interested in Greek art had to go to Athens, instead of London or New York.

All this may remind readers of the infamous Declaration on the Importance and Value of Universal Museums (1982) by which the big Western museums declared that the looted artefacts from Africa, Asia and elsewhere now in their museums had become part of the culture of the countries where they are located; they also affirmed their intention not to return the looted objects except in limited cases. At that time senior officials at ICOM vigorously rejected the claims of the large museums. (12) Now it appears the Director-General of ICOM has adopted the discredited claims of the “universal museums”.

Could all the absurd statements from intelligent and well-educated museum directors be by accident? Have we entered the age of the absurdity when some persons feel they can say anything which suits their interests and ignore history and public opinion? Or are we in the age of duplicity where the same person takes different positions on a subject depending on the audience he is talking to?

Kwame Opoku, 28 September, 2009

NOTES

1. K. Opoku, “Let others loot for you,” http://www.modernghana.com

2. http://icom.museum/ethics

http://icom.museum/redlist

3. El Partenón está en Londres, La Nueva España, Aviles edition, 18 September 2009 http://www.lne.es/aviles/2009/09/18/aviles-partenon-londres/809714.html

http://www.museum-security.org

A request to the ICOM Secretariat for copy of the text of the statement by the D-G has so far not even been acknowledged.

4. See the Annex below.

5. ICOM Press Release – Appointment of Julien Anfruns as New Director General of ICOM, 29 September, 2008, http://icom.museum/release_DG

6. See UN resolution of 2006 the “Return or restitution of cultural property to the countries of origin” http://unbisnet.un.org . Athens Conference http://www.unesco.org

7. INTERGOVERNMENTAL COMMITTEE FOR PROMOTING THE RETURN OF CULTURAL PROPERTY TO ITS COUNTRIES OF ORIGIN OR ITS RESTITUTION IN CASE OF ILLICIT APPROPRIATION, http://portal.unesco.org

8. http://tom-flynn.blogspot.com

9. K. Opoku, “ Stolen Art Objects from one “Universal Museum” – Louvre Paris to another – Louvre Abu Dhabi?” http://www.modernghana.com

10. Readers may find it useful to read the following books on the Parthenon Marbles: Mary Beard, The Parthenon, Profile Books, London, 2004;

Christopher Hitchens, The Parthenon Marbles, Verso, London, 2008;

Jenifer Neils, The Parthenon Frieze, Cambridge University Press, Cambridge, 2001.

11. Article 6 of the ICOM Code of Ethics for Museums provides as follows:

Museums work in close collaboration with the communities from which their collections originate as well as those they serve

Principle: Museum collections reflect the cultural and natural heritage of the communities from which they have been derived. As such they have a character beyond that of ordinary property which may include strong affinities with national, regional, local, ethnic, religious or political identity. It is important therefore that museum policy is responsive to this possibility.

ORIGIN OF COLLECTIONS

6.1 Co-operation
Museums should promote the sharing of knowledge, documentation and collections with museums and cultural organisations in the countries and communities of origin. The possibility of developing partnerships with museums in countries or areas that have lost a significant part of their heritage should be explored.

6.2 Return of Cultural Property
Museums should be prepared to initiate dialogues for the return of cultural property to a country or people of origin. This should be undertaken in an impartial manner, based on scientific, professional and humanitarian principles as well as applicable local, national and international legislation, in preference to action at a governmental or political level.

6.3 Restitution of Cultural Property
When a country or people of origin seeks the restitution of an object or specimen that can be demonstrated to have been exported or otherwise transferred in violation of the principles of international and national conventions, and shown to be part of that country’s or people’s cultural or natural heritage, the museum concerned should, if legally free to do so, take prompt and responsible steps to co-operate in its return.

6.4 Cultural Objects From an Occupied Country
Museums should abstain from purchasing or acquiring cultural objects from an occupied territory and respect fully all laws and conventions that regulate the import, export and transfer of cultural or natural materials.

RESPECT FOR COMMUNITIES SERVED

6.5 Contemporary Communities
Where museum activities involve a contemporary community or its heritage, acquisitions should only be made based on informed and mutual consent without exploitation of the owner or informants. Respect for the wishes of the community involved should be paramount.

6.6 Funding of Community Facilities
When seeking funds for activities involving contemporary communities, their interests should not be compromised.

6.7 Use of Collections from Contemporary Communities
Museum usage of collections from contemporary communities requires respect for human dignity and the traditions and cultures that use such material. Such collections should be used to promote human well-being, social development, tolerance, and respect by advocating multisocial, multicultural and multilingual expression.

6.8 Supporting Organisations in the Community
Museums should create a favourable environment for community support (e.g., Friends of Museums and other supporting organisations), recognise their contribution and promote a harmonious relationship between the community and museum personnel.

http://icom.museum/ethics

12. K. Opoku, “ From Universal Museums to Universal Heritage Museums: Is the ICOM (Iinternational Council of Museums) seeking to Legitimize and Legalize Stolen African Art Objects in European and American Museums?” http://marystevens.wordpress.com K. Opoku, Benin and Other African Art Works to be Declared Universal?World Heritage? http://www.museum-security.org

ANNEX

Since much of the justification advanced by the by the British Museum for keeping the Parthenon/Elgin Marbles is based on its ability to protect and preserve the friezes in London, it may interest the reader to read a little more about the damages the sculptures have suffered under British protection.

High Beam Research

AP Online
06-08-1998
LONDON (AP) _ The British Museum, which has acknowledged “over-cleaning” the Elgin Marbles, said Monday it is inviting international experts to inspect the damage to the 2,500-year-old sculptures.

In a book _ “Lord Elgin and the Marbles,” _ published Monday, historian William St. Clair wrote that the ancient Greek sculptures had been cleaned with metal scrapers in an effort to whiten them, irreparably damaging the patina in places.
The museum, which admits some of the marbles were cleaned too zealously with copper scrapers and caustic agents in the 1930s, denies St. Clair’s charge that it covered up the damage
.

http://www.highbeam.com

New World Encyclopedia

To facilitate transport, the column capital of the Parthenon and many metopes and slabs were sawn and sliced into smaller sections. One shipload of marbles on board the British brig Mentor was caught in a storm off Cape Matapan and sank near Kythera, but was salvaged at the Earl’s personal expense; it took two years to bring them to the surface.

While the artifacts were held in London, unlike those remaining on the Parthenon, have been saved from the hazards of pollution, neglect, and war, they have also been irrevocably damaged by the unauthorized “cleaning” methods employed by British Museum staff in the 1930s, who were dismissed

when this was discovered. Acting under the erroneous belief that the marbles were originally bright white, the marbles were cleaned with copper tools and caustics, causing serious damage and altering the marbles’ coloring. (The Pentelicon marble on which the carvings were made naturally acquires a tan color similar to honey when exposed to air.) In addition, the process scraped away all traces of surface coloring that the marbles originally held, but more regrettably, the detailed tone of many carvings were lost forever. The British Museum held an internal inquiry and the officers responsible ceased museum employment. However, the extent of any possible damage soon became exaggerated in heated controversy. http://www.newworldencyclopedia.org

British Museum

The cleaning of the Parthenon Sculptures in 1938

In early 1939 there was press interest in rumours that unauthorized methods were used during the process of cleaning the Parthenon sculptures for display in the newly constructed Duveen Gallery (Room 18).

Contemporary reports, both official and unofficial, indicate that copper chisels and carborundum (silicon carbide) were used in addition to the recommended water and soap on some of the sculptures. As a result, the British Museum held an internal enquiry and the officers responsible ceased Museum employment.

An official statement was issued to the press on 18 May 1939 and questions were asked in Parliament. The Trustees resolved to publish a full report on the effects of the cleaning, but the outbreak of World War II intervened. The issue was for the most part forgotten within the academic community until the 1980s and 1990s. On 30 November and 1 December 1999 the British Museum held a scholarly conference as part of its series of Classical Colloquia. This addressed the visual and documentary evidence for the cleaning with the aim of determining how and to what extent the surface of the sculpture may have been changed. It also looked at wider issues concerning the history and theory of conservation. http://www.britishmuseum.org Ian Jenkins, Cleaning and Controversy: The Parthenon Sculptures 1811-1939 http://www.britishmuseum.org

Other Sources

Museum admits ‘scandal’ of Elgin Marbles http://news.bbc.co.uk

Revealed: how rowdy schoolboys knocked a leg off one of the Elgin Marbleshttp://www.telegraph.co.uk

British damage to Elgin marbles ‘irreparable’

http://www.guardian.co.uk

Daily Telegraph exposes extent of damage to Elgin Marbles in British Museum

http://www.elginism.com

September 28th, 2009

Posted In: Dr. Kwame Opoku writings about looted cultural objects

On 17 September 2009 in Avilès (Spain), a conference took place on “Cultural Diplomacy”. I participated in one of the organised panels, which addressed the issue of restitutions of stolen art. All the presentations and discussions were in English without translation into any other languages. A brief discussion, also in English, was quickly organized with journalists just after the panel. One of them, Mr. Saul Fernandez, wrote an article for the newspaper “the Nueva España”. His article does not reflect in any manner neither my thoughts, nor what I said. I can only assume that something was obviously lost in communication because of the diversity of languages.

I have never said, at any time, that the Parthenon’s friezes presented in the British Museum should remain in the United-Kingdom. ICOM does not believe the solution is in taking sides on cultural property disputes. This statement has only been developed to make a provocative article. I regret that, during the discussion with Mr.Saul Fernandez, there was a breakdown in communication, which has clearly led to misinterpretation. To set the record straight: The panel, on which I participated in the Cultural Diplomacy Forum with three other panellists, was largely holocaust related, and focused on the restitution of stolen art. I launched the discussion by raising questions regarding possible misunderstanding of definitions with regard to “what is stolen art?”, and “in which contexts can we speak of stolen objects?”. I invited the participants to reflect on all aspects of the issue – including indeed dismembered heritage (but also human remains, religious objects, objects looted during wars, etc.) – which, because of the lack of adequate legislation in force at the time found its way into foreign museums — the most pertinent example of this, of course, being the Elgin marbles, although examples are not lacking in many other Western museums.
I, then, addressed the need for ratification of international conventions and strong national legislation, and also cooperation at an international level. In the case of cultural property disputes, I stressed recourse to ICOM’s mediation procedure.
ICOM is a non-governmental organisation – a professional one, not a political one. I have the concerns of all of our members at heart and am deeply committed to defending the interests of all of our 117 National Committees and 155 represented Nations. In the case of a
dispute, ICOM suggests that when dialogue is unfortunately blocked, alternative solutions should be envisaged. Why do you think it has
set up its Mediation Procedure? May I invite readers to take a look at ICOM’s statement on mediation (http://icom.museum/
statement_mediation_eng.html), which clearly expresses the position of our organisation. I am happy to say that, in Avilès, much interest
was expressed from the audience when I reminded and defended this alternative option proposed by ICOM, including from seasoned
international lawyers who have experienced the limits of confrontational legal ways in restitution disputes.

Julien Anfruns, Director General of ICOM

September 28th, 2009

Posted In: Mailing list reports

Tags:

Turkey a magnet for smugglers of historical artifacts

Turkey is not only a cradle for the most ancient civilizations of the world but also continues to serve as a honey pot for smugglers of cultural and natural assets.

Every year, valuable historical artifacts are stolen from Turkey and made part of the collections of various museums around the world.

According to the “Cultural and Natural Assets Smuggling Report” prepared by the Culture and Tourism Ministry based on figures provided by the Anti-smuggling and Organized Crime Bureau (KOM) of the police department, Turkey sees higher statistics related to the smuggling of historical artifacts every year.

In 2003 security authorities seized 3,255 historical artifacts that smugglers were attempting to take abroad. With a steady rise over years, this figure rose to 17,936 in 2007. And another new high came in 2008, when authorities seized 42,073 historical artifacts and detained 4,077 suspects in 1,576 operations.

Coins are the favorite of smugglers as they are relatively easy to take abroad without detection. The number of coins seized by security authorities rose from 20,461 in 2007 to 55,613 in 2008.

The report notes that as Turkey is a country of tourism, it is also the country that attracts the most smugglers. Greece, Egypt, Syria, Italy, China, India, Iran and Iraq are among the countries where cases of theft and smuggling of historical artifacts are common, according to the report.

Conflicts fuel smuggling

The report also maintains that conflicts and wars tend to create a suitable atmosphere for the smuggling of historical artifacts, as seen in Iraq and Afghanistan, where the ongoing wars allow smugglers to operate freely. The majority of historical artifacts smuggled out of these countries are sent to Western countries via Turkey. This route of smuggling implies that these historical artifacts are purchased by collectors in rich Western countries. The US, the UK, Switzerland and Japan are the favorite destinations for these items.

The report cites lack of sufficient security measures against theft in museums as the major reason for the high number of smuggling cases. Tourism is the most widely used venue for smuggling historical artifacts.Furthermore, Turkey lacks a sufficient and clear inventory of historical artifacts in the country, and Turkey does not have statistics about existing historical artifacts and about already smuggled items.

The most important historical artifact that was taken outside of Turkey is the Bergama Zeus-Athena Altar; however, this altar cannot be reclaimed as it was sold by an order from the Ottoman sultan of the time at a very low price to Germany. The South Agora Portal of Miletos, too, had been taken out of the country in the same manner.

Wanting to counteract the increasing cases of smuggling of historical artifacts, security authorities asked the General Directorate of Cultural Assets and Museums to complete an inventory of the country’s cultural assets while suggesting that a bill should be passed to limit and inspect the use and sale of metal detectors. The Culture Ministry is likely to convey this proposal to the government in the coming days.

KOM and the Culture Ministry signed a new protocol in 2005 to combat the smuggling of historical artifacts.  While Turkey has managed to reclaim some major historical artifacts smuggled from Turkey to the US and the UK, it is still unable to implement effective measures against the smuggling of new ones.

The figures available to security authorities consist only of the statistics on seized artifacts during operations; yet, there is no reliable, if any, information about the number of historical and cultural artifacts illegally taken outside the country.

$17 million spent

Nevertheless, the Culture and Tourism Ministry has managed to have some rough estimates about which artifacts were taken to which countries. Until now, the ministry has spent $17 million to reclaim these artifacts, and it is still working on bringing other works of art and history back to the country. Here is a non-exhaustive list of major historical artifacts illegally taken out of Turkey:

Germany: The Bergama Zeus-Athena Altar, the Aphrodisias Old Fisherman Statue, the mihrab (niche) of Konya’s Beyhekim Mosque, the Hacı Bayram Veli tomb and Troy artifacts. Boğazköy tablets and Sphinxes, an Antiochos head fragment, artifacts from the Henkel collection, a terracotta statue, a marble bas-relief tablet and artifacts seized in Bremen and Tutlingen were returned to Turkey.

The UK: The Ottoman tombac, the pulpit door stolen from İzmir’s Birgi Aydınoğlu Mehmet Bey Mosque, artifacts from a sunken ship in the English Channel, artifacts seized at Heathrow Airport and a bronze Dionysus statue were returned to Turkey.

Russia: Troy artifacts.

Austria: The artifacts seized at the Suben border crossing and triple Hekate statue still have not been returned, while the marble head of a woman was able to be reclaimed.

The US: The Heracles statue, the Kumluca artifacts. A 93-piece collection of Ottoman apparel, a seaman’s lantern, the Meleager head from the historical site of Aphrodisias, a lead seal, Atatürk’s silver cigarette case, a Quran stolen from the Nuruosmaniye Library and 1,676 Elmali coins were returned to Turkey.

Denmark: The Sphinx figure from the Diyarbakır Museum, the sarcophagus (sanduka) from the Akşehir Seydi Mahmut Hayrani tomb, the Cizre Ulu Mosque doorknob, several Quran pages from the Nuruosmaniye Library and the screens of the portal of Konya’s Beyşehir Eşrefoğlu Mosque were returned to Turkey.

Italy: The process of the reclamation of an ancient inscription tablet seized by the Italian Interpol is under way, while a bronze vase was returned.

Switzerland: The Elmalı coins, the statue of a woman stolen from the courtyard of the İzmir Museum Directorate and some artifacts from the Roman era seized in Zürich were returned to Turkey.

France: Many Lydian artifacts are still in this country.

<http://www.todayszaman.com/tz-web/news-188131-101-turkey-a-magnet-for-smugglers-of-historical-artifacts.html>
27 September 2009, Sunday
ERCAN YAVUZ  ANKARA

September 27th, 2009

Posted In: Mailing list reports

Tags:

This content is password protected. To view it please enter your password below:

September 27th, 2009

Posted In: fakes and forgeries

Native pipe stolen from museum

A pipe held sacred by American Indians was stolen from a locked enclosure at the Goodhue County History Center.
By: Mike Longaecker, The Republican Eagle


A pipe held sacred by American Indians was stolen from a locked enclosure at the Goodhue County History Center.
Amos Owen, a Prairie Island Indian Community spiritual leader who died in the 1990s, carved the stolen pipe bowl, shaped as an eagle’s claw.
History Center officials discovered the piece missing earlier this month. Police said it might have been taken months ago.
History Center Director Char Henn called Owen’s work “an asset to the whole community.”
“It’s not a loss to the museum,” she said Wednesday of the artifact, donated to the museum in the 1980s. “It’s a loss to the community.”
Owen’s son, Ray Owen, agreed, but remained optimistic, knowing other lost artifacts have turned up.
“The pipe will reappear,” he said. “That will turn in a circle.”
Police said the pipe was valued at $2,000, but Henn said the figure is virtually arbitrary: “The value can’t be quantified,” she said.
The pipe had been kept in a locked glass enclosure at the museum, placed next to other American Indian pipes. Documentation describing the pipe was also taken, police said.
Henn suspects a visitor came in, picked the lock, and took the bowl — carved from Pipestone, Minn., pipe-rock.
Ray Owen said most effigy pipes were used as medicine or prayer ceremonies in native culture. The eagle claw pipe — carved by his father in the early 1970s — was likely used for prayers of doctoring or healing, he said.
“The pipe is a portable altar,” Ray Owen said.
Henn said talks have already begun about stepping up security at the museum in light of the theft. American Indian artifacts are fetching high value on the black market, she said.
She is confident internal theft — while common at larger museums — is not the culprit in the pipestone theft. Henn said she is disappointed a visitor, perhaps from the area, would steal the artifact.
“The person who did this has cheated the whole area of part of the richness of our culture,” she said. Ray Owen said the theft adds to Prairie Island’s recent cultural loss, which he said included the death of tribal elder Curt Campbell. “I see it as a call to our next generation to remember their culture, their teachings,” Ray Owen said.

September 26th, 2009

Posted In: Museum thefts

Magritte painting stolen at gunpoint

Olympia, a portrait of the artist’s wife, taken in raid on former home of the Belgian painter, now an exclusive museum

A postcard showing Rene Magritte's A postcard showing Rene Magritte’s Olympia. Photograph: Francois Lenoir/Reuters

A painting by the Belgian surrealist artist René Magritte was stolen from a Brussels museum today in a daring daylight raid by two armed men who rang the doorbell before putting a gun to the concierge’s head.

The 1948 painting, Olympia, a nude portrait of the artist’s wife Georgette, is said to be worth up to €3m (£2.75m). It was hanging in Magritte’s former terrace house, which is open as a museum by appointment only.

The museum had been open for 10 minutes when a man rang the doorbell asking if visiting hours had started. He put a revolver to the museum attendant’s temple and allowed his accomplice inside. The two men, who were not masked, rounded up the museum staff and visitors – a Japanese couple – and made them kneel in the courtyard. No one was hurt and the pair left carrying the 60cm by 80cm painting and got into a car.

As soon as they had smashed the glass plate protecting the work, an alarm sounded but by the time the police arrived, the thieves, who spoke English and French, had made their getaway.

Magritte lived with his wife for more than 20 years in the house in the northern Brussels suburb, and painted some of his most famous works there. The house also became a meeting point for other surrealists in the Belgian capital.

Now a small museum, it is distinct from the big new Magritte museum which opened in Brussels in June. Since the opening of the vast new Brussels museum, there has been a surge of interest in Magritte’s witty and surrealist images, such as his famous painting of a pipe with its warning: “This is not a pipe”.

The stolen painting, posed by Magritte’s wife, shows a woman reclining with a shell balanced on her stomach.

Maja Pertot Bernard of the Art Loss Register said Magritte was not a painter whose works were often stolen and there were very few missing Magrittes.

“This painting, which is highly recognisable, is very unlikely to be attempted to be sold on the open market,” she said. “In thefts like these, the paintings either tend to turn up very quickly when the thieves realise it’s a lost cause, or if they do go missing for a long time, they often change hands so many times that the final seller doesn’t realise there is a problem with the painting.”

She said paintings were sometimes held for ransom. “More often, they are used as collateral, in exchange for something, or to pay off a debt.”

September 24th, 2009

Posted In: Mailing list reports, Museum thefts

Tags:

Julien Anfruns defends the Athens friezes staying in the British Museum

Saul Fernandez_One of the debates without any apparently immediate solution
is the one proposing that big museums return the property extracted/taken
(esquilmados) during the years during which artistic conscience did not
exist.  One of the most noted cases in this area is the transfer of the
Parthenon friezes of Athens to the British Museum of London at the beginning
of the 19th century.  It is the well-known bequest of Lord Elgin.  Julien
Anfruns, director general of the International Council of Museums (ICOM),
explained that ³these pieces still give rise to misunderstandings², and in
this regard that, “had the transfer never happened who knows if we would be
able to contemplate these pieces today at all.”_Anfruns explained that the
facts/events have a determined historical context. In the case of the
friezes: “Greece formed part of the Ottoman Empire, it was not an
independent country, there did not exist a consciousness that art
encompassed (resumed) the roots of a nation.²  Therefore, he concluded in
stating that at least one thing is sure is that Elgin¹s bequest can be seen
(comtemplated) in the British Museum today.  Does the British feed itself on
all the spoils of the empire? ³Not only this museum,² asserted Anfruns. At
this point, he gave the example of the Louvre taking the ³Venus de Milo² or
³Samothrace¹s Winged Victory².

Should the heritage of a nation remain in the nation that originated it?

Anfruns explained that this possibility is absurd. ³What are we talking
about here? To bring together all the Velasquez in Spain, to do the same
thing with all the heritage of Egypt? The ICOM Director recalled that Tony
Blair¹s government promoted a law according to which the Elgin pieces cannot
leave the United Kingdom. ³Nonetheless, the friezes are the trees through
which the actions of the direction of the British (Museum)are not seen,² he
noted, ³The museum has returned aboriginal Maori human remains to Australia
and New Zealand², he commented.

Anfruns considered, therefore, that it would be ideal to discuss ³case by
case, country by country².  He recalled, in this sense, that in France the
temporary exhibition of material from any provenance(dubious provenance?) is
permitted.  He gave as an example the Japanese sword that has been exhibited
in the Musée de l¹armée of Paris since the 19th century. ³Very soon, it will
return to Japan,² he said.

-Should modern museums be great containers of culture or should they
specialize?

³The Museum of Beaux-arts of Abu Dhabi, with the help of the Louvre, has
leaned toward the possibility of universalizing all knowledge.  There is
another museum, also in Abu Dhabi, although a modern art museum, which
nevertheless is leaning toward specialization.  Nothing is
regulated/(fixed),²  he concluded.

September 24th, 2009

Posted In: Parthenon Marbles

Former Midway manager to be sentenced for theft

By Staff, City News Service

Thursday, September 24, 2009

A former accounting manager for the USS Midway Museum is scheduled to be sentenced in a downtown courtroom Thursday for stealing $111,000 from the nonprofit organization.

Veronica Gonzalez Monay, 35, pleaded guilty Aug. 26 to one count each of grand theft and fraudulent appropriations by an employee. She also admitted allegations that more than $100,000 was taken in the thefts.

Judge Michael Smyth could sentence Gonzalez to anywhere from probation to four years in state prison.

Prosecutors said Gonzalez, who worked for the museum three years, stole the money in 2007 and 2008 by intercepting 21 separate cash deposits.

At her arraignment last month, prosecutor James Teh said she resigned two days after a financial officer informed her of cash irregularities. An investigative audit led authorities straight to Gonzalez, Teh said.

He said Gonzalez had a 1997 conviction, expunged in 2004, for similar conduct.

Gonzalez, who has a degree in accounting, was employed in the same field at a different firm when she was arrested.

The USS Midway Museum opened in June 2004 and features 60 exhibits with a collection of 25 restored aircraft aboard the aircraft carrier in downtown San Diego.

September 24th, 2009

Posted In: insider theft

Two thieves stole Magritte’s masterpiece “OLYMPIA” from the Magritte Museum in Jette, Belgium.
In the early morning, before opening hours, the thieves rang the museum doorbell. At the moment this door was opened they overran the member of staff and went straight into the museum. They took the painting from the wall and left. Presumably an escape car was waiting for them. Police are investigating this art theft.
Material value of the work of art ca.  3.5 million Euros

September 24th, 2009

Posted In: Museum thefts

Suspected Forgery of 1,200 Frida Kahlo Works Reported

MEXICO CITY – Representatives of the Diego Rivera and Frida Kahlo Trust filed a criminal suit on Tuesday for the forgery of 1,200 Kahlo works of art that appear in two books recently published in Mexico and the United States.

“Most of them appear not to be by the artist, because connoisseurs of the artist’s works have said so,” attorney Jose Luis Perez Arredondo told reporters.

The trust charged with protecting the legacy of Kahlo (1907-1954) and her husband functions under the auspices of Mexico’s central bank.

The complaint was filed at the Attorney General’s Office, where members of the press met with experts on the artist’s work and personnel of the Anahuacalli Diego Rivera and Frida Kahlo museums.

Perez Arredondo said that the trust’s technical committee decided to file the complaint after hearing the opinion of several experts on the supposed work of Frida reproduced in the publications “Finding Frida Kahlo” and “El Laberinto de Frida: Muerte, Dolor y Ambivalencia” (Frida’s Labyrinth: Death, Pain and Ambivalence) containing illustrated letters, drawings and personal notes.

“We’re not making personal accusations nor are we judging conduct. That is the subject of the lawsuit,” the lawyer said.

At the end of last month, Mexican antique dealers Carlos Noloya and Leticia Fernandez presented the 1,200 works as authentic, while admitting that they were very different from other pictorial works left by the artist.

A 1984 decree in Mexico established that every Kahlo work of art is a national artistic monument, which gives it the protection of federal law and considers any reproduction or sale of such a piece to be for the benefit of the public.

Arredondo believed that now it will be the AG office that must determine whether the works are genuine or not, as well as finding out who the owners are and the possible responsibilities they might have in the possible selling of the objects.

The painter Pedro Diego Alvarado, grandson of Diego Rivera (1886-1957), said that “what is said in the letters (that appear in one of the books) has no relationship with Frida’s universe,” which aroused suspicions that they might be fake.

U.S. art critic and historian James Oles acknowledged that he has not seen the objects personally but said that as they appear in the publications, they appear to be “forgeries done recently with old materials.”

He also said it was incredible that no one at all knew that Frida gave away a “lost archive” containing the wprks in question, that she handed them over to a supposed picture framer, now dead, or that they finally ended up belonging to Noloya. EFE

September 24th, 2009

Posted In: forgery

Deux vases Empire volés au Château de Versailles


22.09.2009, 14h56 | Mise à jour : 15h09

Deux vases en bronze de la période Empire ont été volés entre mi-août et mi-septembre au Château de Versailles. Le Château de Versailles a porté plainte «ce week-end» pour vol, et une enquête était en cours. Les deux oeuvres d’art, pesant chacune 15 kg et mesurant environ 60 centimètres, se trouvaient dans la salle des Epis, dans l’aile du Midi du château, et ont disparu entre le 12 août et le 17 septembre, sans trace d’effraction, selon une source policière.

September 23rd, 2009

Posted In: Museum thefts

Pocket watches taken from museum

Nikita Watts  | 23rd September 2009

SECURITY at Rockhampton Heritage Village has been tightened after a night raiders made-off with a $30,000 pocket watch collection and jewellery.

While Rockhampton Regional Council was unwilling to comment yesterday, Rockhampton Police Senior Constable Dane Sheraton confirmed thieves had smashed their way into a cabinet in the clock display area.

The theft, which occurred sometime during the evening of August 9 or early August 10, was raised in a report to yesterday’s Community Development and Customer Service Committee meeting.

The report said immediate action was taken to make the necessary upgrade to the area to increase protection.

Senior Constable Sheraton said police had no security footage to assist them in the investigation which is continuing. He urged people to come forward with information.

Forensic evidence was found at the scene and police hope it will eventually identify the offender.

“Forensic evidence takes quite a long time to match up … in the meantime, any information that people can put forward would be great assistance.”

Brian Gommersall, whose family donated the historical timepieces, said the family was disappointed that people would steal items given to the city.

September 23rd, 2009

Posted In: Museum thefts

Bend museum volunteer charged in thefts
Posted: Sep 19, 2009 03:38 AM
Missing boxes of historical items prompt investigation, raid
By Barney Lerten, KTVZ.COM
Volunteers play a crucial role in just about every Central Oregon organization, often toiling behind the scenes, with little recognition. But once in a while, they make the news – and rarer still, for a disheartening reason.
That’s what led to a Thursday afternoon raid on the southeast Bend home of Des Chutes Historical Museum volunteer Brett Alan Hignell, 40, and his subsequent arrest on first-degree theft and computer crime charges.
Police began their investigation on Sept. 9 after the downtown Bend museum’s executive director noticed there were at least three boxes of historical items and memorabilia that were missing and apparently stolen, said police Officer Devin Lewis.
The ensuing investigation found that some of the missing items had been listed and sold at the eBay online auction site, Lewis said.
Evidence also was gathered that led to a possible suspect in Hignell, a past volunteer at the museum who was still listed as a current volunteer, the officer said.
Shortly after 3 p.m. Thursday, police officers and detectives served a search warrant at Hignell’s home in the 21000 block of SE Obsidian Ave., Lewis said.
Several of the stolen items were recovered at the home, Lewis said.
Hignell was contacted as the raid took place and taken to the Deschutes County Jail, where he was lodged and later released on his own recognizance, a Jail officer said.
The investigation is continuing, Lewis said, noting that some of the property sold on eBay has yet to be recovered.
Anyone with information that could help in the case was asked to contact Bend Police at (541) 322-2960.

Missing boxes of historical items prompt investigation, raid

By Barney Lerten, KTVZ.COM

Volunteers play a crucial role in just about every Central Oregon organization, often toiling behind the scenes, with little recognition. But once in a while, they make the news – and rarer still, for a disheartening reason.

That’s what led to a Thursday afternoon raid on the southeast Bend home of Des Chutes Historical Museum volunteer Brett Alan Hignell, 40, and his subsequent arrest on first-degree theft and computer crime charges.

Police began their investigation on Sept. 9 after the downtown Bend museum’s executive director noticed there were at least three boxes of historical items and memorabilia that were missing and apparently stolen, said police Officer Devin Lewis.

The ensuing investigation found that some of the missing items had been listed and sold at the eBay online auction site, Lewis said.

Evidence also was gathered that led to a possible suspect in Hignell, a past volunteer at the museum who was still listed as a current volunteer, the officer said.

Shortly after 3 p.m. Thursday, police officers and detectives served a search warrant at Hignell’s home in the 21000 block of SE Obsidian Ave., Lewis said.

Several of the stolen items were recovered at the home, Lewis said.

Hignell was contacted as the raid took place and taken to the Deschutes County Jail, where he was lodged and later released on his own recognizance, a Jail officer said.

The investigation is continuing, Lewis said, noting that some of the property sold on eBay has yet to be recovered.

Anyone with information that could help in the case was asked to contact Bend Police at (541) 322-2960.

September 19th, 2009

Posted In: insider theft

Former Penrod Treasurer Charged With Embezzlement

Man Accused Of Stealing Nearly $400,000

POSTED: 5:26 pm EDT September 17, 2009
UPDATED: 5:56 pm EDT September 17, 2009
INDIANAPOLIS — The former volunteer treasurer of the Penrod Art Fair was charged Thursday with embezzling nearly $400,000.

Brandon Benker, 28, controlled the accounts of the annual September event at the Indianapolis Museum of Art from February to November of last year.

According to the probable cause affidavit, he wrote several checks to himself and dissolved one of the organization’s CDs.

Benker’s attorney said that he had a gambling problem and spent most of the money in Las Vegas.

Benker also worked as a CPA for Somerset Accounting, which is in the process of an extensive audit.

“If he was able to do this at Penrod, then it certainly raises the questions if he had access, the same kind of access, to the books of other companies,” said Marion County Prosecutor Carl Brizzi. “I think we have a duty to make sure that these companies are informed and do an internal audit to see if they are missing funds.”

Benker is expected to turn himself in to police this week.

September 18th, 2009

Posted In: insider theft

Parrett Mountain Farm director charged with embezzlement
06:49 PM PDT on Thursday, September 17, 2009
By WAYNE HAVRELLY for Kgw.com
In a major black eye for an Oregon charity known for preserving our state’s farming history, the executive of Parrett Mountain Farm is in jail, charged with embezzling at least $52,000.
Elizabeth Rhode, the director of the Crystal Dawn Smith Rilee Foundation that operates Parrett Mountain Farm, is in jail charged with five counts of theft and two counts of forgery.
Rhode took over the non-profit foundation after her grandmother Crystal Dawn Smith Rilee passed away three years ago. She was an descendent of the Parrett family who established the farm in 1853.
“Oregonians gave money to this charity and they believed in it. It’s always very disappointing when people steal, said Tony Green with Oregon’s Department of Justice which helped with the investigation.
Parrett Mountain Farm is a well known charity in north Yamhill County. It’s a 418-acre living history museum.
The foundation has worked to preserve historic houses and buildings on Parrett Mountain and hosts educational events for school children along with historic reenactments and community events.
No one at Parrett Mountain Farm would talk to us.
Leanne Bennett lives on Parrett Mountain and is shocked by the charges. She doesn’t believe Elizabeth Rhode could steal money from the public. Others in the neighborhood say they are not surprised.
Rhode was arraigned Wednesday, but remains in jail on $200,000 bail. Despite this shakeup at Parrett Mountain Farm, an Art Festival scheduled for this weekend at the farm will go on as planned. It’s free to the public.

Parrett Mountain Farm director charged with embezzlement

06:49 PM PDT on Thursday, September 17, 2009

By WAYNE HAVRELLY for Kgw.com

In a major black eye for an Oregon charity known for preserving our state’s farming history, the executive of Parrett Mountain Farm is in jail, charged with embezzling at least $52,000.

Elizabeth Rhode, the director of the Crystal Dawn Smith Rilee Foundation that operates Parrett Mountain Farm, is in jail charged with five counts of theft and two counts of forgery.

Rhode took over the non-profit foundation after her grandmother Crystal Dawn Smith Rilee passed away three years ago. She was an descendent of the Parrett family who established the farm in 1853.

“Oregonians gave money to this charity and they believed in it. It’s always very disappointing when people steal, said Tony Green with Oregon’s Department of Justice which helped with the investigation.

Parrett Mountain Farm is a well known charity in north Yamhill County. It’s a 418-acre living history museum.

The foundation has worked to preserve historic houses and buildings on Parrett Mountain and hosts educational events for school children along with historic reenactments and community events.

No one at Parrett Mountain Farm would talk to us.

Leanne Bennett lives on Parrett Mountain and is shocked by the charges. She doesn’t believe Elizabeth Rhode could steal money from the public. Others in the neighborhood say they are not surprised.

Rhode was arraigned Wednesday, but remains in jail on $200,000 bail. Despite this shakeup at Parrett Mountain Farm, an Art Festival scheduled for this weekend at the farm will go on as planned. It’s free to the public.

September 18th, 2009

Posted In: insider theft

This content is password protected. To view it please enter your password below:

September 15th, 2009

Posted In: African Affairs

By CAROL VOGEL and SOLOMON MOORE
Published: September 12, 2009

LOS ANGELES — The theft of 10 silkscreen paintings by Andy Warhol has the Los Angeles Police Department searching for clues, but it has people in the art world scratching their heads, too.

The paintings were stolen from the West Los Angeles home of Richard L. Weisman, a businessman and prominent collector. A $1 million reward has been offered by Mr. Weisman for information leading to the paintings’ recovery.

On Friday, the Los Angeles police said that the paintings — images of athletes including Muhammad Ali, Chris Evert, Dorothy Hamill, Tom Seaver, Jack Nicklaus and O. J. Simpson — were taken from Mr. Weisman’s dining room. A housekeeper called the police; Mr. Weisman was out of town at the time.

Detective Donald Hrycyk, one of two investigators assigned to the Los Angeles Police Department’s art theft detail, said the paintings were stolen either on the day they were reported missing, Sept. 3, or the day before.

“It’s hard to say what they want to do with them, but it looks like somebody knew about these pieces,” Detective Hrycyk said Saturday. He said that there was no sign of forced entry and that other valuable artwork and possessions had not been taken.

Mr. Weisman commissioned the paintings, known as the “Athlete Series,” from Warhol in late 1977. Each measuring 40 inches square, the paintings were all signed by the artist and by the individual sports stars, said Vincent Fremont, the exclusive sales agent for paintings and drawings at the Andy Warhol Foundation for the Visual Arts.

Warhol chronicled the project in his diaries that year. “Tom Seaver was adorable,” he wrote on July 18, 1977. “Athletes really do have fat in the right places, and they’re young in the right places.”

Still, 30 years later, the public did not see it that way. In 2007, Mr. Weisman’s set of the “Athlete Series” was the subject of an exhibition at Martin Summers Fine Art, a London gallery, where they were for sale as a group for about $28 million, said several art experts. But they did not sell.

Since then, the prices of Warhols, along with those of many other contemporary artists, have fallen. “These were sporting heroes of a particular moment,” said Brett Gorvy of Christie’s postwar and contemporary art department worldwide.

While some of the works were beautifully painted, by far the standout is the portrait of Muhammad Ali. “It is truly iconic,” Mr. Gorvy said. “Even today it would still make a huge amount.” In 2007, a similar image of the boxer brought $9.2 million when it was for sale at Christie’s in New York. The rest, Mr. Gorvy said, would probably be worth a couple of hundred thousand dollars apiece.

Mr. Weisman comes from a family of celebrated collectors. His father, Frederick Weisman, a Los Angeles businessman and philanthropist, started buying art in the late 1940s. Over the years, he bought examples of masters like Cézanne and Picasso, de Kooning, Rothko and Warhol. Some are on view at a foundation museum in Los Angeles.

Mr. Weisman’s mother, Marcia Weisman, is the sister of the billionaire Norton Simon and is also an art collector. In 2003 Richard Weisman published a book about his collection called “From Picasso to Pop.”

Even with the fame of the collection, art experts found it strange that anyone would walk off with just the “Athlete Series.”

“The Warhol market is too insular,” Mr. Gorvy said.

Tobias Meyer, international director of Sotheby’s contemporary art department, agreed.

“Stealing Warhols is a very bad idea,” Mr. Meyer said. “The art world has become so transparent, and all these works are so traceable, ultimately they become an untradeable asset.”

Detective Hrycyk said that thefts from private collections are relatively common in Los Angeles, where much of the most important art hangs on walls in the homes of wealthy studio executives and Hollywood stars.

Carol Vogel reported from New York and Solomon Moore from Los Angeles.

A version of this article appeared in print on September 13, 2009, on page A30 of the New York edition.

http://www.nytimes.com/2009/09/13/us/13warhol.html?_r=1&hpw

September 14th, 2009

Posted In: Mailing list reports

Tags:

Note never sold, given, family says

By Associated Press  |  September 14, 2009

DALLAS – The FBI is investigating a “stolen’’ handwritten condolence note from Jacqueline Kennedy to Ethel Kennedy that was penned shortly after Robert F. Kennedy’s 1968 assassination, a newspaper reported yesterday.

The Dallas Morning News reported that investigators and Kennedy family members suspect the note was taken from Robert and Ethel Kennedy’s McLean, Va., home.

The note, which has changed hands several times and has sold for as much as $25,000, opens with “My Ethel.’’

“You must be so tired,’’ Jackie Kennedy wrote. “I stayed up till 6:30 last night just thinking and praying for you.’’

Robert Kennedy was shot and killed in Los Angeles during his presidential campaign. The undated note appears to have been written after his June 8, 1968, funeral.

The two-page note made its way in 2006 to Heritage Auction Galleries, a Dallas auction house, where it was consigned by a Massachusetts attorney.

One of Robert Kennedy’s sons told the FBI that his family neither gave nor sold the note.

“It’s a personal possession of my mother and obviously extremely personal,’’ Max Kennedy, a lawyer and author who lives in Los Angeles, said Friday. “I think most people would be heartsick if it happened to them.’’

FBI spokesman Mark White says the note is considered “a stolen good’’ and part of a criminal investigation.

Agents used a search warrant to seize it Aug. 27 from the auction house, which says it has been working with the Kennedy family to facilitate the letter’s return.

The Morning News reported that Russell Thomas Nuckols, a plumber who once worked at the Kennedy home, died Jan. 10, 1999.

Nuckols’s son, Thomas, found the letter in his father’s papers, according to an FBI affidavit.

The son contacted the John F. Kennedy Presidential Library and Museum in Boston about the letter, but apparently got little interest.

September 14th, 2009

Posted In: Mailing list reports

Tags:

A lecture by Michaelle Biddle

September 17th, 2009, 6pm
at Columbia University, Butler Library, room 523
Sponsored by the New York Chapter of the Guild of Book Workers and the Columbia Rare Book and Manuscript Library

In March 2008, conservator, librarian and archivist, Michaelle Biddle went on a five-week sabbatical under a U.S. Ambassador’s Cultural Preservation Fund Grant to survey Northern Nigerian private and public collections of Islamic Manuscripts. These manuscripts are similar to those in Timbuktu, a World Heritage Site. Her survey resulted in recommendations for the preservation and conservation of the manuscripts. She then returned to Nigeria in August 2008 training two local conservation teams: one in Sokoto, the home of the Sultan to West African Muslims, and the other in Kaduna at the Nigerian National Archives, under a U.S. State Department Speaker’s Grant. In March 2009 she returned to head up a team conserving a large, multi-generational family collection in Yola. Please join us to hear the story of this fascinating and ongoing project.

Michaelle Biddle has been a student of Islamic civilization since she wrote a school essay on Muhammad at age twelve. She has studied Islamic manuscripts in Britain, Ireland, Denmark, Italy, France, Spain, the U.S., Morocco, Egypt, Turkey, Jordan, Uzbekistan and Nigeria, and is currently working on a watermark topology for West African Islamic MS.  She is Collections Conservator and Head of Preservation Services at Wesleyan University Library.

The lecture will be held in Butler Library, room 523 at Columbia University. Columbia University is located at 2960 Broadway at 116th Street in Manhattan. Butler Library is located on the south side of the Quad.

The lecture is free, but please RSVP to Clare Manias at cmanias@yahoo.com or call (646) 623-2853.  Refreshments will be served.

September 14th, 2009

Posted In: African Affairs

Antiquities Authority chief: Top scholars were suspected of ties to forgery group

Sep. 8, 2009

MATTHEW KALMAN, Special to The Jerusalem Post , THE JERUSALEM POST

A world-famous French scholar who authenticated one of the Israel Museum’s prize exhibits and Israel’s leading analyst of ancient semitic inscriptions were once suspected of being part of an “international forgery industry,” it was revealed on Tuesday.

 Shuka Dorfman, director of the Israel Antiquities Authority, said that both Prof. Andre Lemaire of the Sorbonne and Ada Yardeni, Israel’s leading epigrapher, had been under suspicion as the Authority prepared its case against those accused of faking dozens of priceless archeological items, including a burial box possibly connected to Jesus.

 Dorfman divulged this information as part of the testimony he was giving at the Jerusalem District Court in the long-running trial of two men accused of dealing in fake antiquities.

 The trial, which began in 2005, followed an indictment that Dorfman described at the time as “the tip of the iceberg” of an international forgery network.

 Oded Golan, a Tel Aviv collector, is charged with forging the inscription on a 60 cm.-long limestone burial box, or ossuary, that reads “James son of Joseph brother of Jesus.”

 The ossuary was exhibited in Toronto in 2002 and hailed by scholars as the first physical link ever discovered to the family of Jesus. But when it was returned to Israel, an Antiquities Authority committee of experts determined it was fake.

 Golan is also accused of forging an inscribed stone tablet supposedly from the First Temple, and dozens of other ancient items.

 Robert Deutsch, a prominent antiquities dealer based in Jaffa, was also charged with forgery, but the prosecution has been forced to retract many of the original charges after they were challenged in court.

 Many of the world’s top archeological experts have testified as both prosecution and defense witnesses in proceedings that already run to more than 9,000 pages.

 Judge Aharon Farkash has wondered aloud in court how he could determine the authenticity of the items if the professors could not agree among themselves.

 Deutsch called Dorfman to give evidence as a defense witness after the prosecution refused to put him or his deputy, Uzi Dahari, on the stand.

 Dorfman said the anti-theft unit of the Antiquities Authority believed the items were forged by an international group of experts and dealers that included the two defendants.

 He said the suspects at one time included Prof. Lemaire, a paleographer at the Sorbonne in Paris.

 Lemaire was the first scholar to study an ivory pomegranate believed to have been used in the First Temple. The thumb-sized pomegranate is inscribed in ancient Hebrew: “Sacred donation for the priests in the House of God.”

 It was purchased nearly 20 years ago by a private philanthropist for $550,000 and donated to the Israel Museum after its authenticity was verified by experts.

 Lemaire said he discovered the item in 1979 when an antiquities dealer in the Old City of Jerusalem showed him the tiny ornament over a cup of tea.

 Lemaire photographed it and published his findings two years later in the respected Revue Biblique journal. In 1984, he published his findings in English, triggering worldwide interest.

 In 2002, Lemaire published the first study of the James ossuary in the Biblical Archeology Review after seeing the burial box at the home of Oded Golan.

 The pomegranate was later inspected and the inscription on it found to be suspect by a separate Antiquities Authority inquiry. Dorfman told the court they decided not to bring criminal charges against eight suspects identified in that case.

 Lemaire was questioned by Antiquities Authority inspectors during a two-year investigation, but apparently was never told that he was under suspicion.

 Under questioning by Deutsch’s attorney, Hagai Sitton, Dorfman was challenged to justify the sweeping statements he made at a press conference in December 2005, the day the defendants were charged.

 “We know there are antiquity forgeries – it’s not a new thing. But the extent and the drama in attempting to fake history didn’t allow us as a government body not to become involved,” Dorfman told the press conference.

 “I believe we have revealed only the tip of the iceberg. This industry encircles the world, involves millions of dollars,” he said.

 “I said there was an industry involved in making all these fakes,” Dorfman told the court on Tuesday. “In my view, it looked like an entire industry, not a single forger.”

 Dorfman said he took responsibility for the prosecution, which has run into difficulties as the trial has wound on, but Dorfman himself cast doubt on the reliability of much of the testimony of the prosecution’s star witness, billionaire antiquities collector Shlomo Moussaieff. According to the indictment, Moussaieff was duped into paying huge sums for several of the allegedly fake items, but his version of events has been repeatedly questioned.

 Asked to comment on one story told by Moussaieff, Dorfman responded, “He is not telling the truth, plain and simple.”

 In another setback for the prosecution, Judge Farkash agreed to recall an expert on isotopes from the Geological Survey of Israel to explain apparent contradictions between testimony given to the court and research submitted to a scientific journal three weeks earlier.

 Matthew Kalman reports from Jerusalem for TIME, The Chronicle of Higher Education and Channel 4 News. His ongoing reports from the antiquities trial are available at http://jamesossuarytrial.blogspot.com/.

September 9th, 2009

Posted In: forgery

By Louise Redvers
BBC News, Luanda

In the past, most people who went to Angola were searching for oil, diamonds or landmines.

Now, the country is also proving a big draw for fossil hunters – known in the scientific community as palaeontologists – who have described Angola as a “museum in the ground”.

Angola was closed off for many years because of its three-decade long civil war, which only ended in 2002, so few scientists have had the chance to visit.

“ We believe there are more dinosaurs to be found, we just need the facilities and means to dig for them ”
Octavio Mateus New Lisbon University
Those getting the chance now are not leaving disappointed. Louis Jacobs, of the Southern Methodist University in Dallas, says:

“Angola is the final frontier for palaeontology. Due to the war, there has been little research carried out… but now we are getting in finally and there is so much to find.

“In some areas there are literally fossils sticking out of the rocks, it is like a museum in the ground.”

Fossil-hunter heaven

Louis Jacobs is part of the “PaleoAngola” project whose biggest find to date was in 2005, when five bones from the front-left leg of a sauropod dinosaur were discovered on a cliff at Iembe, around 65 km (40 miles) north of the capital, Luanda.

Since then, the majority of the skulls and skeletons uncovered by the team have been from turtles, sharks, plesiosaurs and mosasaurs, of which there is even an angolasauras species.

Plesiosaurs and mosasaurs are not technically terrestrial dinosaurs at all but marine reptiles related to lizards and snakes.

Yet according to Octavio Mateus, from the Lisbon’s New University, the bones of the sauropod are just the beginning.

“We believe there are more dinosaurs to be found, we just need the facilities and means to dig for them,” he says.

“Angola is amazing for fossils. Some of the places here are the best in the world in terms of fossil [remains], we keep finding new animals so it is always exciting to be here.”

As well as unearthing interesting fossils, the study of palaeontology is also about understanding how the Earth was transformed tens of millions of years ago.

For example, when South America split from Africa and the southern Atlantic was formed.

“Fossils can date how animals migrated from one place to another and how continents moved through time,” Mr Mateus says.

“From [studying] fossils we can work out when terrestrial animals were no longer able to cross from Africa to South America and when marine animals were present,” he says.

Asteroid impact

The rocks are also a reference point for the time when creatures like dinosaurs were thought to have been made extinct.
The scientific community largely accepts the theory that a massive asteroid hit the Earth 68 million years ago, slamming into the sea somewhere near Mexico.

“You can see where lava has flown into wet sand and then to where it has flown over dry land. That gives us an indication of when different things were happening millions of years ago,” Mr Mateus explains.

The PaleoAngola project, with funding from the National Geographical Society and the Petroleum Research Foundation of America, is also working in collaboration with universities in Luanda, Lubango and in Maastricht in the Netherlands.

The Angola digs have focussed on Iembe and also at the coast of Bentiaba, in the southern desert province of Namibe, on the border with Namibia.

“As well as doing this research, the idea is to train Angolan scientists so in the long-term they can run the show,” Louis Jacobs, a former head of Kenya’s National Palentology Museum, says.

“Angola should be able to use its own unique resources in museums to teach future generations about their country and the world.

“And who knows, in the much longer term, it could prove to be a tourist attraction.”

Story from BBC NEWS:
http://news.bbc.co.uk/go/pr/fr/-/2/hi/africa/8230511.stm

September 8th, 2009

Posted In: African Affairs

KUNSTROOF, Ruud Spruit en “minuscule chips om een gestolen object via de satelliet te traceren”

06/09/2009 – 09:20

Op http://www.museumbeveiliging.com/?p=1659 en http://www.museumbeveiliging.com/?p=1665 besteedde ik al ruime aandacht aan het door Ruud Spruit ingeleide, vertaalde en ‘bewerkte’ boek van Jonathan Webb en het Art Loss Register “KUNSTROOF, een museum van verdwenen meesterwerken”.

Enkele beweringen van Spruit over de techniek van beveiligen kunnen niet zonder reactie blijven. Het gaat vooral om de volgende passage uit zijn inleiding tot het boek: “De ontwikkelingen op het gebied van objectbeveiliging gaan heel snel. Het is al mogelijk met minuscule chips een gestolen object via de satelliet te traceren. Er is materiaal in de handel waarbij (ik vermoed dat Spruit hier bedoelt ‘waarmee’) een voorwerp onzichtbaar kan worden gemerkt”.

TRACEREN VIA SATELLIET

Dat Spruit als museumdirecteur de ontwikkelingen in de beveiliging vele jaren helemaal niet volgde heb ik zo langzamerhand voldoende duidelijk gemaakt. Dat hij echt niet weet waar hij over schrijft maakt hij in bovenstaand citaat zelf duidelijk. Er bestaan helemaal geen minuscule chips waarmee objecten via de satelliet getraceerd kunnen worden. Dat is een sciencefiction verhaal. Er bestaan minuscule chips met behulp waarvan verplaatsing van objecten kan worden gesignaleerd. Dergelijke minuscule chips worden bijvoorbeeld gebruikt in moderne bibliotheken waar lezers boeken zelf kunnen in- en uitchecken, in de detailhandel om diefstal te bestrijden en voorraden te beheren en in logistieke bedrijven om verplaatsingen te administreren. Die minuscule chips moeten gelezen worden via antennes in detectiepoortjes of via handlezers (denk bijvoorbeeld aan de Talking Tags van Helicon Conservation Services). Dergelijke chips kunnen alleen gelezen worden op een afstand van 1 of 2 meter (maximaal). Er zijn testen gaande om chips, in dit geval radio Frequency Identification chips (RFID), over grotere afstand met behulp van lasertechnologie te lezen. Dan gaat het bijvoorbeeld om loodsen van transport- en productiebedrijven. Via de satelliet traceren (en volgen) is met dergelijke minuscule chips niet mogelijk.

Toch kunnen gestolen objecten zoals (vracht)auto’s op grote afstand gelokaliseerd worden. Daar is echter een techniek voor nodig waarbij een in de auto verborgen zender continu signalen uitzendt naar satellieten vergelijkbaar met de navigatiesystemen in auto’s en schepen. Er is contact met minimaal drie satellieten nodig om de locatie van een object te bepalen. Voor het zenden van dat signaal is elektrische voeding nodig en dat kan helaas nog niet met minuscule chips. Het kleinste formaat is dat van een GSM telefoon. Voor het ontvangen en doorzenden van dat signaal, en om de locatie te bepalen, is een woud aan ontvangers en zenders gebouwd over de hele wereld. Die GSM telefoon heeft een batterijvoeding die maximaal een week stand-by mogelijk maakt. Wanneer er echter continu met de ontvangers gecommuniceerd wordt is die batterij veel eerder leeg. De voeding van navigatiesystemen op batterij raakt bij continu gebruik – en dat is nodig wanneer je wilt navigeren – na een uur of zes al uitgeput. Om die reden worden navigatiesystemen altijd geleverd met een oplaadverbinding via de sigarettenaansteker in de auto.

De Groningse universiteit volgt de trek van de Grauwe Kiekendief naar Afrika met behulp van een zendertje dat op de rug van die vogel is aangebracht. Het zal duidelijk zijn dat een dergelijk zendertje niet meer dan een gering aantal grammen mag wegen en dat de vogel dus niet met een accu op zijn rug op pad kan worden gestuurd. De universiteit heeft dat probleem opgelost met een kleine zonnecel die voldoende energie levert om eens per dag contact te maken met de vogels. Deze technologie – we mogen niet verwachten dat gestolen schilderen in de buitenlucht getransporteerd worden – biedt dus geen soelaas bij het traceren van gestolen museumobjecten.

Er moet een onderscheid gemaakt worden tussen passieve chips (in boeken en detailhandelproducten) die vlak langs een detectiepoort moeten gaan om gesignaleerd te worden en actieve, door batterij of anders gevoede chips die op grote afstand gevolgd kunnen worden. Deze laatste chips kunnen van dienst zijn bij het traceren van objecten, maar zijn door de noodzakelijke elektrische voeding aanzienlijk groter van omvang en dus geheel nutteloos bij de beveiliging van kunstvoorwerpen. Het spijt mij voor Spruit, maar ook op dit onderdeel slaat hij op pijnlijke wijze de plank volledig mis. Het ware beter geweest als hij zich verdiept had in deze materie alvorens zich deskundigheid aan te matigen. De gewapende overvallers die in Oslo De Schreeuw en De Madonna van Munch roofden sloegen buiten meteen de lijsten kapot omdat ze vreesden dat die voorzien zouden zijn van apparatuur om de schilderijen te volgen. Chips, groot of klein, worden natuurlijk door dieven verwijderd. Het wordt helemaal interessant wanneer ze ze als een postpakketje naar een ver land sturen. Track-and-trace techniek kan zelfs gebruikt worden om de politie te misleiden.

ONZICHTBAAR MARKEREN

De techniek van onzichtbaar markeren is absoluut niet nieuw. Een jaar of veertig geleden werden al pennen op de markt aangeboden met onzichtbare inkt waarmee men eigendommen kon markeren. Op die onzichtbare inkt – de meeste musea en bibliotheken willen absoluut niet dat hun objecten met die inkt beschreven worden – borduurde Print-Lock Corporation in de Verenigde Staten een tiental jaar geleden voort en voegde aan de inkt een DNA patroon toe in de DNA Print-Kit.  Voor een bedrag van ongeveer € 100,00 kunnen vele honderden objecten onzichtbaar gemarkeerd en van een DNA code voorzien worden.  Niets is echter zo gemakkelijk als het lijkt. Wordt een gestolen object teruggevonden dan wordt het nog een hele klus via een laboratorium te onderzoeken of het DNA profiel in de markering overeenstemt met dat uit de Print-Kit van de gedupeerde eigenaar.

Het kan veel gemakkelijker. In de Print-Kit zit een stempelkussen met onzichtbare inkt. Markering met behulp van de eigen vingerafdruk is zeker zo simpel en misschien zelfs doeltreffender.

Sinds ruim een jaar wordt in Nederland een andere techniek aangeboden op basis van DNA. Ook dan zullen de gestolen voorwerpen eerst teruggevonden moeten worden en zal bij onduidelijkheid over het rechtmatige eigenaarschap van de objecten onderzoek moeten plaatsvinden aan de hand van de DNA database van de leverancier van dit product. Mocht het gestolen object inmiddels in handen zijn van een koper te goeder trouw dan helpt de markering wel om aan te tonen wie de juridische eigenaar is, maar die eigenaar zal toch aan de goede trouw bezitter van het gestolen object compensatie moeten betalen.

Spruit schrijft zelf dat “.. veel van deze (gestolen) kunstwerken zijn voor immer verloren gegaan”.  Hij heeft op dit punt gelijk. Dat die objecten voor immer verloren gingen had niet kunnen worden voorkomen door welke markeringstechniek dan ook. Dat kan alleen maar worden voorkomen door een professionele beveiliging en, dat geeft Spruit keer op keer aan, “in de handen van beveiligers” wil hij “niet vallen”. Hij heeft niets geleerd van de roof uit zijn voormalige museum.

Ton Cremers

toncremers@museum-security.org

September 6th, 2009

Posted In: Geen categorie

Tags: , ,

During the darkest days of World War II, a ragtag band of British and American art scholars braved the battlefields of Europe to rescue thousands of cultural treasures from Nazi pillage and the collateral damage of armed conflict. These “monuments men’’ propped up collapsing buildings; repaired battle-scarred frescoes and mosaics; guided Allied bombers away from world-renowned libraries and cathedrals; and tracked down the secret hiding places of masterworks by artists such as Rembrandt, Raphael, and Leonardo da Vinci. But today their story – one of the grandest yarns of the Greatest Generation – remains little known outside the art world.

 Two new books aim to remedy that situation. “The Monuments Men: Allied Heroes, Nazi Thieves, and the Greatest Treasure Hunt in History,’’ by writer and documentary film producer Robert Edsel, offers a stirring treatment, geared to the broadest of popular audiences. “The Venus Fixers: The Remarkable Story of the Allied Soldiers Who Saved Italy’s Art During World War II,’’ by journalist Ilaria Dagnini Brey, presents a more nuanced account – much of it based on archival research – but with a narrower focus, dealing exclusively with operations on the Italian peninsula.

 Edsel, author of “Rescuing Da Vinci,’’ a pictorial history of World War II art recovery efforts, approaches his subject with an enthusiasm that is likely all the keener for having been reached by a circuitous path. Now 53 years old, the Texas-born Edsel earned a substantial fortune at a young age in oil exploration, an industry from which he retired in 1995. Soon thereafter, he found a new purpose in life while reading Lynn Nicholas’s then-recent book “The Rape of Europa,’’ which has since become the standard work in English on Nazi art looting. Fascinated by the topic, Edsel tracked down Nicholas and offered to finance a documentary based on her research. The film, narrated by Joan Allen, appeared to wide acclaim in 2007.

 In “The Monuments Men’’ (written in collaboration with Bret Witter), Edsel strives to give his heroes the two-fisted, John Wayne treatment he feels they deserve. Structured as a series of swift cinematic scenes, the book is at times overly theatrical – there are, for instance, too many interior monologues purporting to narrate people’s thoughts – but it is nonetheless a difficult work to put down.

 Edsel is particularly adept at capturing the quirky personalities of the individual monuments men, from the moody and flamboyantly gay Lincoln Kirstein, who later founded the New York City Ballet, to the indomitable James Rorimer, subsequently director of the Metropolitan Museum of Art. Shortly after the invasion of Normandy, we are told, Rorimer summoned up his “bulldog determination’’ when he spotted an American wrecking detail demolishing the walls of an inconveniently situated chateau. Rorimer launched into a shouting match with the commanding officer, who agreed to relent only when the irate art historian began snapping photographs and threatening to send a report to headquarters.

 The bulk of Edsel’s book narrates the efforts of the monuments men to track down artworks stolen by the Nazis from Jewish collectors and conquered nations. When the tide of the war had begun to turn against them, Hitler’s minions hid this loot in mines, caves, and castles throughout occupied Europe. The largest cache – 6,714 paintings and sculptures, including Vermeer’s “Art of Painting’’ and Van Eyck’s Ghent altarpiece – was found in the salt mines of Altaussee in Austria. It was only by chance that these works survived: A junior SS officer had disobeyed repeated orders to blow up the horde.

 The situation in Italy, as described in meticulous detail by Brey in “The Venus Fixers,’’ was somewhat different than in other parts of the European theater. Fighting on Hitler’s side in the war, Italy did not have to contend with the Nazis’ wholesale confiscation of art – at least not until 1943. That was the year of the Allied invasion, which prompted a popular uprising that overthrew Mussolini. The Germans then installed a despotic puppet government and dug in for a protracted and destructive battle with Patton’s advancing army. Slowly forced northward, the Nazis engaged in a punitive spree of cultural vandalism, dynamiting the historic bridges of Florence and stealing any important art that they could lay their hands on.

 Brey, who is Italian by birth, makes a significant contribution by delving into previously unexplored Italian archives to flesh out the perspective of the native population amid the chaos of war. Her description of the sincere, if hapless, efforts of the Italian cultural authorities to protect their own patrimony makes for sobering reading. It also sets the stage for the warm embrace that the monuments men received when they set to work cataloging missing masterpieces and mitigating the destruction left in the wake of the Nazis.

 Brey’s curious title, “The Venus Fixers,’’ refers to an alternate sobriquet for the monuments men, bestowed upon them derisively by regular army officers who saw little need for meddlesome art historians in a war zone. Although understandable, that view was short-sighted. “While to some comrades the Venus Fixers may have looked like devoted and thorough housemaids, straightening, dusting, rearranging,’’ Brey notes sagely, “they were actually watching over a civilization’s tremendous heritage at a crucial time in its history.’’ 

http://www.boston.com/

September 6th, 2009

Posted In: Book reviews, WWII

Warschau – Der wahre Grund der polnischen Ambitionen ausgerechnet auch den in Polen ungeliebten russischen Regierungschef Wladimir Putin am 1. September auf die Westerplatte nach Danzig einzuladen scheint seit Tagen nun immer mehr durch. Russland soll nämlich für dieses Entgegenkommen “im Zeichen der Versöhnung” mit Polen durch günstige Energie- Lieferverträge und anderen für Polen wichtige Vereinbarungen um den Handel mit dem Nachbarn bezahlen. Das ist aber noch lange nicht alles, denn nach “Polskaweb” vorliegenden inoffiziellen Informationen soll Putin bei seinem recienten Polen Besuch dem polnischen Premier Tusk, 6 aus deutschen Museen und Kirchen gestohlene Gemälde überreicht haben, welche zu einer langen Liste gehörten, die polnische EU- Parlamentarier auf offiziellem EU- Papier und unter der Regie des ultrarechten Maciej Giertych schon vor einiger Zeit nach Russland gesand hatten: “Bitten um Rückgabe “polnischer Beutekunst”. Tusk soll derweil von Putin weitere und umfangreichere Gesten derartigerVersöhnungsbeweise gefordert” haben, worunter auch das aus der Stiftskirche in Glogau verschwundene Lucas Cranach Werk “Madonna mit Kind“ und andere deutsche Meisterwerke jener Epoche gehören sollen.

Polen will deutsche Kultur zu polnischem Eigentum machen

Die Anforderungen an Moskau zur Auslieferung von geraubtem “polnischem” Kulturgut durch die Sowjets im Jahre 1945/46 werden durch die polnische Regierung derzeit mit Vehemenz betrieben. Es gibt hierzu aber nur wenige offizielle Informationen, denn die hierzu geführten Gespräche einer polnisch-russischen Kommission und auch jene auf höchster Ebene wie zuletzt in Danzig zwischen Tusk und Putin werden allgemein als “geheim” eingestuft. Eine seriöse inoffizielle Quelle meldet hierzu, dass Polen in erster Linie an Geraubtem aus deutschem Besitz und den ehemals deutschen Gebieten, die heute 48 Prozent des polnischen Staatsgebietes ausmachen, interessiert ist. Auf den polnischen Anforderungslisten sollen sich hauptsächlich Gemälde deutscher, holländischer und flämischer Maler von unschätzbarem Wert befinden, welche die Rote Armee nach der Besetzung Polens und Ostdeutschlands aus Kirchen und Mussen gestohlen, oder von einheimischen Dieben (mit Waffengewalt) erworben hatte. Angeblich soll auch die deutsche Bundeskanzlerin Angela Merkel über “diverse” Gespräche der Premiers von Polen und Russland hautnah informiert gewesen sein.

Die gigantischen Raubzüge der 40er Jahre

Der Raub von Kunst und anderen Werten war schon zu Beginn des zweiten Weltkrieges im vollen Gange. Opfer waren anfänglich meist Juden welche durch die Nazis enteignet wurden, woran sich später auch Polen und Bürger anderer Nationen bereicherten. Im Verlauf und nach dem Kriege litten dann auch Museen, Kirchen, Klöster und ähnliche Einrichtungen in halb Europa unter dem Kunstraub. Während die Deutschen in erster Linie in den besetzten Ländern Westeuropas wüteten, bestahlen Polen, Russen, Litauer, Ukrainer und andere Osteropäische Staaten sich gegenseitig. Opfer waren hier meist die Regionen der Minderheiten, wozu in Polen auch Deutsche, Slowaken, Ukrainer, Litauer und Juden gehörten. Gigantische Ausmaße nahmen diese Raubzüge aber dann an als die Allierten und die Sowjets die Deutschen besiegt hatten. Neben den deutschen kulturellen Hinterlassenschaften raubte man einfach alles was eben nur verwertbar war. Die Zahlen der Güterzüge mit Beutekunst, Industrieanlagen, Autos, Möbeln, Technik und Wissenschaftlern die in den Osten rollten können heute nicht einmal mehr geschätzt werden.

Deutsche halfen Sowjets beim Raub

Unter diesen geraubten Gütern befand sich z.B. auch fast der gesamte Inhalt des Danziger Museums mit Elementen von unschätzbarem Wert, wozu auch viel Werke ausländischer Meister gehörten die heute noch versteckt werden, oder z.B. im Moskauer Puschkin Museen glänzen. Van Breughel Gemälde gehörten hierzu und auch das Meisterstück des flämischen Malers Cornelius van Poelenburgh “Die Flucht nach Ägypten”. Polen betrachtet nun diese Werke als sein Eigentum. Man begründet dies damit, dass die Russen erst nach dem Kriege die Museen in den ehemaligen deutschen Gebieten geplündert hätten, als diese bereits zu Polen gehörten. Diese Argumentation greift natürlich aus verschiedenen Gründen nicht, da selbst zu jenem Zeitpunkt diese Gebiete weder zu Polen gehörten, noch jemals ein Recht darauf bestand mobile deutsche Werte zu beschlagnahmen. Polnische Historiker beschreiben den Raub von bis zu 19 000 Gemälden, Münzen usw. aus dem Danziger Museum so: ” Sowjetische Beamte und Wissenschaftler, in Begleitung von bewaffneten NKWD Leuten, suchten und sicherten alle Objekte zur Ausfuhr. Hierbei halfen ihnen auch (sicherlich aus Furcht um das eigene Leben) deutsche Beamte sowie der Direktor und Kunsthistoriker Professor Willi Drost.

Keine Heimkehr der letzten Kriegsgefangenen

Die Rote Armee führte führte schon vor dem Ende des zweiten Weltkrieges ganze Museums- und Büchersammlungen aus den damaligen deutschen Gebieten aus, die dann in Moskau und St. Petersburger Museen eingelagert wurden. “Seit 1989 ist es uns nicht gelungen auch nur einen dieser “letzten Kriegsgefangenen” aus den Museen in Danzig und Pommern zurückzugewinnen, welche erst von den Deutschen und dann von den Sowjets ausgeführt wurden”. Was man einst als Kriegstrophäen behandelte, wird heute auf Versteigerungen, in der Politik oder im internationalem Geschäft gehandelt” – schreibt Professor Julius Chroscicki, Vorsitzender des nationalen Komitees der polnischen Kunstgeschichte und fügte hinzu, dass damals in Danzig zur heimlichen Unterbringung von Beute auch die Kellergeschosse des Zeughauses am Kohlenmarkt dienten. Hier seien 195 Ölgemälde, 94 hölzerne Skulpturen , Flachreliefs, Graphiken, Miniaturen und auch den Teil der Schätze aus der Marienkirche durch die Russen versteckt worden. Ihre Wegschaffung war eine vortrefflich projektierte Aktion. Unschätzbar wertvolle Kunstschätze gingen teiweise für immer verloren. Sofort nach dem Durchbruch der pommerschen Front im Februar 1945, hatten sich Sowjets auf den Weg gemacht “Geschenke” für den Ministerrat der UDSSR zu “organisieren”.

Dubiose Restitutionen

Nach frühen polnischen Angaben wurden etwa 20 Millionen Bücher und 35 000 andere Kulturgüter zerstört oder vermisst. Exakt 34 362 Objekte, hierunter aber nur wenige Bücher, hatte Polen bereits durch die Amerikaner kurz nach dem Kriege zurückerhalten. Hierbei soll es sich aber auch um Beutekunst gehandelt haben, welche nicht polnischen Ursprungs war, sondern aus Museen der ehemaligen deutschen Ostgebiete stammen, welche heute zu Polen gehören. Die polnische Exilregierung in London hatte seinerzeit bereits eine Liste angefertigt, in der u.a. die bekanntesten und wertvollsten Kunstgegenstände Gesamt- Deutschlands aufgeführt waren und meldete schon im Mai 1945 hierauf offiziell bei den Allierten Anspruch an. Gleiches tat aber auch die Sowjetunion, die auf diesem Wege zu 273 645 teilweise dubiosen Rückerstattungen über die Amerikaner kamen. Ähnlich verfuhr auch das bis zum Anrücken der Alliierten Hitler-freundliche Italien (252 068). Die Amerikaner gaben alles, zu Prüfungen hatten sie keine Zeit und Anordnung. Aber auch Deutsche geben nach wie vor reichlich aus dem Bestand deutscher Kultur- Hinterlassenschaften an Polen ab, wie zuletzt das Kulturhistorischen Museums in Stralsund. Gründe hierfür gibt es von der Logik her keine. Einzig Korruption oder eine gezielte und heimliche Entkultivierung der Deutschen könnte hierbei eine Rolle spielen.

Goethe, Beethoven und deutsche Nationalhymne nun polnisch

Die Raubzüge der Deutschen, Polen und Russen stehen im Widerspruch zur Haager Landkriegsordnung von 1907, die Kunstraub verbietet. Während die Deutschen wahrscheinlich sämtliche aufgefundenen dubiosen Kunstgegenstände zurückgegeben haben, reklamiert Polen weiterhin derartige Werke in deutschen Händen und weigert sich deshalb mit Berlin weiter um die Restitution des geistigen Erbes der Deutschen zu verhandeln. Unter Missachtung dieser internationalen Vereinbarung, haben Polen und Russland Gesetze erlassen in welchen das den Deutschen geraubte Kulturgut zum Staatseigentum erklärt wird. Mindestens 300.000 Kunstgegenstände, hierunter Bücher und Handschriften von unschätzbarem Wert. Hierzu gehört auch das Original der deutschen Nationalhyne von Fallerslebens sowie Handschriften von Beethoven, Goethe, Mozart welche Polen, unter wohlwollenden Schulterklopfern deutscher Politiker der großen Volksparteien, zu Teilen seines nationalen Erbes erklärt hat. Was Warschau nun will ist klar, noch mehr deutsche Werte, denn man betrachtet sämtliche Kunstgegenstände aus den ehemaligen deutschen Ostgebieten als Kriegsbeute und damit als polnisches Volkseigentum. Viele Museen in der Bundesrepublik haben diesbezüglich schon Post aus Warschau bekommen.

Nach einer umfangreicheren Analyse von Informationen aus deutschen, polnischen und russischen Quellen wird “Polskaweb” näher auf dieses Thema eingehen. Fakt ist, dass das Verhalten der Regierungen in Moskau und Warschau im Bezug auf diesen Deal mit Unrecht- Gut, eine doppelte Ohrfeige gegen die Versöhnung mit den Deutschen ist. Wir sind sehr gespannt darauf was Berlin bzw. Frau Merkel hierzu sagen werden. Wird Sie vielleicht wieder schweigen, wie schon nach den zuletzt in Marienburg unwürdig mit Baggern exhumierten Deutschen ? Was stimmt hier nicht ? Was verbindet die Kanzlerin in ihrer Unterwürfigkeit wirklich mit Polen und Russland. In einer unserer Online Umfragen zum Thema Beutekunst haben 10140 (77.7%) von 13043 Teilnehmern für eine Rückgabe der sich in polnischem Besitz befindlichen deutschen Kulturgegenstände votiert, 1206 (9,2%) sehen hierzu keinen Grund, 367 meinten sogar dass sie die polnische Kultur bereichern sollten.

Update: Polen verlangt jetzt auch offiziell über eine Million Bücher von der Ukraine zurück. Ob es dieselben sind welche man auch von Deutschland verlangt, ist noch unklar.

 http://polskaweb.eu/

September 6th, 2009

Posted In: WWII

VIENNE — Les héritiers d’une grande famille autrichienne ont demandé à l’Etat la restitution d’un chef-d’oeuvre de Vermeer, “L’art de la peinture”, en soutenant qu’il avait été vendu sous contrainte à Hitler en 1940, révèle le quotidien Der Standard samedi.

“Nous sommes persuadés que la République autrichienne traitera ce dossier de façon ouverte et honnête”, a déclaré au journal l’avocat de la famille Czernin, Andreas Theiss, en précisant avoir adressé la demande le 31 août.

Le ministère de la Culture a confirmé samedi avoir reçu cette requête et a indiqué qu’elle serait transmise pour examen à la commission en charge des restitutions, dont il suit les avis.

Possédé par les comtes de Czernin depuis le 19e siècle, le tableau avait été vendu au dictateur nazi par Jaromir Czernin pour 1,65 million de Reichsmarks, selon le journal.

Le tableau, peint en 1665 par le maître flamand (1632-1675) et considéré comme son testament artistique, est exposé depuis 1946 au Kunsthistorisches Museum de Vienne. Il s’agit du plus grand format réalisé par l’artiste.

La vente à Hitler ne s’était toutefois pas faite volontairement, affirme l’avocat: marié à une femme d’origine juive et gendre du dictateur autrichien destitué par les nazis Kurt von Schuschnigg, Jaromir Czernin “a été obligé de vendre pour assurer l’existence de sa famille”, estime-t-il.

Me Theiss avance que selon une nouvelle expertise demandée par la famille, le prix réellement payé n’avait pas dépassé un million de Reichsmarks, soit “une fraction de la la valeur” du tableau.

Les demandes de restitution formulées jusque dans les années 1960 par la famille avaient été rejetées au motif que la vente avait été effectuée sur une base volontaire et à un prix approprié.

De fait, Jaromir Czernin avait souhaité vendre la toile en 1938 pour un million de dollars-or à un collectionneur américain, mais ce projet avait échoué en raison de l’Anschluss nazi et du veto de Hitler, selon Me Theiss.

Dès 1935, le dictateur avait indiqué vouloir s’approprier le tableau pour le “Musée du Führer” qu’il projetait de construire dans sa ville de Linz (nord de l’Autriche).

L’Autriche a été contrainte ces dernières années de restituer plusieurs oeuvres d’art volées par les nazis, dont cinq chefs d’oeuvres de Klimt en 2006. L’un d’eux, le portrait d’Adele Bloch-Bauer datant de 1907, avait alors été revendu par les héritiers pour la somme record de 135 millions de dollars.

En 2004, un petit format de Vermeer, artiste dont il existe moins de 40 tableaux, avait été vendu plus de 24 millions d’euros par Sotheby’s. 

http://www.google.com/hostednews/afp/article/ALeqM5gGJqmIjRDzRgxEZP5fBLWPCaywCg

September 6th, 2009

Posted In: WWII

This content is password protected. To view it please enter your password below:

September 6th, 2009

Posted In: forgery

Op http://www.museumbeveiliging.com/?p=1659 en http://www.museumbeveiliging.com/?p=1665 besteedde ik al ruime aandacht aan het door Ruud Spruit ingeleide, vertaalde en ‘bewerkte’ boek van Jonathan Webb en het Art Loss Register “KUNSTROOF, een museum van verdwenen meesterwerken”.

Enkele beweringen van Spruit over de techniek van beveiligen kunnen niet zonder reactie blijven. Het gaat vooral om de volgende passage uit zijn inleiding tot het boek: “De ontwikkelingen op het gebied van objectbeveiliging gaan heel snel. Het is al mogelijk met minuscule chips een gestolen object via de satelliet te traceren. Er is materiaal in de handel waarbij (ik vermoed dat Spruit hier bedoelt ‘waarmee’) een voorwerp onzichtbaar kan worden gemerkt”.

TRACEREN VIA SATELLIET

Dat Spruit als museumdirecteur de ontwikkelingen in de beveiliging vele jaren helemaal niet volgde heb ik zo langzamerhand voldoende duidelijk gemaakt. Dat hij echt niet weet waar hij over schrijft maakt hij in bovenstaand citaat zelf duidelijk. Er bestaan helemaal geen minuscule chips waarmee objecten via de satelliet getraceerd kunnen worden. Dat is een sciencefiction verhaal. Er bestaan minuscule chips met behulp waarvan verplaatsing van objecten kan worden gesignaleerd. Dergelijke minuscule chips worden bijvoorbeeld gebruikt in moderne bibliotheken waar lezers boeken zelf kunnen in- en uitchecken, in de detailhandel om diefstal te bestrijden en voorraden te beheren en in logistieke bedrijven om verplaatsingen te administreren. Die minuscule chips moeten gelezen worden via antennes in detectiepoortjes of via handlezers (denk bijvoorbeeld aan de Talking Tags van Helicon Conservation Services). Dergelijke chips kunnen alleen gelezen worden op een afstand van 1 of 2 meter (maximaal). Er zijn testen gaande om chips, in dit geval radio Frequency Identification chips (RFID), over grotere afstand met behulp van lasertechnologie te lezen. Dan gaat het bijvoorbeeld om loodsen van transport- en productiebedrijven. Via de satelliet traceren (en volgen) is met dergelijke minuscule chips niet mogelijk.

Toch kunnen gestolen objecten zoals (vracht)auto’s op grote afstand gelokaliseerd worden. Daar is echter een techniek voor nodig waarbij een in de auto verborgen zender continu signalen uitzendt naar satellieten vergelijkbaar met de navigatiesystemen in auto’s en schepen. Er is contact met minimaal drie satellieten nodig om de locatie van een object te bepalen. Voor het zenden van dat signaal is elektrische voeding nodig en dat kan helaas nog niet met minuscule chips. Het kleinste formaat is dat van een GSM telefoon. Voor het ontvangen en doorzenden van dat signaal, en om de locatie te bepalen, is een woud aan ontvangers en zenders gebouwd over de hele wereld. Die GSM telefoon heeft een batterijvoeding die maximaal een week stand-by mogelijk maakt. Wanneer er echter continu met de ontvangers gecommuniceerd wordt is die batterij veel eerder leeg. De voeding van navigatiesystemen op batterij raakt bij continu gebruik – en dat is nodig wanneer je wilt navigeren – na een uur of zes al uitgeput. Om die reden worden navigatiesystemen altijd geleverd met een oplaadverbinding via de sigarettenaansteker in de auto.

De Groningse universiteit volgt de trek van de Grauwe Kiekendief naar Afrika met behulp van een zendertje dat op de rug van die vogel is aangebracht. Het zal duidelijk zijn dat een dergelijk zendertje niet meer dan een gering aantal grammen mag wegen en dat de vogel dus niet met een accu op zijn rug op pad kan worden gestuurd. De universiteit heeft dat probleem opgelost met een kleine zonnecel die voldoende energie levert om eens per dag contact te maken met de vogels. Deze technologie – we mogen niet verwachten dat gestolen schilderen in de buitenlucht getransporteerd worden – biedt dus geen soelaas bij het traceren van gestolen museumobjecten.

Er moet een onderscheid gemaakt worden tussen passieve chips (in boeken en detailhandelproducten) die vlak langs een detectiepoort moeten gaan om gesignaleerd te worden en actieve, door batterij of anders gevoede chips die op grote afstand gevolgd kunnen worden. Deze laatste chips kunnen van dienst zijn bij het traceren van objecten, maar zijn door de noodzakelijke elektrische voeding aanzienlijk groter van omvang en dus geheel nutteloos bij de beveiliging van kunstvoorwerpen. Het spijt mij voor Spruit, maar ook op dit onderdeel slaat hij op pijnlijke wijze de plank volledig mis. Het ware beter geweest als hij zich verdiept had in deze materie alvorens zich deskundigheid aan te matigen. De gewapende overvallers die in Oslo De Schreeuw en De Madonna van Munch roofden sloegen buiten meteen de lijsten kapot omdat ze vreesden dat die voorzien zouden zijn van apparatuur om de schilderijen te volgen. Chips, groot of klein, worden natuurlijk door dieven verwijderd. Het wordt helemaal interessant wanneer ze ze als een postpakketje naar een ver land sturen. Track-and-trace techniek kan zelfs gebruikt worden om de politie te misleiden.

ONZICHTBAAR MARKEREN

De techniek van onzichtbaar markeren is absoluut niet nieuw. Een jaar of veertig geleden werden al pennen op de markt aangeboden met onzichtbare inkt waarmee men eigendommen kon markeren. Op die onzichtbare inkt – de meeste musea en bibliotheken willen absoluut niet dat hun objecten met die inkt beschreven worden – borduurde Print-Lock Corporation in de Verenigde Staten een tiental jaar geleden voort en voegde aan de inkt een DNA patroon toe in de DNA Print-Kit.  Voor een bedrag van ongeveer € 100,00 kunnen vele honderden objecten onzichtbaar gemarkeerd en van een DNA code voorzien worden.  Niets is echter zo gemakkelijk als het lijkt. Wordt een gestolen object teruggevonden dan wordt het nog een hele klus via een laboratorium te onderzoeken of het DNA profiel in de markering overeenstemt met dat uit de Print-Kit van de gedupeerde eigenaar.

Het kan veel gemakkelijker. In de Print-Kit zit een stempelkussen met onzichtbare inkt. Markering met behulp van de eigen vingerafdruk is zeker zo simpel en misschien zelfs doeltreffender.

Sinds ruim een jaar wordt in Nederland een andere techniek aangeboden op basis van DNA. Ook dan zullen de gestolen voorwerpen eerst teruggevonden moeten worden en zal bij onduidelijkheid over het rechtmatige eigenaarschap van de objecten onderzoek moeten plaatsvinden aan de hand van de DNA database van de leverancier van dit product. Mocht het gestolen object inmiddels in handen zijn van een koper te goeder trouw dan helpt de markering wel om aan te tonen wie de juridische eigenaar is, maar die eigenaar zal toch aan de goede trouw bezitter van het gestolen object compensatie moeten betalen.

Spruit schrijft zelf dat “.. veel van deze (gestolen) kunstwerken zijn voor immer verloren gegaan”.  Hij heeft op dit punt gelijk. Dat die objecten voor immer verloren gingen had niet kunnen worden voorkomen door welke markeringstechniek dan ook. Dat kan alleen maar worden voorkomen door een professionele beveiliging en, dat geeft Spruit keer op keer aan, “in de handen van beveiligers” wil hij “niet vallen”. Hij heeft niets geleerd van de roof uit zijn voormalige museum.

Ton Cremers

toncremers@museum-security.org

September 6th, 2009

Posted In: Uncategorized

 

 

http://www.museumbeveiliging.com/?p=1665

September 5th, 2009

Posted In: Mailing list reports

Tags:

 

http://www.museumbeveiliging.com/?p=1659

September 5th, 2009

Posted In: Mailing list reports

Tags:

Kunstdiefstal loont: voormalig directeur Westfries Museum vertaalt boek over kunstdiefstal; DEEL 2

www.museumbeveiliging.com/2009/09/04/ruud-spruit/

04/09/2009 – 16:08

Enkele dagen geleden plaatste ik al kanttekeningen bij Ruud Spruit als inleider en vertaler van het boek Kunstroof, een museum van verdwenen meesterwerken: http://www.museumbeveiliging.com/?p=1659 .

Je moet maar durven als museumdirecteur dankzij wiens falend beveiligingsbeleid het Westfries Museum, en enkele musea die objecten aan dat museum uitleenden, slachtoffer werd van een van de meest geruchtmakende museumroven van de afgelopen tientallen jaren.

Dankzij de armoedige beveiliging van dat museum hadden inbrekers in alle rust uren de tijd hun slag te slaan. In de vele jaren voorafgaand aan de inbraak en diefstal verwaarloosde Spruit schromelijk een van zijn kerntaken, namelijk veilig beheer van de collectie. Na de inbraak maakte hij er helemaal een potje van door de criminelen geheel misplaatst te complimenteren met hun professionaliteit en glashard te liegen over het beveiligingsniveau van zijn museum. Die beveiliging noemde hij tegen beter weten in geavanceerd om zijn falend beleid te camoufleren. Spruit wilde zijn hachje redden en liet door dit egoïstische motief de gehele Nederlandse museumwereld in de kou staan en ontnam collega musea de kans iets te leren van dit incident. Indien Spruit de moed had gehad zijn falen toe te geven en openhartig mede te delen dat de bewegingsmelders in zijn museum op kinderlijk eenvoudige wijze waren afgeplakt dan hadden alle collega’s met zulke ouderwetse melders meteen stappen kunnen nemen deze melders te vervangen.

Korte tijd na de inbraak en zijn jokkenbrokkerij was Spruit gastheer bij de presentatie in Hoorn van de door het Ministerie van OCW bekostigde centrale registratie van incidenten in de erfgoedwereld: DICE (Database Incidenten Cultureel Erfgoed). De bedoeling van die database is de erfgoedwereld aan de hand van informatie over de achtergrond van incidenten mogelijkheden te bieden tot verbetering van de beveiliging en veiligheid. Je krijgt toch kromme tenen bij de gedachte dat de gastheer bij de presentatie van een dergelijk belangrijk initiatief tegelijkertijd de eerste is die dit initiatief torpedeert door te liegen over de achtergrond van het zeer ernstige incident in zijn museum.

Noem het naïef, maar ik had een stille hoop dat Spruit na zijn voortijdige vertrek uit het museum – op de flaptekst van het boek staat te lezen dat hij tot zijn pensioen directeur van het Westfries Museum was, maar sinds de inbraak en zijn gestuntel was hij dat nauwelijks nog in de praktijk – tot inkeer kwam en een voorzichtige tocht naar Canossa zou maken.

Het tegendeel is waar. Volgens Spruit “probeert men zich te wapenen tegen inbraken (….) en valt dan niet zelden in handen van beveiligers die blijven wijzen op onvolkomenheden in de bewaking en op die manier goede zaken doen met het leveren van camera’s, detectors, bewakingspersoneel en almaar duurder en geavanceerder systemen waarmee musea worden veranderd in forten (…)”.

Daar vervliegt al mijn hoop op een Spruit die tot inzicht gekomen is.

Dat Ruud Spruit het onderscheid tussen bewaking en beveiliging niet kent zij hem vergeven, dat hij de indruk geeft ooit in handen van beveiligers te zijn gevallen die steeds geavanceerder systemen willen slijten is een, helaas moet ik dat woord weer gebruiken, leugenachtige mystificatie. Als museumdirecteur viel hij nooit in dergelijke handen. Helaas nooit, want anders was het niet mogelijk geweest dat zijn museum op deze wijze beroofd werd van een groot aantal objecten.

Sterker nog: Spruit werd door zijn beveiligingsinstallateur enkele keren gewezen op de tekortkomingen in zijn beveiliging en sloeg die waarschuwingen in de wind. Blijkbaar gebruikt onze jokkenbrok dit koffietafelboek als een kans om onverdroten door te gaan met zijn verdraaiing van de feiten.

Verzekeraars zijn er volgens Ruud Spruit op uit “hun boterhammen te smeren” door het opschroeven van de beveiligingseisen en het verhogen van premies. Dat die premies nooit zelfstandig stijgen maar gerelateerd zijn aan de fors gestegen prijzen van kunst ontgaat Spruit. Het ontgaat hem blijkbaar ook dat hij zelf een van de veroorzakers was van stijgende premies door de beveiliging van zijn museum te verwaarlozen en daardoor tot gemakkelijk slachtoffer te maken van criminelen. Er is nu eenmaal ook een relatie tussen uitbetaalde schades en verzekeringspremies. Met kinderachtig beschuldigend vingertjes wijst Spruit naar beveiligers en verzekeraars zonder ook maar een seconde te komen tot reflectie over zijn rol als museumdirecteur.

En dan de criminelen. Die zijn “sluw” en maken gebruik van “geavanceerd” (een lievelingswoord van Spruit) “materiaal” en “profiteren van een moment van onachtzaamheid” of nog erger “vallen op klaarlichte” dag (wat een detectiveboekjes cliché!) “brutaalweg zwaargewapend te midden van bezoekers binnen, een manier van beroven waar geen kruid tegen gewassen is”.

Wel, zo geavanceerd waren de materialen niet die de criminelen in Spruits museum gebruikten. De bewegingsmelders werden met papiertjes afgeplakt. Dat hadden kinderen uit groep 1 of 2 ook kunnen doen. De criminelen profiteerden ook niet van een “moment van onachtzaamheid”, maar van de jarenlange verwaarlozing van de beveiliging door Spruit.

Dit is niet de eerste keer dat Ruud Spruit blaat dat tegen gewapende overvallen “geen kruid gewassen is”. Ik hoop niet dat criminelen op deze open uitnodiging van Spruit in gaan. Bovendien is zijn opmerking niet juist: er is heel veel tegen gewapende overvallen te ondernemen, en daar hoef je musea niet voor om te bouwen tot “forten”. Welk museum in Nederland, of daarbuiten, is volgens Spruit omgetoverd tot “fort”? Het zou juist zijn geweest wanneer hij deze bewering met een voorbeeld illustreerde. Nu herhaalt hij slechts wat onwillige museumdirecteuren al jaren zeggen.

Spruit heeft de oplossing: “perfecte registratie en goede samenwerking met de instanties”. Ik weet niet hoe perfect de collectie van het Westfries Museum geregistreerd was en hoe goed Spruit samenwerkte met de instanties – hopelijk beter dan met zijn beveiligingsinstallateur – maar toch werd zijn museum beroofd en zijn die geroofde schilderijen nog steeds niet terug.

Volgens Spruit is het boek Kunstroof gevuld met een “verzameling van onvervangbare kunstwerken die in het echt waarschijnlijk nooit meer te zien zullen zijn”. Hoe moet ik dit rijmen met zijn beweringen na de diefstal uit zijn museum dat de dieven met deze bekende kunstwerken geen kant uit kunnen? Ik vrees dat we hier weer – de tekst van Spruit is gelardeerd met ongefundeerde uitspraken – met borrelpraat te maken hebben.

Spruit breekt in zijn tekst een lans voor gedetailleerde beschrijving van de kunstvoorwerpen. Het is een gemiste kans – of is het opzet – dat hij hierbij verzuimt te verwijzen naar de internationale standaard, de door CoPAT – Council for the Prevention of Art Theft samen het Getty ontworpen Object-Id: www.object-id.com. Spruit beschrijft alle facetten van Object-Id als ware het een door hem zelf bedacht systeem en een serieus advies aan de museum- en verzamelaarwereld terwijl deze wijze van beschrijven al meer dan tien jaar standaard is.

Nog een open deur: “Een goede samenwerking is onmisbaar en daar ontbreekt het in Nederland ten enenmale aan”. Hierna volgt het afgekauwde verhaal over de voormalige CRI en het ontbreken van een specialistische politiedienst. Dat weten we ze langzamerhand wel.

Wat ik niet wist: “Slechts de zeer vooraanstaande veilinghuizen en kunsthandelaren nemen de moeite om consequent te checken of bij hen aangeboden kunst voorkomt in de (let wel! DE) databank met gestolen voorwerpen.

Hier en op de volgende pagina’s komt de aap uit de mouw. DE databank. En welke dan? Juist die van het Art Loss Register. Hoe noemde Willem Frederik Hermans deze vorm van schrijverij ook alweer? Hoernalistiek. Het blijkt dat Spruit zich schuldig maakt aan deze “Hoernalistiek” want de rest van zijn tekst is een regelrechte Art Loss Register commercial. Dit is geen sluikreclame meer, maar regelrechte promotie. Je gaat je afvragen wie de productie van dat boek gefinancierd heeft.

Ik heb niets tegen het Art Loss Register, bijna niets, maar wil hun activiteiten altijd wel geplaatst zien in het juiste commerciële kader en gerelateerd aan alle andere databases van gestolen kunst, zoals die van Interpol die sinds kort voor iedereen toegankelijk is op http://www.interpol.int/Public/WorkOfArt/dbaccess.asp.

Spruit vergeet gemakshalve, een vorm van liegen, dat de database van het ALR niet de enige is (maar wel de best gepromote).

“Vooraanstaande veilinghuizen”? Sotheby’s? Lees Peter Watson’s The inside story, en je noemt Sotheby’s nooit meer vooraanstaand. Lees William Honan’s Treasure Hunt over de kunstdiefstal van een Amerikaanse G.I. in Quedlinburg aan het einde van WW.II en hoe een ander vooraanstaand veilinghuis, Christie’s, marchandeerde met een geroofd zeer kostbaar manuscript. Misschien bedoelde Spruit andere vooraanstaande veilinghuizen, maar deze twee – tot miljoenenschades veroordeeld wegens illegale afspraken over te berekenen commissies – heeft hij in ieder geval niet uitgesloten. Dan zijn er in Spruits ogen ook nog vooraanstaande handelaren. Die zullen er ongetwijfeld zijn, maar slechts een handvol maakt gebruik van de diensten van het ALR, want je kunt dan nog zo vooraanstaand zijn, blijkbaar gaan de zaken te slecht om de minimale fee aan het ALR te betalen.

“Musea werken ondanks veel gepraat daarover niet consequent” (een ander stopwoordje van Spruit) “samen in een systeem van registratie”. Spruit lijdt echt aan geheugenverlies want nu blijkt dat hij al niet meer weet dat hij de gastheer was bij de presentatie van DICE.

Spruits tekst gaat echt op een kritiekloze haastklus lijken wanneer hij schrijft dat musea niet ‘consequent’ samen werken in het maken van prijsafspraken met beveiligingsbedrijven (Spruit heeft niet door dat beveiliging van hoogrisico instellingen als musea maatwerk is). In zijn rommelige inleiding is het “Het is het dievengilde niet ontgaan dat het stelen van kunst lucratief kan zijn”, maar in de door Spruit geschreven kadertekst op pagina 63 staat de ongefundeerde bewering  “..bijna altijd komen onverkoopbare en goed omschreven en afgebeelde schilderijen weer boven water, zoals de geschiedenis ons leert”. Spruit heeft zelfs de statistieken van zijn broodheer het ALR niet bekeken, waar daar blijkt uit dat ongeveer de helft van die schilderijen terugkeert en dat het gemiddeld zeven jaar duurt.

Het Stammtisch gekwek van Spruit kent geen einde: “Het heeft geen zin bewakers in dienst te nemen die niet mogen optreden en het is niet verstandig om (Ruud lijdt aan de ‘om’-ziekte) verzekeringsgeld uit te geven..”. Ik vraag me in ernst af wat het ALR daar van vindt, want als kunst niet verzekerd is valt er voor het ALR geen cent meer te verdienen. Denkt Spruit wel na wanneer hij zit te rammen op zijn toetsenbord?

“Verzekeraars trekken onvoldoende één lijn met het consequent” (daar hebben we dat woord weer) “weigeren van betaling van een deel van de (vinders)premie aan inbrekers, hun handlangers of al dan niet te goeder trouw in het bezit van geroofde kunst geraakte personen”. Je krijgt hier de neiging het boek te sluiten en in een hoek te gooien. Niet alleen vanwege het idiote taalgebruik, je moet door de overdaad aan voorzetsels worstelen, maar vooral om de afstotelijke oppervlakkigheid. Er is een wereld van verschil tussen kopers te goeder trouw en kopers te kwader trouw, maar Spruit gooit beide gemakshalve op één hoop, hiermee getuigend van een beledigende onderschatting van zijn lezers.

Hij schrijft het weliswaar niet expliciet, maar is het mogelijk zo dat alle premies naar het ALR moeten? In de meeste landen is wettelijk niet toegestaan dat verzekeraars onderhandelen met criminelen of betalen om van inbrekers gestolen spullen terug te krijgen. Ik hoop dat Spruit deze aantijging aan het adres van de verzekeraars met feiten kan onderbouwen. De waarheid kan nooit laster zijn, maar beschuldigingen zonder onderbouwing zijn dat wel.

Wat ik al vreesde komt verderop in Spruits tekst unverfroren naar buiten. “Een eerste vereiste is een goede en toegankelijke registratie die het vertrouwen heeft en de medewerking krijgt van verzamelaars, handelaars, veilinghouders, musea, politie en justitie”.

Je voelt hem komen: “Zo’n registratie bestaat sinds een aantal jaren in de vorm van het Art Loss Register”, waarna een korte opsomming komt van de successen van het ALR. In een enkele alinea komen de “Holocaustkunst” (nee, niet kunst gemaakt door concentratiekampgevangen, maar door de Nazi’s geroofde kunst), illegale opgravingen, en alle andere vormen van kunstroof aan bod.

Spruit schittert, maar dat kan je ook niet echt verwachten van iemand die commercials schrijft, door gebrek aan detaillering. Hij ramt het nog een keer bij zijn lezers in: “De (een alinea eerder is het niet DE, maar HET) ALR” heeft volgens Spruit, ongetwijfeld ingefluisterd door zijn broodheer, want zo gaat dat met Hoernalistiek, “de grootste en meest vertrouwde database van gestolen en vermiste kunstwerken in de wereld”. Let op het subtiele “meest vertrouwde”, dat is heel wat anders dan meest betrouwbare. Een kniesoor die daar op let. Ondergetekende is zo’n kniesoor die zich bovendien afvraagt: hoe weet Spruit dat? Deed onze multigetalenteerde museumdirecteur daar onderzoek naar? Mogen we dan aub de onderzoekgegevens, of minimaal een verwijzing daar naar, ook vernemen? Mijn vertrouwen in het/de ALR is in ieder geval wat gedaald doordat ze er voor kozen met een charlatan als Ruud Spruit samen te werken. Het /de ALR had beter moeten weten.

Ruud Spruit heeft, zo blijkt regelmatig in dit met taal- en spelfouten gelardeerde boek moeite het juiste lidwoord te kiezen. Het Metropolitan Museum is in Spruits vertaling “de MET”. Moet dat niet zijn ‘het’ MET, of kort Spruit de naam van het Rijksmuseum ook af tot ‘de’ Rijks?

Het mag niet ontkend worden dat Spruit, waarschijnlijk onbedoeld, geestig is, want het/de ALR geniet “het vertrouwen van grote veilinghuizen als Sotheby’s en Christie’s”. Dank je de koekoek! Beide veilinghuizen zijn aandeelhouder van de/het ALR. Het zou niet best zijn wanneer ze dat waren zonder vertrouwen. De rest van Spruits tekst is niets anders dan ronkende aanbevelingen van de/het ALR, maar uiteindelijk komt toch het Westfries Museum aan bod dat “kort voor mijn pensionering op afschuwelijke wijze werd beroofd”. Wat de oorzakelijke rol van Spruit was bij de roof en hoe hij stuntelde na de roof mag zo langzamerhand duidelijk zijn.

Spruits schrijvelarij wordt werkelijk zum Kotzen wanneer hij eindigt met “Ik hoop dat dit boek ertoe bijdraagt dat allen die te maken hebben met kunst, de weg weten te vinden naar het (het is nu weer HET) Art Loss Register, zodat het in de toekomst zinloos zal zijn kunst te stelen en dieven musea en galerieën links laten liggen”. Hij zal het niet bedoelen, maar Spruit lijkt hier te schrijven dat die dieven zich beter kunnen richten op particuliere verzamelaars, die nu al meer dan 50% van de slachtoffers zijn.

Hoe bereiken we volgens Spruit dat droomdoel: “Daartoe is nodig dat het een kwestie van fatsoen en vanzelfsprekendheid is dat een ieder die verantwoordelijk is voor de aankoop of het beheer van kunst de weg weet te vinden naar het Art Loss Register:www.artloss.com“.

Het zou een kwestie van fatsoen en zeker vanzelfsprekend zijn geweest indien een museumdirecteur die rechtstreeks verantwoordelijk is voor het verlies van een grote collectie uit zijn museum zich zou beperken tot objectiviteit en niet als een bedelende baviaan zijn besmette schrijverskont beschikbaar zou stellen aan iedereen die hem maar betalen wil.

Op het laatste moment is nog een door Spruit geschreven kadertekst  in het boek gepropt over de kwestie Noortman en de in 1987 gestolen schilderijen die dit jaar werden teruggevonden. Noortman is in de tekst van Spruit nog steeds “de gerenommeerde kunsthandelaar”, geen woord over de rol die Noortman speelde bij de verdwijning van de schilderijen.

In 2006 verscheen Simon Houpts boek Museum of the missing, a history of art theft (Sterling Publishers Co, Inc, New York). Hoe zal het toch komen dat in het tamelijk uitgebreide register van KUNSTROOF, een museum van verdwenen meesterwerken het boek van Houpt niet voorkomt?

Het door Spruit vertaalde en bewerkte boek is een aan te bevelen bron van informatie voor lezers die zich nooit eerder verdiepten in dit onderwerp. Jammer dat Spruit de kans kreeg en nam in die bron te spugen waardoor de lezers  door veel zetfouten (op meerdere plaatsen wordt een aantal woorden zonder spatie aan elkaar geregen en op pagina 175 is zelfs een stuk tekst helemaal weggevallen bij een onderschrift) en taalfouten moeten lezen.

Ruud Spruit heeft met zijn overbodige populistische kaderteksten (na terugkeer van de bij Helmantel in Westeremden gestolen schilderijen: “De vreugde van Henk en zijn familie kende geen grenzen”) en zijn slordige inleiding dit boek gekaapt en een onverdiend prominente plaats op de omslag en het titelblad gekregen. Het ware beter geweest als hij zich beperkt had tot de rol van vertaler

Mijn advies: koop dat boek en bescherm jezelf tegen ergernis door de teksten van raaskallende Ruud over te slaan.

KUNSTROOF, een museum van verdwenen meesterwerken.

Jonathan Webb en het Art Loss Register

Ingeleid, vertaald en verziekt door Ruud Spruit

Madison Press Books, gepubliceerd door De Bataafsche Leeuw,

Amsterdam, 2009

€ 38,50

Ton Cremers; toncremers@museum-security.org

September 4th, 2009

Posted In: Geen categorie

Tags: , ,

Enkele dagen geleden plaatste ik al kanttekeningen bij Ruud Spruit als inleider en vertaler van het boek Kunstroof, een museum van verdwenen meesterwerken: http://www.museumbeveiliging.com/?p=1659 .

Je moet maar durven als museumdirecteur dankzij wiens falend beveiligingsbeleid het Westfries Museum, en enkele musea die objecten aan dat museum uitleenden, slachtoffer werd van een van de meest geruchtmakende museumroven van de afgelopen tientallen jaren.

Dankzij de armoedige beveiliging van dat museum hadden inbrekers in alle rust uren de tijd hun slag te slaan. In de vele jaren voorafgaand aan de inbraak en diefstal verwaarloosde Spruit schromelijk een van zijn kerntaken, namelijk veilig beheer van de collectie. Na de inbraak maakte hij er helemaal een potje van door de criminelen geheel misplaatst te complimenteren met hun professionaliteit en glashard te liegen over het beveiligingsniveau van zijn museum. Die beveiliging noemde hij tegen beter weten in geavanceerd om zijn falend beleid te camoufleren. Spruit wilde zijn hachje redden en liet door dit egoïstische motief de gehele Nederlandse museumwereld in de kou staan en ontnam collega musea de kans iets te leren van dit incident. Indien Spruit de moed had gehad zijn falen toe te geven en openhartig mede te delen dat de bewegingsmelders in zijn museum op kinderlijk eenvoudige wijze waren afgeplakt dan hadden alle collega’s met zulke ouderwetse melders meteen stappen kunnen nemen deze melders te vervangen.

Korte tijd na de inbraak en zijn jokkenbrokkerij was Spruit gastheer bij de presentatie in Hoorn van de door het Ministerie van OCW bekostigde centrale registratie van incidenten in de erfgoedwereld: DICE (Database Incidenten Cultureel Erfgoed). De bedoeling van die database is de erfgoedwereld aan de hand van informatie over de achtergrond van incidenten mogelijkheden te bieden tot verbetering van de beveiliging en veiligheid. Je krijgt toch kromme tenen bij de gedachte dat de gastheer bij de presentatie van een dergelijk belangrijk initiatief tegelijkertijd de eerste is die dit initiatief torpedeert door te liegen over de achtergrond van het zeer ernstige incident in zijn museum.

Noem het naïef, maar ik had een stille hoop dat Spruit na zijn voortijdige vertrek uit het museum – op de flaptekst van het boek staat te lezen dat hij tot zijn pensioen directeur van het Westfries Museum was, maar sinds de inbraak en zijn gestuntel was hij dat nauwelijks nog in de praktijk – tot inkeer kwam en een voorzichtige tocht naar Canossa zou maken.

Het tegendeel is waar. Volgens Spruit “probeert men zich te wapenen tegen inbraken (….) en valt dan niet zelden in handen van beveiligers die blijven wijzen op onvolkomenheden in de bewaking en op die manier goede zaken doen met het leveren van camera’s, detectors, bewakingspersoneel en almaar duurder en geavanceerder systemen waarmee musea worden veranderd in forten (…)”.

Daar vervliegt al mijn hoop op een Spruit die tot inzicht gekomen is.

Dat Ruud Spruit het onderscheid tussen bewaking en beveiliging niet kent zij hem vergeven, dat hij de indruk geeft ooit in handen van beveiligers te zijn gevallen die steeds geavanceerder systemen willen slijten is een, helaas moet ik dat woord weer gebruiken, leugenachtige mystificatie. Als museumdirecteur viel hij nooit in dergelijke handen. Helaas nooit, want anders was het niet mogelijk geweest dat zijn museum op deze wijze beroofd werd van een groot aantal objecten.

Sterker nog: Spruit werd door zijn beveiligingsinstallateur enkele keren gewezen op de tekortkomingen in zijn beveiliging en sloeg die waarschuwingen in de wind. Blijkbaar gebruikt onze jokkenbrok dit koffietafelboek als een kans om onverdroten door te gaan met zijn verdraaiing van de feiten.

Verzekeraars zijn er volgens Ruud Spruit op uit “hun boterhammen te smeren” door het opschroeven van de beveiligingseisen en het verhogen van premies. Dat die premies nooit zelfstandig stijgen maar gerelateerd zijn aan de fors gestegen prijzen van kunst ontgaat Spruit. Het ontgaat hem blijkbaar ook dat hij zelf een van de veroorzakers was van stijgende premies door de beveiliging van zijn museum te verwaarlozen en daardoor tot gemakkelijk slachtoffer te maken van criminelen. Er is nu eenmaal ook een relatie tussen uitbetaalde schades en verzekeringspremies. Met kinderachtig beschuldigend vingertjes wijst Spruit naar beveiligers en verzekeraars zonder ook maar een seconde te komen tot reflectie over zijn rol als museumdirecteur.

En dan de criminelen. Die zijn “sluw” en maken gebruik van “geavanceerd” (een lievelingswoord van Spruit) “materiaal” en “profiteren van een moment van onachtzaamheid” of nog erger “vallen op klaarlichte” dag (wat een detectiveboekjes cliché!) “brutaalweg zwaargewapend te midden van bezoekers binnen, een manier van beroven waar geen kruid tegen gewassen is”.

Wel, zo geavanceerd waren de materialen niet die de criminelen in Spruits museum gebruikten. De bewegingsmelders werden met papiertjes afgeplakt. Dat hadden kinderen uit groep 1 of 2 ook kunnen doen. De criminelen profiteerden ook niet van een “moment van onachtzaamheid”, maar van de jarenlange verwaarlozing van de beveiliging door Spruit.

Dit is niet de eerste keer dat Ruud Spruit blaat dat tegen gewapende overvallen “geen kruid gewassen is”. Ik hoop niet dat criminelen op deze open uitnodiging van Spruit in gaan. Bovendien is zijn opmerking niet juist: er is heel veel tegen gewapende overvallen te ondernemen, en daar hoef je musea niet voor om te bouwen tot “forten”. Welk museum in Nederland, of daarbuiten, is volgens Spruit omgetoverd tot “fort”? Het zou juist zijn geweest wanneer hij deze bewering met een voorbeeld illustreerde. Nu herhaalt hij slechts wat onwillige museumdirecteuren al jaren zeggen.

Spruit heeft de oplossing: “perfecte registratie en goede samenwerking met de instanties”. Ik weet niet hoe perfect de collectie van het Westfries Museum geregistreerd was en hoe goed Spruit samenwerkte met de instanties – hopelijk beter dan met zijn beveiligingsinstallateur – maar toch werd zijn museum beroofd en zijn die geroofde schilderijen nog steeds niet terug.

Volgens Spruit is het boek Kunstroof gevuld met een “verzameling van onvervangbare kunstwerken die in het echt waarschijnlijk nooit meer te zien zullen zijn”. Hoe moet ik dit rijmen met zijn beweringen na de diefstal uit zijn museum dat de dieven met deze bekende kunstwerken geen kant uit kunnen? Ik vrees dat we hier weer – de tekst van Spruit is gelardeerd met ongefundeerde uitspraken – met borrelpraat te maken hebben.

Spruit breekt in zijn tekst een lans voor gedetailleerde beschrijving van de kunstvoorwerpen. Het is een gemiste kans – of is het opzet – dat hij hierbij verzuimt te verwijzen naar de internationale standaard, de door CoPAT – Council for the Prevention of Art Theft samen het Getty ontworpen Object-Id: www.object-id.com. Spruit beschrijft alle facetten van Object-Id als ware het een door hem zelf bedacht systeem en een serieus advies aan de museum- en verzamelaarwereld terwijl deze wijze van beschrijven al meer dan tien jaar standaard is.

Nog een open deur: “Een goede samenwerking is onmisbaar en daar ontbreekt het in Nederland ten enenmale aan”. Hierna volgt het afgekauwde verhaal over de voormalige CRI en het ontbreken van een specialistische politiedienst. Dat weten we ze langzamerhand wel.

Wat ik niet wist: “Slechts de zeer vooraanstaande veilinghuizen en kunsthandelaren nemen de moeite om consequent te checken of bij hen aangeboden kunst voorkomt in de (let wel! DE) databank met gestolen voorwerpen.

Hier en op de volgende pagina’s komt de aap uit de mouw. DE databank. En welke dan? Juist die van het Art Loss Register. Hoe noemde Willem Frederik Hermans deze vorm van schrijverij ook alweer? Hoernalistiek. Het blijkt dat Spruit zich schuldig maakt aan deze “Hoernalistiek” want de rest van zijn tekst is een regelrechte Art Loss Register commercial. Dit is geen sluikreclame meer, maar regelrechte promotie. Je gaat je afvragen wie de productie van dat boek gefinancierd heeft.

Ik heb niets tegen het Art Loss Register, bijna niets, maar wil hun activiteiten altijd wel geplaatst zien in het juiste commerciële kader en gerelateerd aan alle andere databases van gestolen kunst, zoals die van Interpol die sinds kort voor iedereen toegankelijk is op http://www.interpol.int/Public/WorkOfArt/dbaccess.asp.

Spruit vergeet gemakshalve, een vorm van liegen, dat de database van het ALR niet de enige is (maar wel de best gepromote).

“Vooraanstaande veilinghuizen”? Sotheby’s? Lees Peter Watson’s The inside story, en je noemt Sotheby’s nooit meer vooraanstaand. Lees William Honan’s Treasure Hunt over de kunstdiefstal van een Amerikaanse G.I. in Quedlinburg aan het einde van WW.II en hoe een ander vooraanstaand veilinghuis, Christie’s, marchandeerde met een geroofd zeer kostbaar manuscript. Misschien bedoelde Spruit andere vooraanstaande veilinghuizen, maar deze twee – tot miljoenenschades veroordeeld wegens illegale afspraken over te berekenen commissies – heeft hij in ieder geval niet uitgesloten. Dan zijn er in Spruits ogen ook nog vooraanstaande handelaren. Die zullen er ongetwijfeld zijn, maar slechts een handvol maakt gebruik van de diensten van het ALR, want je kunt dan nog zo vooraanstaand zijn, blijkbaar gaan de zaken te slecht om de minimale fee aan het ALR te betalen.

“Musea werken ondanks veel gepraat daarover niet consequent” (een ander stopwoordje van Spruit) “samen in een systeem van registratie”. Spruit lijdt echt aan geheugenverlies want nu blijkt dat hij al niet meer weet dat hij de gastheer was bij de presentatie van DICE.

Spruits tekst gaat echt op een kritiekloze haastklus lijken wanneer hij schrijft dat musea niet ‘consequent’ samen werken in het maken van prijsafspraken met beveiligingsbedrijven (Spruit heeft niet door dat beveiliging van hoogrisico instellingen als musea maatwerk is). In zijn rommelige inleiding is het “Het is het dievengilde niet ontgaan dat het stelen van kunst lucratief kan zijn”, maar in de door Spruit geschreven kadertekst op pagina 63 staat de ongefundeerde bewering  “..bijna altijd komen onverkoopbare en goed omschreven en afgebeelde schilderijen weer boven water, zoals de geschiedenis ons leert”. Spruit heeft zelfs de statistieken van zijn broodheer het ALR niet bekeken, waar daar blijkt uit dat ongeveer de helft van die schilderijen terugkeert en dat het gemiddeld zeven jaar duurt.

Het Stammtisch gekwek van Spruit kent geen einde: “Het heeft geen zin bewakers in dienst te nemen die niet mogen optreden en het is niet verstandig om (Ruud lijdt aan de ‘om’-ziekte) verzekeringsgeld uit te geven..”. Ik vraag me in ernst af wat het ALR daar van vindt, want als kunst niet verzekerd is valt er voor het ALR geen cent meer te verdienen. Denkt Spruit wel na wanneer hij zit te rammen op zijn toetsenbord?

“Verzekeraars trekken onvoldoende één lijn met het consequent” (daar hebben we dat woord weer) “weigeren van betaling van een deel van de (vinders)premie aan inbrekers, hun handlangers of al dan niet te goeder trouw in het bezit van geroofde kunst geraakte personen”. Je krijgt hier de neiging het boek te sluiten en in een hoek te gooien. Niet alleen vanwege het idiote taalgebruik, je moet door de overdaad aan voorzetsels worstelen, maar vooral om de afstotelijke oppervlakkigheid. Er is een wereld van verschil tussen kopers te goeder trouw en kopers te kwader trouw, maar Spruit gooit beide gemakshalve op één hoop, hiermee getuigend van een beledigende onderschatting van zijn lezers.

Hij schrijft het weliswaar niet expliciet, maar is het mogelijk zo dat alle premies naar het ALR moeten? In de meeste landen is wettelijk niet toegestaan dat verzekeraars onderhandelen met criminelen of betalen om van inbrekers gestolen spullen terug te krijgen. Ik hoop dat Spruit deze aantijging aan het adres van de verzekeraars met feiten kan onderbouwen. De waarheid kan nooit laster zijn, maar beschuldigingen zonder onderbouwing zijn dat wel.

Wat ik al vreesde komt verderop in Spruits tekst unverfroren naar buiten. “Een eerste vereiste is een goede en toegankelijke registratie die het vertrouwen heeft en de medewerking krijgt van verzamelaars, handelaars, veilinghouders, musea, politie en justitie”.

Je voelt hem komen: “Zo’n registratie bestaat sinds een aantal jaren in de vorm van het Art Loss Register”, waarna een korte opsomming komt van de successen van het ALR. In een enkele alinea komen de “Holocaustkunst” (nee, niet kunst gemaakt door concentratiekampgevangen, maar door de Nazi’s geroofde kunst), illegale opgravingen, en alle andere vormen van kunstroof aan bod.

Spruit schittert, maar dat kan je ook niet echt verwachten van iemand die commercials schrijft, door gebrek aan detaillering. Hij ramt het nog een keer bij zijn lezers in: “De (een alinea eerder is het niet DE, maar HET) ALR” heeft volgens Spruit, ongetwijfeld ingefluisterd door zijn broodheer, want zo gaat dat met Hoernalistiek, “de grootste en meest vertrouwde database van gestolen en vermiste kunstwerken in de wereld”. Let op het subtiele “meest vertrouwde”, dat is heel wat anders dan meest betrouwbare. Een kniesoor die daar op let. Ondergetekende is zo’n kniesoor die zich bovendien afvraagt: hoe weet Spruit dat? Deed onze multigetalenteerde museumdirecteur daar onderzoek naar? Mogen we dan aub de onderzoekgegevens, of minimaal een verwijzing daar naar, ook vernemen? Mijn vertrouwen in het/de ALR is in ieder geval wat gedaald doordat ze er voor kozen met een charlatan als Ruud Spruit samen te werken. Het /de ALR had beter moeten weten.

Ruud Spruit heeft, zo blijkt regelmatig in dit met taal- en spelfouten gelardeerde boek moeite het juiste lidwoord te kiezen. Het Metropolitan Museum is in Spruits vertaling “de MET”. Moet dat niet zijn ‘het’ MET, of kort Spruit de naam van het Rijksmuseum ook af tot ‘de’ Rijks?

Het mag niet ontkend worden dat Spruit, waarschijnlijk onbedoeld, geestig is, want het/de ALR geniet “het vertrouwen van grote veilinghuizen als Sotheby’s en Christie’s”. Dank je de koekoek! Beide veilinghuizen zijn aandeelhouder van de/het ALR. Het zou niet best zijn wanneer ze dat waren zonder vertrouwen. De rest van Spruits tekst is niets anders dan ronkende aanbevelingen van de/het ALR, maar uiteindelijk komt toch het Westfries Museum aan bod dat “kort voor mijn pensionering op afschuwelijke wijze werd beroofd”. Wat de oorzakelijke rol van Spruit was bij de roof en hoe hij stuntelde na de roof mag zo langzamerhand duidelijk zijn.

Spruits schrijvelarij wordt werkelijk zum Kotzen wanneer hij eindigt met “Ik hoop dat dit boek ertoe bijdraagt dat allen die te maken hebben met kunst, de weg weten te vinden naar het (het is nu weer HET) Art Loss Register, zodat het in de toekomst zinloos zal zijn kunst te stelen en dieven musea en galerieën links laten liggen”. Hij zal het niet bedoelen, maar Spruit lijkt hier te schrijven dat die dieven zich beter kunnen richten op particuliere verzamelaars, die nu al meer dan 50% van de slachtoffers zijn.

Hoe bereiken we volgens Spruit dat droomdoel: “Daartoe is nodig dat het een kwestie van fatsoen en vanzelfsprekendheid is dat een ieder die verantwoordelijk is voor de aankoop of het beheer van kunst de weg weet te vinden naar het Art Loss Register: www.artloss.com“.

Het zou een kwestie van fatsoen en zeker vanzelfsprekend zijn geweest indien een museumdirecteur die rechtstreeks verantwoordelijk is voor het verlies van een grote collectie uit zijn museum zich zou beperken tot objectiviteit en niet als een bedelende baviaan zijn besmette schrijverskont beschikbaar zou stellen aan iedereen die hem maar betalen wil.

Op het laatste moment is nog een door Spruit geschreven kadertekst  in het boek gepropt over de kwestie Noortman en de in 1987 gestolen schilderijen die dit jaar werden teruggevonden. Noortman is in de tekst van Spruit nog steeds “de gerenommeerde kunsthandelaar”, geen woord over de rol die Noortman speelde bij de verdwijning van de schilderijen.

In 2006 verscheen Simon Houpts boek Museum of the missing, a history of art theft (Sterling Publishers Co, Inc, New York). Hoe zal het toch komen dat in het tamelijk uitgebreide register van KUNSTROOF, een museum van verdwenen meesterwerken het boek van Houpt niet voorkomt?

Het door Spruit vertaalde en bewerkte boek is een aan te bevelen bron van informatie voor lezers die zich nooit eerder verdiepten in dit onderwerp. Jammer dat Spruit de kans kreeg en nam in die bron te spugen waardoor de lezers  door veel zetfouten (op meerdere plaatsen wordt een aantal woorden zonder spatie aan elkaar geregen en op pagina 175 is zelfs een stuk tekst helemaal weggevallen bij een onderschrift) en taalfouten moeten lezen.

Ruud Spruit heeft met zijn overbodige populistische kaderteksten (na terugkeer van de bij Helmantel in Westeremden gestolen schilderijen: “De vreugde van Henk en zijn familie kende geen grenzen”) en zijn slordige inleiding dit boek gekaapt en een onverdiend prominente plaats op de omslag en het titelblad gekregen. Het ware beter geweest als hij zich beperkt had tot de rol van vertaler

Mijn advies: koop dat boek en bescherm jezelf tegen ergernis door de teksten van raaskallende Ruud over te slaan.

KUNSTROOF, een museum van verdwenen meesterwerken.

Jonathan Webb en het Art Loss Register

Ingeleid, vertaald en verziekt door Ruud Spruit

Madison Press Books, gepubliceerd door De Bataafsche Leeuw,

Amsterdam, 2009

€ 38,50

Ton Cremers; toncremers@museum-security.org

September 4th, 2009

Posted In: Uncategorized

Conservationists Call for Protection of Endangered Heritage Sites in Africa
By Alan Boswell 
Nairobi
03 September 2009
 

Representatives from around Africa gather in Nairobi this week to seek new ways of protecting World Heritage Sites threatened by conflict and political instability on the continent.  Africa is host to the largest number of sites named as endangered by the United Nations. 

The list of World Heritage Sites in danger includes 13 African sites spread among eight countries.

Delegates from 15 countries as well as global conservation groups and the U.N. World Heritage Center are attending the seminar organized by the African World Heritage Fund.

The director of historic sites for the National Museums of Kenya, Mzalendo Kibunjia, says Africa is wasting away some of its gifts to the rest of the world by failing to protect these sites.

“If you take the world heritage lists of about 900 sites, out of that, sites that we call ‘World Heritage Sites in Danger,’ about half of those sites are in Africa,” said  Kibunjia. “So we are saying, ‘Yes, we have these jewels of the world, but unfortunately no one is coming because these sites are in conflict areas.  How do we try to correct this situation?'”

The African Heritage Fund’s director, Webber Ndoro, says that the number of sites in danger is actually greater than the 13 listed by the United Nations because that list does not contain a number of sites endangered indirectly through political negligence and instability.

“We are also looking at post-conflict [areas], particularly those countries where the political upheaval have had a serious impact on the management of World Heritage Sites.  For example, we are looking at a place like Zimbabwe, with sites like Victoria Falls which have been affected by the political problems for the past ten years.  And this has led to a decline in tourism but also to neglect in the management of the site,” said Ndoro.

World Heritage Sites are picked upon the basis of their cultural or natural importance to humanity.  The vast majority of the sites worldwide are chosen for cultural significance, but most of the endangered sites in Africa are natural landmarks.

Sites within conflict areas are protected under a 1954 Hague convention, but most of the continent’s conflicts involve rebel groups that pay little attention to international law.

Kibunjia says one of the goals of the Nairobi meeting is to push for site conservation experts to bring the issue of endangered heritage sites to the attention of the main political players in conflict areas.

“We are trying to find, who are these people that we have never talked about,” said Kibunjia. “Maybe heritage experts only talk to themselves and they never saw the importance of attending peace meetings.  So we want to involve the international community, we want to involve mediators, and tell them the importance of taking care of heritage. ”

Five of the African heritage sites classified as being in danger are natural parks located in the Democratic Republic of Congo.

September 4th, 2009

Posted In: African Affairs

The woman accused of embezzling money $973,010 from the Tucson Museum of Art has been sentenced to five years in prison plus 7 additional years of probation.

Between 2003 and 2008, Ruth Sons, was employed as a bookkeeper and accountant for the museum. Last month the 62-year-old pleaded guilty to one count of theft and one count of fradulent schemes and artices, both felony charges, says Attorney General Terry Goddard.

“Sons violated not only the trust of her employer but also the entire Tucson community,” Goddard said. “Today’s sentencing shows that when law enforcement and community organizations work together, justice is served and everyone benefits. I appreciate the great work done by the Tucson Museum of Art staff, the Tucson Police Department and our prosecutors to bring this case to completion.”

According to Goddard, Sons’ position as an accountant gave her access to the museum’s payroll, museum shop deposits and petty cash accounts.

Goddard says that for more than five years she allegedly conducted the elaborate embezzlement scheme which included:

– Forging the signatures of the museum’s CFO and Director.

– Stealing cash intended for deposit from sales at the museum shop.

– Manipulating the museum’s general accounting ledger to conceal the embezzlement.

http://www.kvoa.com/

September 4th, 2009

Posted In: insider theft

Three charged in theft of fighter jet parts for simulators

 The accusation

The three are accused of devising a scheme to divert demilitarized F-14 and F-18 cockpits and components to one of the men in exchange for cash and gifts, the indictment says. The parts normally are sold for scrap.

 By Tim McGlone

The Virginian-Pilot

© September 4, 2009

 NORFOLK

 Three men, including a former sailor and a former aviation museum director, have been charged in a federal indictment with conspiring to steal old fighter cockpits, machine guns and other jet parts.

 Wayne Miller, former executive director of the Aviation Hall of Fame & Museum of New Jersey, is accused of bribing the two others to get parts for his side business building flight simulators, the indictment says. Miller was arrested Thursday in New Jersey.

 Virginia Beach resident Jody Goucher, a former manager for L3 Communications who was in charge of the fighter jet scrapping program, was arrested Thursday. He made an initial appearance in U.S. District Court and was released on a $5,000 bond.

 The third suspect, Matthew Sutton, a retired sailor, was arrested in Texas on Thursday. Each is charged with conspiracy, theft of public property and related counts.

 The alleged scheme began in 2004 when Miller, using Navy contacts he knew through the museum, met Goucher and Sutton at Oceana Naval Air Station. Miller told them he was having difficulty obtaining jet fighter parts through official channels, the indictment says.

 At the time, Goucher was in charge of the Stricken Aircraft Reclamation and Disposal Program, also known as SARDIP, through Navy contractor Titan Corp., which was later purchased by L3 Communications. Sutton was Goucher’s Navy counterpart.

 The three are accused of devising a scheme to divert demilitarized F-14 and F-18 cockpits and components to Miller in exchange for cash and gifts, the indictment says. Two unindicted co-conspirators, who were not named, were also involved. The parts normally would have been sold for scrap.

 The indictment says Miller wanted to use the parts “to start a business involving aircraft simulators constructed from authentic Navy fighter aircraft cockpits and components.”

 Miller is accused of paying Goucher $500 per cockpit and one of the unidentified co-conspirators $2,000 each time to cut the cockpit out of the jet. Miller also paid for trips for the others and supplied one with a flat-screen television and another with an iPod, the indictment says.

 Sutton is accused of supplying Miller with other jet parts, including an ejection seat, rudder pedals, a compass, a control stick, a tailhook and cannon parts, the indictment says.

 Sutton is also charged with giving Miller two jet-mounted Vulcan 20 mm rotary cannon machine guns that should have been destroyed. The guns are capable of firing 6,600 rounds a minute.

 Federal authorities obtained e-mails between Goucher and Miller to be used as evidence against them.

 In one, the indictment says, Goucher asked Miller: “After I get you this first F-14 are you gonna still send me and my wife to St. Martin?”

 When a deal in 2005 got delayed, Miller’s frustration showed in another e-mail: “I guess that means your not interested in the deal and I will not waste your time and suggest you not waste mine,” the indictment says Miller wrote.

 The deals continued through 2008, according to the indictment, with Sutton sometimes renting a truck to deliver the jet parts to Miller’s home in Red Bank, N.J.

 Miller obtained two F-14 cockpits and one F-18 cockpit plus an assortment of parts, the indictment says. It’s unclear where those items are now.

 An assistant U.S. attorney declined to comment on the case Thursday after the court proceeding. An official at L3 Communications would say only that Goucher is no longer employed there.

 Shea Oakley, executive director of the Aviation Hall of Fame & Museum, located at the Teterboro Airport, said he was aware of the investigation.

 “I’m not in a position to discuss it,” he said.

 Tim McGlone, (757) 446-2343, tim.mcglone@pilotonline.com

 http://hamptonroads.com/2009/09/three-men-indicted-theft-fighter-jet-parts

September 4th, 2009

Posted In: insider theft

Art africain : quand le musée de Lille se fournit… chez les douaniers

 jeudi 03.09.2009, 04:46 – La Voix du Nord Une cinquantaine de pièces pour le musée de Lille. Une cinquantaine de pièces pour le musée de Lille.

Les visiteurs du musée d’Histoire naturelle de Lille ne sont pas toujours conscients du périple vécu par les oeuvres qu’ils admirent. Ainsi, ces quelques dizaines de pièces africaines saisies (au vol) par la douane.

Demain, Guy Jean-Baptiste, le directeur régional des douanes, et Bertrand Radigois, le conservateur du musée d’Histoire naturelle de Lille, auront beaucoup de choses à se dire. En 2007, à l’occasion de deux opérations dans la région, les services du premier ont saisi près de cinquante et une pièces d’art africain. « Après des saisies, soit on détruit, soit on vend, soit, quand il n’y a pas de propriétaire reconnu, on donne, résume un représentant des douanes. Dans ce cas, le plus évident est d’offrir. » Le musée de Lille va donc hériter de pièces d’une valeur globale estimées – par des experts désignés par les douanes – à 25 000 E. Il y a des masques, des statuettes, des bijoux…

Ces oeuvres sont en bois ou en métal et proviennent du Burkina Faso, du Mali, du Cameroun. Ces pièces ne viennent pas forcément de vols. Elles ont été retirées, la plupart du temps, à des négociants. Là, les saisies s’expliquent par le non-paiement de taxes par les détenteurs, également importateurs.

Le geste des douanes est peut-être aussi symbolique qu’inattendu, il n’en est pas moins habituel. Les services du ministère des Finances n’en sont pas à leur premier geste à destination des musées. « Nous avons déjà remis des ivoires, complète le responsable.

Pour ce cas précis, ces dons faisaient suite à des saisies réalisées dans le cadre de la protection des espèces animales menacées . » Ainsi, quand les renvoyer dans leur pays d’origine serait trop compliqué, les oeuvres sont offertes au regard du plus grand nombre, y compris de ceux qui se sont fait confisqué un objet. • L. B.

 http://www.lavoixdunord.fr/

September 4th, 2009

Posted In: African Affairs

Raubkunst-Gemälde bei “Kunst & Krempel” aufgetaucht

 

Die Experten der beliebten Fernsehsendung “Kunst & Krempel” schätzten das Gemälde auf 100 000 Euro. Was sie nicht wussten, sagte ein aufmerksamer Zuschauer der Polizei: Bei dem Bild handelt es sich offenbar um Raubkunst aus der Nazizeit.

MÜNCHEN  –  Das Gemälde mit dem Titel „Die Bergpredigt (Paulus in Lystria)“ wurde in der Sendung des Bayerischen Fernsehens „Kunst & Krempel“ vom 15. November letzten Jahres den BR-Experten zur Einschätzung vorgelegt. Die Kunsthistoriker erkannten in dem Bild ein Werk des bekannten Künstlers Frans Francken d.J. und schätzten sein Wert auf 70.000 bis 100.000 Euro. Was sie jedoch offensichtlich nicht wussten, erkannte ein aufmerksamer Zuschauer. Und der meldete sich schließlich im April 2009 beim Bayerischen Landeskriminalamt (LKA).

Dem LKA teilte der Zuschauer mit, dass es sich seiner Meinung nach um „Raubkunst“ handeln dürfte. Alle Versuche seitens des LKA und der Staatsanwaltschaft München I, beim Bayerischen Rundfunk Informationen über den Einreicher des Bildes zu erhalten, scheiterten daran, dass der Sender die Person des Besitzers des Gemäldes nicht nennen wollte. Deshalb sucht das LKA jetzt öffentlich nach ihm.

Nach bisherigen Recherchen wurde das 33 x 79,5 cm große Gemälde vermutlich als „Raubkunst“ in den Kriegsjahren aus dem Führerbau in München am Königsplatz entwendet. Das Gemälde war wohl als „Sonderauftrag Linz“ für die Ausstattung des neuen Linzer Museums vorgesehen und konnte vor dem Einmarsch der amerikanischen Truppen nicht rechtzeitig in ein Sicherheitsdepot verbracht werden. Das Gemälde gilt seit April 1945 als verschollen.

Zeugen gesucht: Wer kennt den Besitzer der “Bergpredigt”

Die Fachdienststelle für Kunstdiebstahl des Landeskriminalamtes bittet jetzt um Hinweise zu dem wertvollen Gemälde des Künstlers Frans Francken d.J.: Wer kann sachdienliche Angaben zum Verbleib des Gemäldes seit April 1945 machen? Insbesondere sind für die Ermittler Hinweise über den jetzigen, bisher nicht bekannten Besitzer von Bedeutung. Hinweise nimmt des Bayerische Landeskriminalamt unter der Nummer 089/1212-0 oder jede andere Polizeidienststelle entgegen.

http://www.abendzeitung.de/bayern/129519

September 3rd, 2009

Posted In: WWII

Raubkunst-Gemälde bei “Kunst & Krempel” aufgetaucht

 

Die Experten der beliebten Fernsehsendung “Kunst & Krempel” schätzten das Gemälde auf 100 000 Euro. Was sie nicht wussten, sagte ein aufmerksamer Zuschauer der Polizei: Bei dem Bild handelt es sich offenbar um Raubkunst aus der Nazizeit.

MÜNCHEN  –  Das Gemälde mit dem Titel „Die Bergpredigt (Paulus in Lystria)“ wurde in der Sendung des Bayerischen Fernsehens „Kunst & Krempel“ vom 15. November letzten Jahres den BR-Experten zur Einschätzung vorgelegt. Die Kunsthistoriker erkannten in dem Bild ein Werk des bekannten Künstlers Frans Francken d.J. und schätzten sein Wert auf 70.000 bis 100.000 Euro. Was sie jedoch offensichtlich nicht wussten, erkannte ein aufmerksamer Zuschauer. Und der meldete sich schließlich im April 2009 beim Bayerischen Landeskriminalamt (LKA).

Dem LKA teilte der Zuschauer mit, dass es sich seiner Meinung nach um „Raubkunst“ handeln dürfte. Alle Versuche seitens des LKA und der Staatsanwaltschaft München I, beim Bayerischen Rundfunk Informationen über den Einreicher des Bildes zu erhalten, scheiterten daran, dass der Sender die Person des Besitzers des Gemäldes nicht nennen wollte. Deshalb sucht das LKA jetzt öffentlich nach ihm.

Nach bisherigen Recherchen wurde das 33 x 79,5 cm große Gemälde vermutlich als „Raubkunst“ in den Kriegsjahren aus dem Führerbau in München am Königsplatz entwendet. Das Gemälde war wohl als „Sonderauftrag Linz“ für die Ausstattung des neuen Linzer Museums vorgesehen und konnte vor dem Einmarsch der amerikanischen Truppen nicht rechtzeitig in ein Sicherheitsdepot verbracht werden. Das Gemälde gilt seit April 1945 als verschollen.

Zeugen gesucht: Wer kennt den Besitzer der “Bergpredigt”

Die Fachdienststelle für Kunstdiebstahl des Landeskriminalamtes bittet jetzt um Hinweise zu dem wertvollen Gemälde des Künstlers Frans Francken d.J.: Wer kann sachdienliche Angaben zum Verbleib des Gemäldes seit April 1945 machen? Insbesondere sind für die Ermittler Hinweise über den jetzigen, bisher nicht bekannten Besitzer von Bedeutung. Hinweise nimmt des Bayerische Landeskriminalamt unter der Nummer 089/1212-0 oder jede andere Polizeidienststelle entgegen.

http://www.abendzeitung.de/bayern/129519

September 3rd, 2009

Posted In: WWII

A REVAMPED storage facility for one of the world’s “most important single artist collections” has been given the go ahead.

The Henry Moore Foundation was granted planning permission to demolish existing buildings at its Perry Green HQ in order to replace them with one, larger facility.

Storing all of the artworks under one roof will enable better security and safety for the collection, according to the foundation.

The theft in 2005 of the bronze, known as the Reclining Figure, prompted a review of the facilities.

The foundation’s director Richard Calvocoressi told East Herts Council’s development control committee: “The plans are essential to preserve a collection of such importance.

“This is the largest and most significant single artist’s collection in Great Britain and possibly the world, alongside Picasso in Paris and Andy Warhol in Pittsburgh.”

Councillors sitting on the committee on Wednesday last week agreed and awarded planning permission.

 http://www.hertfordshiremercury.co.uk/

September 3rd, 2009

Posted In: Mailing list reports

Tags:

Art insurers on high alert for fraudulent claims

When the economy goes into recession, cases of insurance fraud shoot up. Industry specialists for the art world say they are watching contemporary dealers particularly closely

By Cristina Ruiz | From 

 

The insurance industry is on red alert. The number of fraudulent claims is rising rapidly and experts predict they will continue to increase until the economic situation improves. According to the Association of British Insurers (ABI), in 2008 there was a 17% rise in fraudulent claims compared with the previous year. This amounted to 2,000 dishonest claims made in Britain every week. The total value of these in 2008 was £730m—30% up on 2007.

 

While the ABI does not collect figures for art insurance fraud, a number of industry specialists interviewed by The Art Newspaper say they are expecting to see a rise in fraudulent cases. Some say they already have. All of them believe those selling contemporary art—the value of which has plummeted over the past year—should be watched particularly closely. “A loss for an art dealer is as good as a sale,” says Charles Dupplin, chairman of the art and private client division at Hiscox. What is certain is that the number of overall art insurance claims has shot up in the past couple of years and establishing which are fraudulent and which are legitimate can be extremely difficult.

 

Lost or damaged art for cash

 

“Not since the early 90s have we seen so many suspect claims. Some appear distinctly recession driven,” says Dupplin. “In the early 90s, a lot of naughty stuff happened within the dealership community. The market had collapsed and they had very high overheads. They were desperate. I think it’s fair to say that some parts of the art market became morally flexible.”

 

While Dupplin and others decline to discuss the details of current claims, Richard Nicholson, executive director of Willis Fine Art, Jewellery & Specie, tells the story of one gallery owner who was caught out. “One of our clients, an art dealer, claimed for most of his stock after there was a ram raid on his gallery. What he didn’t realise was that the entire incident had been recorded on CCTV camera—the person who had rammed the gallery was in there for no more than three minutes and the CCTV footage showed the art dealer in question arriving on the scene with his own van after the raid had occurred and loading it up with his own stock. He was prosecuted and spent time in jail.”

 

Most cases of art insurance fraud are not so straightforward and cases of fake theft and loss are relatively rare. The biggest challenge for art insurers in the current climate is simply the huge surge in claims. “The tendency over the past couple of years has been to claim for every little thing,” says Annabel Fell-Clark, chief executive of Axa Art Insurance Ltd. “Whereas previously clients would say: ‘I’ve lost my watch or my pair of glasses and I can’t be bothered to make an insurance claim and I’ve got the cash to go out and buy a new one anyway’, now people are much more conscious about what they are paying their premium for and, rightly or wrongly, they are claiming for those small things. Unfortunately for them it will increase the overall cost of insurance in the long run.”

 

Cutting costs

 

Another difficulty for the art insurance industry is that dealers and collectors are cutting costs dramatically. “The focus on risk management tends to be less onerous, which results in more claims,” say