MUNICH, Germany (AP) — Munich police said Wednesday they have seized a large collection of Aztec, Incan and Mayan cultural artifacts that Costa Rican authorities claim were illegally removed from their country.

Art theft specialists from Bavaria’s criminal investigations office estimate that the collection, which includes around 1,000 masks, necklaces and statues, is worth some $100 million, said Ludwig Waldinger, a spokesman for the office.

Waldinger said that Costa Rican authorities appealed to Germany last week to help find it.

A 66-year-old art collector from Costa Rica who claims to have a right to possess the art recently brought it from Latin America to Bavaria by way of Spain.

The collector, whose identity has not been released, is not in custody, but could face criminal charges if it is determined that he is not the collection’s rightful owner, Waldinger said.

http://ap.google.com/

April 30th, 2008

Posted In: looting and illegal art traffickers, Mailing list reports

Tags:

FORENSIC evidence extracted from one of four guns stolen from Busselton’s Old Butter Factory Museum in mid-January has led to a suspect being charged over the burglary and enabled the museum to get one of the guns back.

While the teenage suspect faced Busselton Children’s Court yesterday, where he was remanded to appear again on May 6 for legal advice, the stolen 1892 Winchester 3030 calibre repeating rifle was returned to the museum after three months in the hands of the police.

When the museum was broken into and robbed of the guns, the rifle was found on the premises the next morning.

It was believed the burglar had dropped the gun, and police confiscated it to be used as evidence.

The president of the Busselton Historical Society Alan Horridge said the guns were quite a collection of historical memorabilia and went back to the early days of the settlers and he was hoping that, with a suspect, police would be able to find out where the other guns are.

The stolen guns yet to be recovered are a Harper’s Ferry musket c1840, which was brought to WA by a Yankee whaler in the 1860s, a Belgian shotgun from the 1840s, and a revolver from 1860.

The revolver was issued to Elijah Dawson when he was made a special constable at Vasse.

All of the guns were inoperable and donated to the museum from various people over the years.

“Obviously the burglars knew what they were coming in for, because they didn’t touch anything else, they just took those (guns) off there and went out through the door and that was it,” Mr Horridge said.

Although police had charged a person for the burglary, Mr Horridge didn’t know whether that person would eventually reveal where the guns were or whether they had been sold out of the country as collectors’ items. However, the museum would make sure the guns couldn’t be stolen again and would keep the Winchester rifle in a safe place off the premises.

“Everybody is very upset about it (the burglary), and the fact that people can get in and do this, and that we have lost a valuable collection that’s very rare,” Mr Horridge said.

“But we are very pleased to see this one back. At least it’s a step on the way. Now we would like to see the rest of them back. Hopefully they will.”

http://busselton.yourguide.com.au/

April 30th, 2008

Posted In: Mailing list reports, Museum thefts

Tags:

Brandraad slaat de plank mis met vooroordeel over historische gebouwen

www.museumbeveiliging.com/2008/04/30/181/

30/04/2008 – 13:23

Zonder enige motivatie stelt de Brandraad in het persbericht van 23 april 2008 dat “de erfgoedsector noodzakelijke preventiemaatregelen als sprinklerinstallaties of compartimentering in historische gebouwen niet zelden ten onrechte afwijst op esthetische gronden.” Waar heeft men die wijsheid vandaan? Het zal toch niet zo zijn dat men deze conclusie over een paar duizend organisaties trok op basis van de opmerking van een enkele museumdirecteur?

Het zal ook met deze vooronderstelling wel net zo zijn als de overige conclusies in het persbericht: “Aantallen ontbreken” (Rene Hagen, Brandraadlid in Trouw van 24 april 2008).

In het Besluit Rijkssubsidiering Restauratie Monumenten van de staatssecretaris van OCW Aad Nuis (BRRM: Besluit van 27 maart 1997, houdende nieuwe regels met betrekking tot het verstrekken van subsidie ten behoeve van het herstel van beschermde monumenten (Besluit rijkssubsidiëring restauratie monumenten 1997)) worden kosten voor “installaties ter voorkoming van brand” in artikel 16 als subsidiabel beschouwd.

Deze kosten worden door de staatssecretaris gezien als “noodzakelijk (zijn) om de onderdelen van een beschermd monument, die monumentale waarde bezitten te herstellen of te conserveren.”
In artikel 28 staat zelfs dat een installatie ter voorkoming van brand verplicht kan worden gesteld:

“Onze minister kan de eigenaar verplichten het beschermd monument te voorzien van een of meer installaties ter voorkoming van brand of blikseminslag ter bescherming van de monumentale waarde van dat beschermd monument.”
De Rijksdienst voor de Monumentenzorg heeft in 2000 een publicatie uitgegeven waarin de mogelijkheden voor molens om op basis van het BRRM subsidie te krijgen voor het installeren en onderhoud van sprinklers (!) worden uitgelegd. Het lijkt mij dat dit mutatis mutandis ook van toepassing is voor andere monumenten. Ik geef toe dat de formulering ‘installaties ter voorkoming van brand’ misverstanden kan oproepen, maar ga er van uit dat de interpretatie door DRMZ juist is.

De mededeling van de Brandraad over de afwijzing van noodzakelijke brandbeveiligingsmaatregelen op basis van esthetische bezwaren in historische gebouwen druist dus in tegen het beleid van het Ministerie van OCW waarin dergelijke maatregelen in monumentale gebouwen gesubsidieerd en zelfs dwingend voorgeschreven kunnen worden.

 

Persbericht van de Brandraad’08 is te vinden op:
http://www.brandraad.nl

Deelnemers Brandraad ‘08

• René Hagen, lector brandpreventie bij de Brandweeracademie, onderdeel van
het Nederlands Instituut Fysieke Veiligheid Nibra

• Michel Walhof, voorzitter European Fire Sprinkler Network. Bestuurslid Verenigde
Sprinkler Installateurs en directeur Aqua+

• Nina Duggen, erfgoedinspectie/collecties Den Haag, onderdeel van het
Ministerie OC&W. Bestuurslid sectie veiligheidszorg & facility management
Nederlandse Museumvereniging

• Marcel Hanssen, director risk control Aon Global Risk Consulting R´dam

• Ricardo Weewer, adviseur strategie en innovatie, regionale brandweer
Amsterdam-Amstelland

• Theo Vermeulen, projectmanager Kenniscentrum veiligheid cultureel erfgoed

• Hans Emans, dagvoorzitter van Brandraad ’08. Oud-journalist en tv-producent van
o.a. reconstructies van de rampen in Enschede, Volendam en Schiphol.

Ton Cremers
30 april 2008

http://www.museum-security.org

http://www.museumbeveiliging.com

http://www.handboekveiligheidszorgmusea.nl

April 30th, 2008

Posted In: Geen categorie

Zonder enige motivatie stelt de Brandraad in het persbericht van 23 april 2008 dat “de erfgoedsector noodzakelijke preventiemaatregelen als sprinklerinstallaties of compartimentering in historische gebouwen niet zelden ten onrechte afwijst op esthetische gronden.” Waar heeft men die wijsheid vandaan? Het zal toch niet zo zijn dat men deze conclusie over een paar duizend organisaties trok op basis van de opmerking van een enkele museumdirecteur?

Het zal ook met deze vooronderstelling wel net zo zijn als de overige conclusies in het persbericht: “Aantallen ontbreken” (Rene Hagen, Brandraadlid in Trouw van 24 april 2008).

In het Besluit Rijkssubsidiering Restauratie Monumenten van de staatssecretaris van OCW Aad Nuis (BRRM: Besluit van 27 maart 1997, houdende nieuwe regels met betrekking tot het verstrekken van subsidie ten behoeve van het herstel van beschermde monumenten (Besluit rijkssubsidiëring restauratie monumenten 1997)) worden kosten voor “installaties ter voorkoming van brand” in artikel 16 als subsidiabel beschouwd.

Deze kosten worden door de staatssecretaris gezien als “noodzakelijk (zijn) om de onderdelen van een beschermd monument, die monumentale waarde bezitten te herstellen of te conserveren.”
In artikel 28 staat zelfs dat een installatie ter voorkoming van brand verplicht kan worden gesteld:

“Onze minister kan de eigenaar verplichten het beschermd monument te voorzien van een of meer installaties ter voorkoming van brand of blikseminslag ter bescherming van de monumentale waarde van dat beschermd monument.”
De Rijksdienst voor de Monumentenzorg heeft in 2000 een publicatie uitgegeven waarin de mogelijkheden voor molens om op basis van het BRRM subsidie te krijgen voor het installeren en onderhoud van sprinklers (!) worden uitgelegd. Het lijkt mij dat dit mutatis mutandis ook van toepassing is voor andere monumenten. Ik geef toe dat de formulering ‘installaties ter voorkoming van brand’ misverstanden kan oproepen, maar ga er van uit dat de interpretatie door DRMZ juist is.

De mededeling van de Brandraad over de afwijzing van noodzakelijke brandbeveiligingsmaatregelen op basis van esthetische bezwaren in historische gebouwen druist dus in tegen het beleid van het Ministerie van OCW waarin dergelijke maatregelen in monumentale gebouwen gesubsidieerd en zelfs dwingend voorgeschreven kunnen worden.

 

Persbericht van de Brandraad’08 is te vinden op:
http://www.brandraad.nl

Deelnemers Brandraad ‘08

• René Hagen, lector brandpreventie bij de Brandweeracademie, onderdeel van
het Nederlands Instituut Fysieke Veiligheid Nibra

• Michel Walhof, voorzitter European Fire Sprinkler Network. Bestuurslid Verenigde
Sprinkler Installateurs en directeur Aqua+

• Nina Duggen, erfgoedinspectie/collecties Den Haag, onderdeel van het
Ministerie OC&W. Bestuurslid sectie veiligheidszorg & facility management
Nederlandse Museumvereniging

• Marcel Hanssen, director risk control Aon Global Risk Consulting R´dam

• Ricardo Weewer, adviseur strategie en innovatie, regionale brandweer
Amsterdam-Amstelland

• Theo Vermeulen, projectmanager Kenniscentrum veiligheid cultureel erfgoed

• Hans Emans, dagvoorzitter van Brandraad ’08. Oud-journalist en tv-producent van
o.a. reconstructies van de rampen in Enschede, Volendam en Schiphol.

Ton Cremers
30 april 2008

http://www.museum-security.org

http://www.museumbeveiliging.com

http://www.handboekveiligheidszorgmusea.nl
 

April 30th, 2008

Posted In: Brandraad08

Brandraad: weer een veel te snelle en ongefundeerde conclusie

www.museumbeveiliging.com/2008/04/29/brandraad-weer-een-veel-te-snelle-en-ongefundeerde-conclusie/

29/04/2008 – 06:00In vorige berichten meende ik meer dan voldoende gereageerd te hebben op het misleidende en inacceptabel generaliserende persbericht van de Brandraad08.

Blijkbaar was het niet voldoende want op Brandveilig.com komt eindelijk de aap uit de mouw. Onder de titel Nederlandse erfgoedsector onvoldoende bewust van brandrisico’s staat daar te lezen:

“De raad stelt bijvoorbeeld vast dat de erfgoedsector noodzakelijke preventiemaatregelen zoals sprinklerinstallaties of compartimentering in historische gebouwen niet zelden ten onrechte afwijst op esthetische gronden.”

Weer een vaststelling zonder enige grond.

Gisteren gaf ik al aan dat de conclusies van de Raad ongefundeerd en zelfs misleidend zijn:
http://www.museumbeveiliging.com/2008/04/28/persbericht-brandraad-misleidend-en-ongefundeerd/

In eerdere artikelen ging ik uitgebreid in op de stappen die de Nederlandse erfgoedsector de afgelopen twee decennia nam om juist de brandveiligheid, het risicobewustzijn en de kennis van preventie te vergroten.

Zie voor die artikelen: http://www.museumbeveiliging.com/category/brandraad08/

De Raad ging geheel aan die inspanningen van de rfgoedsector voorbij en trok zijn conclusies enkel en alleen gebaseerd op de brand in het Armandomuseum en de citaten in de pers van een handvol museumdirecteuren.
Citaten overigens, laat dat duidelijk zijn, waar ik helemaal niet blij mee was. Ze getuigden namelijk alleen van vooroordelen tegen sprinklers.

Ik heb die vooroordelen met cijfers en argumenten uitgebreid bestreden: http://www.museumbeveiliging.com/sprinklerdiscussie.pdf

De nieuwe conclusie van de Raad zoals vermeld in Brandveilig.com dat ‘de erfgoedsector’ sprinklers en compartimentering ‘op esthetische gronden’ afwijst slaat nergens op. Deze conclusie is in strijd met de feiten en waarschijnlijk gebaseerd op de mening van 1 museumdirecteur zoals die 11 oktober 2007 te lezen was in De Volkskrant.

Er zijn vele voorbeelden die die mening tegenspreken en op grond waarvan de Raad heel andere conclusies had kunnen trekken.

Toont een bezoek aan CODA (Cultuur Onder Dak Apeldoorn) aan dat musea helemaal niet bang zijn voor het gebrek aan esthetiek van sprinklers?

De musea? Net zo’n onmogelijk te beantwoorden vraag als de door de Brandraad getrokken conclusie mogelijk is want ik geef hier slechts 1 museum als voorbeeld.

De archieven in Zierikzee, Schiedam en Rotterdam zijn voorzien van sprinklers. CODA breidt momenteel de sprinklerinstallatie uit met sprinklers in de bibliotheek. De provinciale bibliotheek in Middelburg, de Koninklijke Bibliotheek en de prachtige nieuwe bibliotheek van de universiteit in Wageningen zijn voorzien van sprinklers.

Er zijn meer musea met sprinklers. Dus zo uit het blote hoofd kan ik tegenover de veel te snelle conclusie van de Raad en de mening van 1 museumdirecteur meer dan een handvol erfgoedbeheerders noemen die sprinklers hebben. De conclusie van de Brandraad dat DE erfgoedsector geen sprinklers wil op esthetische gronden raakt dus kant noch wal. Dat komt er van als je meent te moeten generaliseren….

De conclusie van de Raad dat DE erfgoedsector geen compartimentering wil hebben om esthetische gronden is helemaal uit de duim gezogen.
Daar is geen enkel voorbeeld van. Integendeel: Hans Buurman, zakelijk directeur van het Gemeentemuseum Den Haag, hield op de sprinklerbijeenkomst van de Museumvereniging op 7 februari 2007 in Utrecht een uitgebreid betoog over de brandcompartimentering in zijn museum.

Michel Walhof, sprinklerverkoper en oprichter van de Brandraad, was nota bene aanwezig bij die presentatie.

De Rijksgebouwendienst publiceerde circa tien jaar geleden een zeer boeiend boekje over alle brandpreventieve maatregelen in Paleis het Loo.

Met name de brandcompartimentering is daar op een zeer creatieve wijze gerealiseerd.

Het is niet waar dat de erfgoedsector op esthetische gronden tegen compartimentering is. Een dergelijk esthetisch verzet zou bovendien binnen de kortste keren door Bouwbesluit en Bouwverordening worden ingehaald.

Was het oorspronkelijke persbericht van de Raad al nergens op gebaseerd, deze aanvullende conclusies door een anoniem lid van de Raad in Brandveilig.com tonen overduidelijk aan dat de (voorzitter en oprichter van de) Raad een nauwelijks verholen agenda had: de verkoop van sprinklers.

Niet goedschiks, dan maar kwaadschiks door de strot geduwd door de erfgoedsector te diffameren als ondeskundig en slechts gericht op esthetische overwegingen.

Laten we het er maar op houden dat de Raad zich eigenlijk bewust is ongefundeerde conclusies te trekken en daartoe Rene Hagen, een van de leden, citeren toen hij in de provinciale pers toegaf: “… er zijn geen aantallen bekend”.

DAT is de waarheid. De Raad trok zijn conclusies zonder de werkelijke feiten te kennen.

De vraag dringt zich op of de erfgoedvertegenwoordigers in de Raad, Nina Duggen en Theo Vermeulen, zich kunnen scharen achter de citaten van hun collega Raadleden in de pers en met name in Brandveilig.com.

 

Persbericht van de Brandraad’08 is te vinden op:
http://www.brandraad.nl

Deelnemers Brandraad ‘08

• René Hagen, lector brandpreventie bij de Brandweeracademie, onderdeel van
het Nederlands Instituut Fysieke Veiligheid Nibra

• Michel Walhof, voorzitter European Fire Sprinkler Network. Bestuurslid Verenigde
Sprinkler Installateurs en directeur Aqua+

• Nina Duggen, erfgoedinspectie/collecties Den Haag, onderdeel van het
Ministerie OC&W. Bestuurslid sectie veiligheidszorg & facility management
Nederlandse Museumvereniging

• Marcel Hanssen, director risk control Aon Global Risk Consulting R´dam

• Ricardo Weewer, adviseur strategie en innovatie, regionale brandweer
Amsterdam-Amstelland

• Theo Vermeulen, projectmanager Kenniscentrum veiligheid cultureel erfgoed

• Hans Emans, dagvoorzitter van Brandraad ’08. Oud-journalist en tv-producent van
o.a. reconstructies van de rampen in Enschede, Volendam en Schiphol.

Ton Cremers
29 april 2008

April 29th, 2008

Posted In: Geen categorie

Universal culture can only be achieved when all cultures are able and free to make their contribution but this cannot be done when the guardians of one culture hijack the masterpieces of another culture. (Picture: Mask pwo or mwana pwo, Chokwe, Angola. Ethnology Museum, Berlin.)

In a recent article in a leading German newspaper, Abschied vom intellektuellen Kolonialismus with the title, Farewell to intellectual Colonialism; What Berlin can learn from the debate over the Musée du Quai Branly in Paris. (1) Wolf Lepenies, holder of the Peace Price of the German Book Industry and recipient of several other academic distinctions, reminded me once again of the enormous difficulties Europeans, even intellectuals, seem to experience when they deal with African problems and above all, when they consider matters in which the interests of Europeans and Africans are involved. Somehow they seem unable or unwilling to give to Africans the same consideration as they give to others.

In his well-written article, Wolf Lepenies recounts the debate which raged over the museum built in 2006 on Quai Branly, Paris by the famous French architect, Jean Nouvel, to fulfil the wishes of the former President Jacques Chirac and his good friend, Jacques Kerchache, an art dealer who spent some time in jail for stealing a cultural object from Gabon, apparently a friend of André Malraux (who was arrested once for trying to smuggle an art object from Cambodia). The Parisian Musée du Quai Branly houses some of the best cultural objects from Africa, Asia, the Americas and Oceania which were stolen by the French during the colonial era. (2)
Lepenies recounts that the establishment of the Musée du Quai Branly signalled the temporary end of the reorganization of the Parisian museum landscape which had started some thirty years previously with the creation of the Centre Georges Pompidou. In the new museum were to be housed objects which had been previously kept in two other Parisian museums, Musée de l’Homme and Musée des Arts d’Afrique et d’Océanie. The museum was an attempt to present in a new way non-western cultures in a European metropolis. The author mentions the first phase where 120 masterpieces from Africa and elsewhere, the so-called “arts premiers”, were in the “Pavillon des Sessions” in the Louvre, following the ideas of Andre Bréton  and others, thus putting non-western and western on the same level. The aesthetization of foreign objects was linked with an attempt at normative correction of the Eurocentric conception which had dominated European museum culture for hundreds of years. This tension between aesthetics and ethics is considered by Lepenies as not only characteristic of Quai Branly but also of the situation of the ethnological museums in Germany.

Lepenies seems to think that those societies he describes as “primitive”, (with inverted commas) will disappear and it will become increasingly difficult to understand their way of life and ways of survival. I do not know which peoples he had in mind but I would like to mention that most of the African peoples such as the Edo (Nigeria), the Bamun (Cameroun), the Yorubas (Nigeria), Akans (Ghana) etc whose cultural objects are in the Berlin Ethnology Museum have not disappeared and do not look like disappearing soon despite all the massacres and other measures of the colonial powers. It is not clear to me why he thinks it will in future be difficult to trace their ways of life. After all, we have had German, British and French ethnologists studying these societies for hundred years. Surely, there will be enough written materials on these African, Asian and Oceanian societies. Ancient Greece does not appear to be difficult to understand so why should Benin society be difficult to study in hundred years, whether it disappears or not? Is Lepenies’ concern about societies disappearing very different from that of Felix von Luschan and the other German ethnologists who used this as justification for collecting artefacts, including the use of force? (3) Lepenies states that when these societies disappear, their “characteristic objects will gradually detach themselves from their original context. Their chances of being preserved for the later period increases, when they are accorded the status of art works. The admiration and recognition of their beauty then replaces the reconstruction of the context of their development and effectiveness”.

Lepenies is saying that making art works of artefacts is to increase their chances of survival. But is this a valid point in the context of the wholesale looting of objects from Africa, Asia and Oceania? Lepenies seems to be wholly concentrated on the requirements of European museum visitors and their tastes. This is confirmed by his statement later that the basic mood after a visit to the Musée du Quai Branly is dignity and respect; the visitor is less astonished and admires more. Lepenies must have been talking only to Europeans who visited the Musée du Quai Branly. If he spoke to Africans he would have realised that the mood is one of anger at the robbery of all these objects by the Europeans and the feeling that there is no attempt to correct the crimes of the colonial period and that Africans are powerless at the moment to collect their property. Most Africans who enter large museums where there are stolen objects are generally revolted and feel they are in a thief’s den. Some Africans have in the past avoided European museums in order to avoid recollections of the colonial times and its activities which are reflected in these museums. The representation of their own peoples has also revolted many sensible and sensitive Africans. They feel that to enter these museums is to ask for more insults and pain. The reader should look at the famous letter written by Aminata Traoré, a former Minister of Culture of Mali, when the Musée du Quai Branly was opened in 2006. (4)

One thing the Germans can learn from the experience of the French is not to construct a building which tries to reflect the Europeans’ image of Africa as a continent of darkness or full of surprises, uneven grounds and full of unexpected turns. These are all prejudices of Europeans which do not conform to the African reality. Incidentally, Africa is the only continent which seems to have a nick name which has become for many Europeans almost official designation: “The Dark Continent.” We never hear of a “Pale Continent”, a “White Continent” or a “Grey Continent”. To call Africa a dark continent is surely a reflection of the European imagination for no other continent has more daily light than Africa. If at all a nick name is allowed, the “Sunny Continent” might be more appropriate on condition that Europe and other continents are also given nicknames. For the sake of accuracy, should we not stick to correct geographical designations? (5)

The Germans will be better served by concentrating on the location of the building and the objects that will be housed therein. Any attempt to create a pronounced contrast to the buildings on the Museum Island will only perpetuate the perceived differential treatment for African arts and European arts, between the cultures said to be within the competence of the ethnologists and the arts cultivated by art galleries and art museums. The intellectuals could render a very great service if they would question the basic distinction made between those cultures considered “primitive” and those considered “civilized.” They could ask whether this distinction which goes back to the Enlightenment philosophers was ever justifiable. David Hume, who never visited Africa or new any Africans, denied the Africans any talent:

“I am apt to suspect the Negroes to be naturally inferior to the whites. There scarcely ever was a civilized nation of that complexion, nor even any individual, eminent either in action or speculation. No ingenious manufactures amongst them, no arts, no sciences.” (6)

The great philosopher, Hegel, who influenced Marx, denied that Africa had any history at all and suggested that Egypt be detached from Africa:

“Africa proper, as far as History goes back, has remained for all purposes of connection with the rest of the World shut up; it is the gold-land compressed within itself — the land of childhood, which lying beyond the day of self-conscious history, is enveloped in the dark mantle of night. Its isolated character originates, not merely in its tropical nature, but essentially in its geographical condition.” (7)

“The northern part of Africa, which may be specially called that of the coast- territory (for Egypt has been frequently driven back on itself, by the Mediterranean) lies on the Mediterranean and the Atlantic; a magnificent territory, on which Carthage once lay — the site of the modern Morocco, Algiers, Tunis, and Tripoli. This part was to be — must be attached to Europe.” (8)

It seems the British Museum, Louvre, the Metropolitan Museum of Art, the Berlin Museums and the large museums follow Hegel or at least similar ideas when they separate Egypt from Africa. But when there is disaster in Egypt or Sudan, even the museum directors must recognize that those States are in Africa.

The great Hegel did not have any good opinion about Africans: “The Negro, as already observed, exhibits the natural man in his completely wild and untamed state. We must put aside all thought of reverence and morality – all that we call feeling – if we would rightly comprehend him; there is nothing harmonious with humanity to be found in this type of character.” (9)

Hegel who never visited Africa stated that “Among the Negroes moral sentiments are quite weak or more strictly, non-existent. Parents sell their children, and conversely children their parents, as either has the opportunity. Through the pervading influence of slavery all those bonds of moral regard which we cherish towards each other disappear, and it does not occur to the Negro mind to expect from others what we are enabled to claim. The polygamy of the Negroes has frequently for its object the having of having many children to be sold, every one of them, into slavery.” (10)

Hegel’s knowledge or lack of it led him to proclaim that: “In Dahomey, when the King dies, the bonds of society are loosed; in his palace begins indiscriminate havoc and disorganization. All the wives of the King (in Dahomey their number is exactly 3,333) are massacred, and through the whole town plunder and carnage run riot. The wives of the king regard their death as a necessity; they go richly attired to meet it. The authorities have to hasten to proclaim the new governor, simply to put a stop to massacre”. (11)

Kant also denied the Africans any capacity for creativity and thought the colour of Africans was a clear indication of their stupidity:

“The Negroes of Africa have by nature no feeling that rises above the trifling. Mr. Hume challenges anyone to cite a single example in which a Negro has shown talents, and asserts that among the hundreds of thousands of blacks who are transported elsewhere from their countries, although many of them have even been set free, still not a single one was every found who presented anything great in art or science or any other praiseworthy quality, even though among whites some continually rise aloft from the lowest rabble, and through superior gifts earn respect in the world. So fundamental is the difference between these two races of man, and it appears to be as great in regard to mental capacities as in colour.” (12)

“And it might be that there were something in this which perhaps deserved to be considered; but in short, this fellow was quite black from head to foot, a clear proof that what he said was stupid.” (13)

For good measure, Kant added that the Africans were inferior to the Whites: “In the hot countries the human being matures in all aspects earlier, but does not,however, reach the perfection of those in the temperate zones. Humanity is at its greatest perfection in the race of the whites. The yellow Indians do have a meagre talent. The Negroes are far below them and at the lowest point are a part of the American peoples.” (14)

The intellectual history left by the philosophers of the Enlightenment cannot be said to be one that is propitious for developing honest and unprejudiced ideas about social development outside Europe and many of the racial prejudices we have in Europe, both in ordinary life and in the social sciences have their origin in these philosophers. The museums which are largely the creations of the Enlightenment could not escape the grip of these foolish ideas. Is it not yet time for the Germans and the other Europeans to re-examine these philosophies as they affect their thoughts to-day? Present-day German intellectuals could ask themselves whether there is any justification for considering African art as primitive or backward, especially since modern art has only been possible thanks to borrowings and imitations from African art, especially, African sculptures. Could it be seriously argued that African art which contributed largely to the development of modern art remained itself at a standstill and made no progress at all? (15)

The prejudices against African culture, including the arts, could be a main theme for the museums in Berlin, not only for the Ethnology museum but for all. The Alte Museum could be used to explain why Egyptian Art is not included in the arts found in the Ethnology Museum. Was this largely due to Hegel’s idea that Egypt does not belong to Africa and should be excised from the Continent? And why did Hegel prescribe this excision? His plan was to declare the whole of Africa as a continent without history and without any development and not part of world history. But he could not pursue this line of thought so long as Egypt was part of Africa. Egypt had been known to the Europeans since the Greek and Roman times as a civilization. He had the choice of either abandoning his prejudice or accepting that there had been development in Africa. He preferred to keep his unfounded prejudices and decided to sever Egypt from the Continent. After the severance of Egypt, what follows in Hegel’s discussion is uncontrolled vituperation and unmitigated attacks against Africans. (16)

Lepenies states that all ethnological museums are faced with the question of how far they want to change to art museums of foreign cultures and depending on their location, there arises the question of how they deal with the “First Peoples”, the original inhabitants and their own colonial past. He mentions Australia, New Zealand, Canada and the USA where it is no longer possible to establish an ethnological museum without consulting the members of the “Aborigines” about the conception, construction and management of the museum.

An ethnological museum in France had less to do with “Autochthones” but rather to deal with the colonial past. Here Lepenies thinks the Musée du Quai Branly failed and one can only agree with him. He mentions that “the huge colonial collections cannot be seen at Quai Branly but have been placed in depots. Moreover, if and when the colonial past is mentioned, then in a brief and somewhat mild manner. The visitor learns that behind every object, there is an adventure – but there is seldom complete information on the history of the robbery and stealing. The so-called “primitive peoples” are beamed  on the left bank of the Seine with highly sophisticated advanced technology to their innocent early past as if through a magic wand the period of colonialism could be deleted from history”.

When Lepenies turns to the situation of the Ethnology Museums that are to move from Berlin-Dalhem to the centre of the German capital, in a reconstructed City Castle, yet to be built, opposite the present Museum Island, he states that colonialism must be a topic; Berlin was after all the place where in 1884/85 Bismarck called the Africa Conference at which the European powers divided Africa among themselves. The author then declares that “The question of the treatment of one’s own aborigines does not arise for the German ethnological museum.” This is an interesting declaration. It is true that there are no “African or Asian” indigenous people to contend with in building a museum in Berlin and Germany. It is true that the author has mentioned that colonialism must be a topic. But that declaration, coming after the severe criticism on how the Musée du Quai Branly deals with the French colonial past gives the impression that the Germans really do not have any serious problems with the colonial past. He does not indicate that the German colonial history with its own share of genocides and other atrocities also has problems. He does not mention that the Germans have their own former colonial peoples such as the Hereros and Namas, with claims which have hitherto not been treated with serious consideration (17). The impression he leaves the reader is that there is a colonial past but not a very complicated one. The museum would simply have to tell the story.

For Lepenies, the main question is how the ethnologists would organize the presentation of the objects they now have in their museums: The crucial question, as he sees it, is whether there should be in the projected Humboldt Forum an ethnological art museum and whether ethnological “objects” would become “artworks”. He suggests that for Berlin it should not become an either or question but as well as. There should be a double vision which makes it clear to the visitor that what she sees depends on the arrangement of the curator and her own perception. It would appear that Lepenies has not seen the current Benin exhibition for he would have realized that much of what he seems to be suggesting has been achieved by the curators of the exhibition 600 years of Court Arts from Nigeria. (18) The author’s own preferences become very clear when he suggests that the new ethnology museums in Berlin should be guided and managed by scholars. Here he is not referring to scholars from what he describes as “the traditionally weak German Ethnology” but the so-called Regional sciences, for example, Africanistic, Japanology and Iranistic. Lepenies has not demonstrated why scholars from Africanistic would be more suitable to run or manage the new museum than the ethnologists. Not a single argument is advanced why there should be a change from ethnologists to africanists.

Lepenies could have explained the main problem with Ethnology – the unfounded basic discrimination lying at the basis of the subject, i.e. the alleged primitivism of the peoples of Africa and other continents studied by the ethnologists. He is best placed to explain what the basic difference is between ethnology and sociology. Or was Lepenies afraid to raise this issue which would have led to a much wider issue? Western scholarship, including Sociology and the other disciplines all work on the assumption that Western society is superior to all. Despite all protestations to the contrary, Western intellectual history and tradition is still permeated with the foolish ideas of the so-called Enlightenment about Africa which laid down the basic framework for perceiving and studying Africans. There is not a single discipline, not even Law, that has escaped the malignant influence of the Enlightenment racism. Eric Morton has rightly concluded that “Western historians and philosophers have allowed a racist perspective to influence western history, scholarship, politics, and education regarding race, racism, and the origin and spread of human culture.” (19) Epistemological ethnocentrism is not confined to the ethnologists. It is a normal element of most scholarly work in the Western world.

Lepenies proclaims that the colonial era is at end and that only an intellectual colonialism remains: “European colonial domination ended long ago and that only an intellectual colonialism has remained which looks at the non-western cultures only from Europe; in this process the manifold contacts between the non-western cultures is overlooked. An ethnologic history of contacts will put these contacts in focus. No other place would be better as the Humboldt Forum in the Centre of Berlin. That would be the long overdue renunciation of the Congo Act, a farewell to colonialism.” As Lepenies knows, German colonialism did not start with German colonization nor did it end with the end of colonization; the ideologies, the economic relations and the colonialist mentality did not disappear at once with the end of German colonization. Much of this still remains in the mentality of the German peoples as it does in the minds of the British, French and many other European countries.

I am somewhat baffled by the declaration that colonialism ended long ago. What are forty years in terms of history? Can an intellectual really consider that colonialism ended long ago? I lived in the colonial times and saw the final formal declarations of end of British and French colonial rule in West Africa but it seems to me as if it were only yesterday, especially since most of the problems left by colonialism are still visible everywhere in Africa. The inequality generated by the colonial enterprise still dominates the relations between Africa and Europe which clearly reflect colonial ideas rather than the theory of sovereign States having relations of equality and mutual respect.

Lepenies seems to wish to continue Ethnology without the ethnologists when he talks of “ethnological history of relations”. Why must the relations between Nigeria and China or between Benin and Asante be described as ethnological? I am especially concerned about the idea that the relationships between the countries represented by objects in the Ethnology Museum should be the focus of the new museum. Is this an undeclared attempt to re-write history? Everbody knows that what links the artefacts from Benin with those of Papua New Guinea or Congo is not their relationship with each other or the contacts of peoples in those countries with another. Indeed there was before colonization very little relationship between peoples of West Africa and those of Asia or Oceania. What undoubtedly unites all the objects in the Ethnology Museum is the fact that they were from conquered territories and peoples dominated and exploited by Europeans. It is the colonial domination that gave unity to these objects the collection of which was facilitated by the colonial administration. The most recent museum guide of the Ethnology Museum states this: “The greatest number of objects, however, came to the Berlin museum during the colonial period.” (20) It is therefore the relationship of these objects and their peoples with Germany or Europe which explains their presence in Berlin. Any other perspective would be a falsification or distortion of history. What then is the objective of Wolf Lepenies? Does he want to avoid the discussion of the colonial relationship, the questions of restitution and possible reparation? What does he mean when he says colonialism should be a topic for the new museum if it is not going to examine and study the relationship between Germany and her colonies and former colonies?

Lepenies writes about the new museum he envisages as appropriate symbol or act of the final renunciation of the Congo Act. He reads history differently from many of us. A final renunciation of the agreement on partition of Africa surely cannot be the establishment of a museum which keeps all the stolen African objects and only serves to buttress Berlin’s tourism industry. No benefit can be derived by the Africans and other victims of western colonialism and imperialism from a new museum in Berlin. It will be a cheap and not very honest way out of an act which had serious consequences for the people of Africa and the world. We have not entirely recovered from those consequences. Surely a more tangible act would be first to return most, if not all, of our stolen objects, officially apologise for the genocides and other inhuman and unspeakable deeds of colonialism and make some reparation for the damages. Are European intellectuals afraid to go that far? Do they not dare to follow the logic of the historical acts of their forefathers? Have they become as pragmatic as the politicians? It used to be thought that intellectuals examined problems in their totality and left it to politicians to implement the solutions which were proposed but now it appears there is no desire to go to the roots of problems and examine logically the appropriate remedies.

Wolf Lepenies who has written a foreword to a book entitled, Beyond Eurocentricism, (21) is himself not free from eurocentricism for it is obvious from his comments on the Musée du Quai Branly that he read only the criticisms of the museum written by Europeans and not by Africans or others from the countries where the museum objects were stolen. The Africans who wrote about the new museum were mostly not so much concerned with the architecture of Jean Nouvel and its aesthetics but with the content of the new museum, namely the stolen goods transferred from the two museums, Musée de l’Homme and Musée des Arts d’Afrique et d’Oceanie. They were concerned about questions of ethic as Wolf Lepenies but saw the issue as the legality or morality of returning or not returning the stolen items. Lepenies understands under ethic doing justice to the evaluation of the arts of the other. Africans understand under ethic not only being fair in the judgement of the arts of the other but also doing justice to the art of the other by restoring to him his stolen art objects so that he can continue his chosen path as indicated by the looted works. (22)

Lepenies is concerned with the creation of the cultural identity of Berlin, an identity created with the stolen objects of others, including African objects. Nefertiti comes readily to mind in this context of using the stolen cultural objects of others and even arguing against the original owner, that the object has become more part of its new country than the original home! Here he joins the ranks of the supporters of the infamous Declaration of the Value and Importance of Universal Museums (2002). They argue that the African and Asian objects that have been stolen and kept for hundreds of years in European and American museums have become part of the culture of the countries of those museums. (23) A moment’s reflection shows how untenable this proposition is.

But what are the values and implications of an identity built on the bases of stolen items of the others? What does such an identity tell us about the culture and morality of such a people? Lepenies could have asked, if he went beyond the limits of eurocentricism, what about the identity of the Africans whose religious and cultural objects have been stolen and are now in the Ethnology Museum of Berlin? What about the identity of the people of Benin whose finest works are now in Berlin, some 600 objects of the best whereas the museum in Benin City does not have that much? The British Museum of course, holds some 700 of those pieces. Some of those objects that express the deeper feelings and aspirations as well as the cultural identity of the people of Benin are now in Berlin and should now serve to express the identity of the city of Berlin? How does Queen-mother Idia fit into the Berlin mythology? Berlin may be considered by Europeans to be more important than Benin and hence the need to pay attention to its identity and the components and symbols of its identity. But for Nigerians and Africans the identity of Benin is absolutely important. It is not by accident that the mascot of the FESTAC 77 was chosen from the Benin art, namely the hip mask of Queen mother Idia, now in British Museum, London. The British refused even to lend it for a short period. The Metropolitan Museum of Art, New York, has a second one of this Idia mask. Is the identity of Africans so unimportant that even European and American intellectuals do not realise that the stealing by Europeans and the absence of our cultural objects, in addition to all the other things they have stolen from us and done to us, hurt our inner most feelings?

The Germans seem prepared to make amends and compensation for victims of Nazi atrocities but colonial atrocities do not seem to worry many Germans who often add that their colonial period was short (1885-1918). They do not seem to understand that that period was long enough for the victims of their colonialism and also long enough for experimenting with the evil methods which the Nazis perfected later – concentration camps, racial discrimination, spoliation of land and goods, deportation, extermination and arbitrary rule. If European and American intellectuals cannot understand how Africans feel about these factors who else can?

Europeans of our days must realize that many Africans seem prepared, some reluctantly, to forgive the Europeans of previous generations for the atrocities they committed against Africans on condition that these nefarious and wicked plans of the colonialists are recognized for what they were: intentional and systematic despoliation and extermination of peoples in order to obtain what the unbridled greed of 17th-20th Century Europe and America led them to believe they needed. Recognition of this fact and corresponding compensation for the incalculable damage should be the minimum consideration (24)

What most Africans are not prepared to accept or forgive is the continued implementation of ideas and policies of yester years. We are definitely not in the mood to accept the confirmation of evil policies which are well-documented in history. If the present generation of Europeans and Americans are not willing to condemn the evil policies of their ancestor and continue to confirm their validity then they should not be surprised that most Africans consider them even worse than their ancestors. Whereas one may be able to find excuses for the past deeds, however untenable, there are absolutely no excuses for present day Europeans for following paths they themselves have in writing condemned as evil.

To condemn eurocentricism and at the same time to consider what and how objects stolen with violence from Africa and Asia can contribute to the identity of Berlin, where Africa was divided in 1885 by the Europeans and in the capital of the German colonial Empire seems to us somewhat insensitive. Present day Germany has no need of robbing Africans of their cultural property. The German or Berlin personality or identity does not need the 350,000 stolen objects in the Ethnology Museum, Berlin, not to talk about the other stolen African objects, such as the bust of Nefertiti. Ethical and legal considerations should lead German intellectuals to plead for the return of all these objects except those which the owners consent to leave in Europe. This should be considered as the minimum sign that the evils of the past are condemned by the present generation and that they are seeking to take new paths in their relations with Africa and Asia. They should abandon any belief that one can overcome the past without any effort and without any critical examination of the past. They should consider “Vergangenheitsbewältigung” (“coming to terms with the past”) as relevant not only with regard to the Nazi past but also the colonialist past. Colonialism did not come to an end with the end of colonization any more than Nazism came to an end with the termination of Nazi domination in Europe.

It should be recalled that most Africans and African artists have not been able to see the masterpieces of African art since these pieces have been kept in Europe for hundreds of years. Can one imagine a situation where most European artists have not seen the widely acclaimed masterpieces of European art? Imagine how Europeans would feel if many of their masterpieces such as those listed here were all in Africa – Arcimboldo, Braque, Botticelli, Bourgeois, Bernini, Cézanne, Chagall, Courbet, Dürer, Dali, Gaugin, Giorgione, Klee, Klimt, Manet, Monet, Munch, Miró, Nolde, Picasso, Pollock, Raffael, Rembrandt, Rodin, Schiele, Tizian, Van Dyck, Warhol, etc.

How can Africans, and for that matter, African artists learn to appreciate their cultural traditions when their masterpieces are all in Europe? How do we develop aesthetics when all or most of our masterpieces are away, hidden in societies which have no particular use for those pieces? How is the collective memory cultivated, corrected, modified and polished when those significant masterpieces are not available? African art objects are often historical records and it is ironical that those who often proclaim that Africans have no history seem bent on detaining the objects that are records of historical events and thus enable us to reconstruct our history. The Benin bronzes constitute a record of Benin history but are of no use for an understanding of the history of Berlin. So who should keep these records? And why do Europeans keep African objects which they do not need and cannot even display for lack of space? The museum guide of the Ethnology Museum states clearly that: “By far the largest segment of items is not on display, but is stored in the study collections.” (25) So why keep stolen items you do not need and refuse to return them to the owner who needs them and has been for hundred years asking for their return? The museum has some 75,000 pieces, more than the stocks of probably all the museums in Africa. These are the sort of questions European intellectual should be asking themselves. The situation is very similar for the British Museum, London, Louvre, Paris, Musée du Quai Branly, Paris, Metropolitan Museum of Art, New York and all the major museums in the Western world. Do European intellectuals approve the denial to Africans of their right to developing their culture with their own cultural objects? This situation should worry all genuine intellectuals and those interested in the arts and intellectual history. It is this total insensitivity to the needs of others that has given Europeans a very bad reputation in Africa as people who are only concerned with their selfish interest and pay no attention to any rules of morality where their interests are concerned; their greed and avarice are constant factors in the African’s perception of European morality (26)
   We have in several articles on the internet demonstrated systematically, the weaknesses of the arguments of those defending the non-restitution of African cultural objects by the American and European museums. Most museum directors have wisely refrained from giving any comment, seeing that they have no valid reason, in morality or in law, for retaining stolen objects, in their museums, mostly in their depots. However, one museum director of a leading museum in the Western world, made a written comment admitting directly and explicitly his lack of familiarity with African cultural objects, even though his museum has hundreds of African objects. True the European and American museum officials do not need all to know much about African culture or indeed be interested in African art. For many of these officials, Greek culture seems to be the beginning and end of all that is valuable in culture. But where then is the argument about their need for African cultural objects so that they can teach their people to appreciate African art?

Lepenies and other German intellectuals raise the issue of restitution of Benin bronzes with Prof. Hermann Parzinger, the new President of the Prussian Heritage Foundation (Stiftung Preussischer Kulturbesitz) which is the governing authority of the State Museums in Berlin. Since the Germans are asking the Russians and the Polish for restitution of German cultural property which the Russians had seized during World War II or which the Germans had deposited in Poland when that country was under German control, it would seem to most of us logical that the Germans also start discussions with other Governments, for example Nigeria about the Benin bronzes that are in the Ethnology Museum, Berlin. How the Germans can ask others for restitution without thinking about also returning to others their illegally or wrongfully acquired items is something most of us find difficult to understand. The season for restitution must be for all and not only for Europeans.

It is certainly not my task to defend Ethnology in Germany but I must confess I was somewhat surprised by this frontal attack against the ethnologists by Lepenies who is himself a sociologist by training. He does not offer any argument or evidence of the alleged weakness of Ethnology in Germany. How would he feel if someone were to state that Sociology was weak in Germany, without offering or attempting to advance some arguments? He would no doubt be aware that most of the objects or artworks in the Ethnology Museum were collected by ethnologists such as Luschan, Bastian and co. I have my own criticism of the ethnologists which is applicable to ethnologists outside Germany too. Lepenies criticism is directed solely against German ethnologists and I am not sure whether the French, the British and American ethnologists are any better. I am also not sure that the scholars in Africanistic are much better than the ethnologists as far as Africa is concerned and in particular, that they can manage such museums better than the ethnologists. But the essential point is surely not the relocation of the museums but the re-examination of their functions and the legality and legitimacy of the thousands of stolen cultural objects they hold in their museums. What views of the world are they to project? The wholly prejudiced views of the Enlightenment philosophers or the image of other countries and societies as emerge from their cultural accomplishments?

“Enlightenment philosophy was instrumental in codifying and institutionalizing both the scientific and popular European perceptions of the human race. The numerous writings on race by Hume, Kant and Hegel played a strong role in articulating Europe’s sense not only of its cultural but also racial superiority” E.Chukwudi Eze, Race and Enlightenment, (Blackwell Oxford, 1997, p.5.)

Kwame Opoku, 27 April, 2008.
NOTES

(1) “Abschied vom intellektuellem Kolonialismus; Was Berlin aus der Debatte über das Musée du Quai Branly in Paris lernen kann“ http://www.welt.de/welt_print/article1858177/Abschied_vom_intellektuellen_Kolonialismus.html

(2) Kwame Opoku, “Benin to Quai Branly: A Museum for the Arts of the Others or for the Stolen Arts of the Others?” http://www.afrikanet.info/index.

(3) K. Opoku, “Benin to Berlin Ethnologisches Museum: Are Benin Bronzes made in Berlin?” http://www.afrikanet.info/index.

(4) Aminata Traoré), “Ainsi nos œuvres d’art ont droit de cité là où nous sommes, dans l’ensemble, interdits de séjour” http://www.ldh-toulon.net/spip. See also Kwame Opoku, “Benin to Quai Branly: A Museum for the Arts of the Others or for the Stolen Arts of the Others?” http://www.afrikanet.info/index.

(5) Herbert Ekwe-Ekwe, “What is ’Sub-Sahara ?” West Africa Review: Issue 11, 2007. http://www.westafricareview.com/issue11/ekwe-ekwe.html

(6) David Hume, Selected Essays, Oxford World Classics, Oxford University Press, Oxford, 1998, p.360.

(7) Georg W.F.Hegel, The Philosophy of History. Dover Philosophical Classics, Dover Publications, New York, 1956, p.91.

(8) Hegel, ibid. p.92; see also Heinz Kimmerle, “Hegel und Afrika“ in Die Dimension des Interkulturellen, Editions Rodopi, Amsterdam,1994; J.Obi.Oguejiofor, “The enlightenment gaze: Africans in the mind of Western philosophy”, philosophia Africana, http://www.encyclopedia.com

(9) Hegel, ibid. p.93.

(10) Hegel, ibid. p.96.

(11) Hegel, ibid. p.98.

(12) Immanuel Kant, Observations on the Feeling of the Beautiful and Sublime, University of California Press, Berkeley, 1960, p.111.

(13) I. Kant, ibid.p.113.

(14) Kant, Physical Gerography, in Emmanuel Chukwudi Eze, Race and the Enlightenment: A Reader, Blackwell, 1997, p.63.

(15) Victoria Delaney, “Still the Primitive? Myths and Resistance of the Ethno-Spirito in African Representations” http://www.africaresource.com/ijele/issue5/delaney.html

(16) Olufemi Taiwo: “Exorcising Hegel’s Ghost: Africa’s Challenge To Philosophy” http://www.africaresource.com/content/view/148/192/

(17) K.Opoku, “Benin to Berlin Ethnologisches Museum: Are Benin Bronzes made in Berlin? http://www.afrikanet.info/index.

(18) K. Opoku, “Benin in Berlin: A Successful Reconciliation of the Aesthetic and the Ethnological” http://www.afrikanet.info/index.

(19) Morton, Eric (2002). “Race and Racism in the Works of David Hume”, http://www.africanphilosophy.com/vol1.1/morton.html

(20) Ethnologisches Museum Berlin, Prestel, Munich, Berlin, 2007, p.113.

(21) Sebastian Conrad and Shalini Randeira (Eds.) Jenseits des Eurocentrismus, Campus Verlag, Frankfurt, 2002.

(22) Aminata Traoré, “Ainsi nos œuvres d’art ont droit de cité là où nous sommes, dans l’ensemble, interdits de séjour” http://www.ldh-toulon.net/spip. See also Kwame Opoku, “Benin to Quai Branly: A Museum for the Arts of the Others or for the Stolen Arts of the Others?” http://www.afrikanet.info/index.

(23) For an excellent critique of the concept of “universal museum”, see Mark O’Neill, “Enlightenment museums – universal or merely global ?” http://www.le.ac.uk/ms/m&s/Issue%206/ONeill.pdf

(24) Herbert Ekwe-Ekwe “Why Britain Should Apologise and Pay Reparations to African Peoples” http://www.raceandhistory.com/historicalviews/2006/1412.html

(25) Ethnologisches Museum Berlin, Museum Guide, op.cit. p.114

(26) Nkiru Nzegwu, “Colonial Racism: Sweeping Out Africa with Mother Europe’s Broom”, in S. E. Babbitt and Sue Campbell, (Eds.) Racism and Philosophy, Cornell University Press, Ithaca and London, 1999, pp. 124-156.

Text with images:
http://www.afrikanet.info/index.php?option=com_content&task=view&id=940&Itemid=2
toncremers@museum-security.org
http://www.museum-security.org
http://www.museumbeveiliging.com
http://www.handboekveiligheidszorgmusea.nl

April 29th, 2008

Posted In: Dr. Kwame Opoku writings about looted cultural objects

In vorige berichten meende ik meer dan voldoende gereageerd te hebben op het misleidende en inacceptabel generaliserende persbericht van de Brandraad08.

Blijkbaar was het niet voldoende want op Brandveilig.com komt eindelijk de aap uit de mouw. Onder de titel Nederlandse erfgoedsector onvoldoende bewust van brandrisico’s staat daar te lezen:

“De raad stelt bijvoorbeeld vast dat de erfgoedsector noodzakelijke preventiemaatregelen zoals sprinklerinstallaties of compartimentering in historische gebouwen niet zelden ten onrechte afwijst op esthetische gronden.”

Weer een vaststelling zonder enige grond.

Gisteren gaf ik al aan dat de conclusies van de Raad ongefundeerd en zelfs misleidend zijn:
http://www.museumbeveiliging.com/2008/04/28/persbericht-brandraad-misleidend-en-ongefundeerd/

In eerdere artikelen ging ik uitgebreid in op de stappen die de Nederlandse erfgoedsector de afgelopen twee decennia nam om juist de brandveiligheid, het risicobewustzijn en de kennis van preventie te vergroten.

Zie voor die artikelen: http://www.museumbeveiliging.com/category/brandraad08/

De Raad ging geheel aan die inspanningen van de rfgoedsector voorbij en trok zijn conclusies enkel en alleen gebaseerd op de brand in het Armandomuseum en de citaten in de pers van een handvol museumdirecteuren.
Citaten overigens, laat dat duidelijk zijn, waar ik helemaal niet blij mee was. Ze getuigden namelijk alleen van vooroordelen tegen sprinklers.

Ik heb die vooroordelen met cijfers en argumenten uitgebreid bestreden: http://www.museumbeveiliging.com/sprinklerdiscussie.pdf

De nieuwe conclusie van de Raad zoals vermeld in Brandveilig.com dat ‘de erfgoedsector’ sprinklers en compartimentering ‘op esthetische gronden’ afwijst slaat nergens op. Deze conclusie is in strijd met de feiten en waarschijnlijk gebaseerd op de mening van 1 museumdirecteur zoals die 11 oktober 2007 te lezen was in De Volkskrant.

Er zijn vele voorbeelden die die mening tegenspreken en op grond waarvan de Raad heel andere conclusies had kunnen trekken.

Toont een bezoek aan CODA (Cultuur Onder Dak Apeldoorn) aan dat musea helemaal niet bang zijn voor het gebrek aan esthetiek van sprinklers?

De musea? Net zo’n onmogelijk te beantwoorden vraag als de door de Brandraad getrokken conclusie mogelijk is want ik geef hier slechts 1 museum als voorbeeld.

De archieven in Zierikzee, Schiedam en Rotterdam zijn voorzien van sprinklers. CODA breidt momenteel de sprinklerinstallatie uit met sprinklers in de bibliotheek. De provinciale bibliotheek in Middelburg, de Koninklijke Bibliotheek en de prachtige nieuwe bibliotheek van de universiteit in Wageningen zijn voorzien van sprinklers.

Er zijn meer musea met sprinklers. Dus zo uit het blote hoofd kan ik tegenover de veel te snelle conclusie van de Raad en de mening van 1 museumdirecteur meer dan een handvol erfgoedbeheerders noemen die sprinklers hebben. De conclusie van de Brandraad dat DE erfgoedsector geen sprinklers wil op esthetische gronden raakt dus kant noch wal. Dat komt er van als je meent te moeten generaliseren….

De conclusie van de Raad dat DE erfgoedsector geen compartimentering wil hebben om esthetische gronden is helemaal uit de duim gezogen.
Daar is geen enkel voorbeeld van. Integendeel: Hans Buurman, zakelijk directeur van het Gemeentemuseum Den Haag, hield op de sprinklerbijeenkomst van de Museumvereniging op 7 februari 2007 in Utrecht een uitgebreid betoog over de brandcompartimentering in zijn museum.

Michel Walhof, sprinklerverkoper en oprichter van de Brandraad, was nota bene aanwezig bij die presentatie.

De Rijksgebouwendienst publiceerde circa tien jaar geleden een zeer boeiend boekje over alle brandpreventieve maatregelen in Paleis het Loo.

Met name de brandcompartimentering is daar op een zeer creatieve wijze gerealiseerd.

Het is niet waar dat de erfgoedsector op esthetische gronden tegen compartimentering is. Een dergelijk esthetisch verzet zou bovendien binnen de kortste keren door Bouwbesluit en Bouwverordening worden ingehaald.

Was het oorspronkelijke persbericht van de Raad al nergens op gebaseerd, deze aanvullende conclusies door een anoniem lid van de Raad in Brandveilig.com tonen overduidelijk aan dat de (voorzitter en oprichter van de) Raad een nauwelijks verholen agenda had: de verkoop van sprinklers.

Niet goedschiks, dan maar kwaadschiks door de strot geduwd door de erfgoedsector te diffameren als ondeskundig en slechts gericht op esthetische overwegingen.

Laten we het er maar op houden dat de Raad zich eigenlijk bewust is ongefundeerde conclusies te trekken en daartoe Rene Hagen, een van de leden, citeren toen hij in de provinciale pers toegaf: “… er zijn geen aantallen bekend”.

DAT is de waarheid. De Raad trok zijn conclusies zonder de werkelijke feiten te kennen.

De vraag dringt zich op of de erfgoedvertegenwoordigers in de Raad, Nina Duggen en Theo Vermeulen, zich kunnen scharen achter de citaten van hun collega Raadleden in de pers en met name in Brandveilig.com.

 

Persbericht van de Brandraad’08 is te vinden op:
http://www.brandraad.nl

Deelnemers Brandraad ‘08

• René Hagen, lector brandpreventie bij de Brandweeracademie, onderdeel van
het Nederlands Instituut Fysieke Veiligheid Nibra

• Michel Walhof, voorzitter European Fire Sprinkler Network. Bestuurslid Verenigde
Sprinkler Installateurs en directeur Aqua+

• Nina Duggen, erfgoedinspectie/collecties Den Haag, onderdeel van het
Ministerie OC&W. Bestuurslid sectie veiligheidszorg & facility management
Nederlandse Museumvereniging

• Marcel Hanssen, director risk control Aon Global Risk Consulting R´dam

• Ricardo Weewer, adviseur strategie en innovatie, regionale brandweer
Amsterdam-Amstelland

• Theo Vermeulen, projectmanager Kenniscentrum veiligheid cultureel erfgoed

• Hans Emans, dagvoorzitter van Brandraad ’08. Oud-journalist en tv-producent van
o.a. reconstructies van de rampen in Enschede, Volendam en Schiphol.

Ton Cremers
29 april 2008

toncremers@museum-security.org
http://www.museum-security.org
http://www.museumbeveiliging.com
http://www.handboekveiligheidszorgmusea.nl

April 29th, 2008

Posted In: Brandraad08

Persbericht Brandraad misleidend en ongefundeerd

28/04/2008 – 10:27

Het persbericht van de Brandraad08 (23 april 2008) begint met de conclusie dat bij een groot aantal erfgoedbeheerders onduidelijkheid over verantwoordelijkheden bestaat, dat er een gebrekkig risicobesef en onvoldoende kennis over preventiemaatregelen is. Dat liegt er niet om.

Je vraagt je af hoe de Brandraad aan die conclusies komt.

Op geen enkele manier wordt daar duidelijkheid over gegeven. Er wordt slechts verwezen naar twee recente museumbranden.

Van een Brandraad had je mogen verwachten dat die branden geanalyseerd werden en dat mogelijk op basis van die analyse conclusies waren getrokken.

Op basis van de analyse van twee zeer verschillende branden hadden zo wie zo geen conclusies kunnen worden getrokken de hele erfgoedsector betreffend.

Ieder incident moet op eigen merites beoordeeld worden en pas nadat zich een aantal overeenkomstige incidenten voordoet bij overeenkomstige organisaties is het mogelijk, met enige voorzichtigheid, conclusies te trekken over alle soortgelijke organisaties.

Er zijn in Nederland circa 1000 tot 1200 musea. Hoeveel bibliotheken en archieven er zijn weet ik niet, maar een heel conservatieve schatting is dat het er ook minstens 1000 moeten zijn.

Dus, wanneer we de hele erfgoedsector over een kam scheren, zoals de Brandraad doet, dan deden zich in 2000, beperkt vergelijkbare instellingen twee branden voor.

Stel dat er zich jaarlijks twee branden in de erfgoedsector voor zouden doen en dat dan over een groot aantal jaren, dan betekent dat dat iedere erfgoedinstelling statistisch eens in de 1000 jaar door brand kan worden getroffen.

Statistiek helpt hier niet om conclusies te trekken over de kwaliteit van de brandbeveiliging. Het blijft namelijk altijd mogelijk dat de brandveiligheid zeer te wensen over laat maar dat er toch geen brand komt.

Nog minder is het mogelijk op basis van een enkel brandincident conclusies over een groot deel van de sector te trekken. De door de Brandraad geformuleerde conclusies zijn daarom ongefundeerd.

Het persbericht van de Brandraad is niet alleen ongefundeerd maar ook bewust misleidend.

Deze Brandraad – petje af voor de slim gekozen naam – is een initiatief van Michel Walhof, directeur van een sprinklerbedrijf. De Brandraadleden namen ‘op persoonlijke titel’ deel aan de Brandraad maar worden in de ondertekening wel allemaal met bijna volledige functies vermeld.

In een SPITS interview wordt Michel Walhof wel ‘voorzitter van het European Fire Sprinkler Network’ genoemd, maar daar blijft zijn directeurschap van een sprinklerbedrijf onvermeld. Dat kan geen toeval zijn.

Wat is dat European Fire Sprinkler Network?

Een bezoekje aan de site geeft al meteen duidelijkheid. Dat Network is: “een samenwerkingsverband tussen bedrijven en instanties op het gebied van brandbeveiliging, alsmede politieke en andere(?) organisaties, die tot gezamenlijk doel hebben het gebruik van sprinklers te bevorderen om zodoende mensen , bezittingen en het milieu te beschermen tegen ( de gevolgen van) brand. “.

Daar gaat het dus om: de verkoop van sprinklers.

Wie zitten in dat Europese netwerk: verzekeraars, installateurs en sprinklerverkopers. Geen enkele politieke of overheidsorganisatie.

Die door Walhof geïnitieerde Brandraad is niets anders dan een lokale kopie van het Europese netwerk met als doel sprinklers te verkopen. Daar had die Brandraad best wel wat meer duidelijkheid over mogen geven. Door die duidelijkheid achterwege te laten is het persbericht van de Brandraad niet alleen ongefundeerd maar ook misleidend.

Genoeg kritiek.

Laat ik de Brandraad een handje helpen en hun duidelijk maken hoe zo’n persbericht er uit had moeten zien:

“De Brandraad08, opgezet door Michel Walhof, directeur van sprinklerbedrijf Aqua en voorzitter van de European Fire Sprinkler Network, kwam 23 april 2008
in Brummen bijeen.

Deelnemers aan die Brandraad waren: 1, 2, 3, 4,…..

De Brandraad heeft op basis van de volgende bevindingen 1, 2, 3, ……. geconstateerd dat:

1. de Nederlandse erfgoedwereld de afgelopen 20 jaar veel initiatieven heeft ontwikkeld om de veiligheidszorg, inclusief de brandveiligheid, op een hoger plan te brengen;

2. zich recent twee ernstige brandincidenten hebben voorgedaan;

3. op basis van uitgebeid onderzoek (nader toe te lichten) binnen de erfgoedsector, er kennelijk nog verbeterpunten zijn in de brandbeveiliging.

Die verbeterpunten zijn:

1,2,3, 4,……

Op basis van deze constateringen doet de Brandraad de volgende aanbevelingen:

1, 2, 3, 4,…….”

Een dergelijk persbericht had kunnen leiden tot een vruchtbaar gesprek met de erfgoedwereld over de brandbeveiliging.

De Brandraad kwam eenmalig bijeen op 23 april van 14.00 tot 16.00 uur waarna de sessie werd afgesloten met een aperitief en een diner.

Een vergadering van twee uur tussen deelnemers van zeer diverse pluimage waarvan de meesten elkaar voor de eerste keer ontmoetten en dan na twee uur al vergaande conclusies trekken over de brandveiligheid van circa 2000 onderling zeer verschillende instellingen?

Opmerkelijk, heel opmerkelijk

Ton Cremers
28 april 2008

 

Persbericht van de Brandraad’08 is te vinden op:
http://www.brandraad.nl

Deelnemers Brandraad ‘08

• René Hagen, lector brandpreventie bij de Brandweeracademie, onderdeel van
het Nederlands Instituut Fysieke Veiligheid Nibra

• Michel Walhof, voorzitter European Fire Sprinkler Network. Bestuurslid Verenigde
Sprinkler Installateurs en directeur Aqua+

• Nina Duggen, erfgoedinspectie/collecties Den Haag, onderdeel van het
Ministerie OC&W. Bestuurslid sectie veiligheidszorg & facility management
Nederlandse Museumvereniging

• Marcel Hanssen, director risk control Aon Global Risk Consulting R´dam

• Ricardo Weewer, adviseur strategie en innovatie, regionale brandweer
Amsterdam-Amstelland

• Theo Vermeulen, projectmanager Kenniscentrum veiligheid cultureel erfgoed

• Hans Emans, dagvoorzitter van Brandraad ’08. Oud-journalist en tv-producent van
o.a. reconstructies van de rampen in Enschede, Volendam en Schiphol.

toncremers@museum-security.org
http://www.museum-security.org
http://www.museumbeveiliging.com
http://www.handboekveiligheidszorgmusea.nl

April 28th, 2008

Posted In: Geen categorie

Het persbericht van de Brandraad08 (23 april 2008) begint met de conclusie dat bij een groot aantal erfgoedbeheerders onduidelijkheid over verantwoordelijkheden bestaat, dat er een gebrekkig risicobesef en onvoldoende kennis over preventiemaatregelen is. Dat liegt er niet om.

Je vraagt je af hoe de Brandraad aan die conclusies komt.

Op geen enkele manier wordt daar duidelijkheid over gegeven. Er wordt slechts verwezen naar twee recente museumbranden.

Van een Brandraad had je mogen verwachten dat die branden geanalyseerd werden en dat mogelijk op basis van die analyse conclusies waren getrokken.

Op basis van de analyse van twee zeer verschillende branden hadden zo wie zo geen conclusies kunnen worden getrokken de hele erfgoedsector betreffend.

Ieder incident moet op eigen merites beoordeeld worden en pas nadat zich een aantal overeenkomstige incidenten voordoet bij overeenkomstige organisaties is het mogelijk, met enige voorzichtigheid, conclusies te trekken over alle soortgelijke organisaties.

Er zijn in Nederland circa 1000 tot 1200 musea. Hoeveel bibliotheken en archieven er zijn weet ik niet, maar een heel conservatieve schatting is dat het er ook minstens 1000 moeten zijn.

Dus, wanneer we de hele erfgoedsector over een kam scheren, zoals de Brandraad doet, dan deden zich in 2000, beperkt vergelijkbare instellingen twee branden voor.

Stel dat er zich jaarlijks twee branden in de erfgoedsector voor zouden doen en dat dan over een groot aantal jaren, dan betekent dat dat iedere erfgoedinstelling statistisch eens in de 1000 jaar door brand kan worden getroffen.

Statistiek helpt hier niet om conclusies te trekken over de kwaliteit van de brandbeveiliging. Het blijft namelijk altijd mogelijk dat de brandveiligheid zeer te wensen over laat maar dat er toch geen brand komt.

Nog minder is het mogelijk op basis van een enkel brandincident conclusies over een groot deel van de sector te trekken. De door de Brandraad geformuleerde conclusies zijn daarom ongefundeerd.

Het persbericht van de Brandraad is niet alleen ongefundeerd maar ook bewust misleidend.

Deze Brandraad – petje af voor de slim gekozen naam – is een initiatief van Michel Walhof, directeur van een sprinklerbedrijf. De Brandraadleden namen ‘op persoonlijke titel’ deel aan de Brandraad maar worden in de ondertekening wel allemaal met bijna volledige functies vermeld.

In een SPITS interview wordt Michel Walhof wel ‘voorzitter van het European Fire Sprinkler Network’ genoemd, maar daar blijft zijn directeurschap van een sprinklerbedrijf onvermeld. Dat kan geen toeval zijn.

Wat is dat European Fire Sprinkler Network?

Een bezoekje aan de site geeft al meteen duidelijkheid. Dat Network is: “een samenwerkingsverband tussen bedrijven en instanties op het gebied van brandbeveiliging, alsmede politieke en andere(?) organisaties, die tot gezamenlijk doel hebben het gebruik van sprinklers te bevorderen om zodoende mensen , bezittingen en het milieu te beschermen tegen ( de gevolgen van) brand. “.

Daar gaat het dus om: de verkoop van sprinklers.

Wie zitten in dat Europese netwerk: verzekeraars, installateurs en sprinklerverkopers. Geen enkele politieke of overheidsorganisatie.

Die door Walhof geïnitieerde Brandraad is niets anders dan een lokale kopie van het Europese netwerk met als doel sprinklers te verkopen. Daar had die Brandraad best wel wat meer duidelijkheid over mogen geven. Door die duidelijkheid achterwege te laten is het persbericht van de Brandraad niet alleen ongefundeerd maar ook misleidend.

Genoeg kritiek.

Laat ik de Brandraad een handje helpen en hun duidelijk maken hoe zo’n persbericht er uit had moeten zien:

“De Brandraad08, opgezet door Michel Walhof, directeur van sprinklerbedrijf Aqua en voorzitter van de European Fire Sprinkler Network, kwam 23 april 2008
in Brummen bijeen.

Deelnemers aan die Brandraad waren: 1, 2, 3, 4,…..

De Brandraad heeft op basis van de volgende bevindingen 1, 2, 3, ……. geconstateerd dat:

1. de Nederlandse erfgoedwereld de afgelopen 20 jaar veel initiatieven heeft ontwikkeld om de veiligheidszorg, inclusief de brandveiligheid, op een hoger plan te brengen;

2. zich recent twee ernstige brandincidenten hebben voorgedaan;

3. op basis van uitgebeid onderzoek (nader toe te lichten) binnen de erfgoedsector, er kennelijk nog verbeterpunten zijn in de brandbeveiliging.

Die verbeterpunten zijn:

1,2,3, 4,……

Op basis van deze constateringen doet de Brandraad de volgende aanbevelingen:

1, 2, 3, 4,…….”

Een dergelijk persbericht had kunnen leiden tot een vruchtbaar gesprek met de erfgoedwereld over de brandbeveiliging.

De Brandraad kwam eenmalig bijeen op 23 april van 14.00 tot 16.00 uur waarna de sessie werd afgesloten met een aperitief en een diner.

Een vergadering van twee uur tussen deelnemers van zeer diverse pluimage waarvan de meesten elkaar voor de eerste keer ontmoetten en dan na twee uur al vergaande conclusies trekken over de brandveiligheid van circa 2000 onderling zeer verschillende instellingen?

Opmerkelijk, heel opmerkelijk

Ton Cremers
28 april 2008

 

Persbericht van de Brandraad’08 is te vinden op:
http://www.brandraad.nl

Deelnemers Brandraad ‘08

• René Hagen, lector brandpreventie bij de Brandweeracademie, onderdeel van
het Nederlands Instituut Fysieke Veiligheid Nibra

• Michel Walhof, voorzitter European Fire Sprinkler Network. Bestuurslid Verenigde
Sprinkler Installateurs en directeur Aqua+

• Nina Duggen, erfgoedinspectie/collecties Den Haag, onderdeel van het
Ministerie OC&W. Bestuurslid sectie veiligheidszorg & facility management
Nederlandse Museumvereniging

• Marcel Hanssen, director risk control Aon Global Risk Consulting R´dam

• Ricardo Weewer, adviseur strategie en innovatie, regionale brandweer
Amsterdam-Amstelland

• Theo Vermeulen, projectmanager Kenniscentrum veiligheid cultureel erfgoed

• Hans Emans, dagvoorzitter van Brandraad ’08. Oud-journalist en tv-producent van
o.a. reconstructies van de rampen in Enschede, Volendam en Schiphol.

toncremers@museum-security.org
http://www.museum-security.org
http://www.museumbeveiliging.com
http://www.handboekveiligheidszorgmusea.nl

April 28th, 2008

Posted In: Brandraad08, commentaar

Brandbeveiliging staat zeer hoog op de agenda bij de Nederlandse erfgoedbeheerders

www.museumbeveiliging.com/2008/05/01/brandbeveiliging-staat-zeer-hoog-op-de-agenda-bij-de-nederlandse-erfgoedbeheerders/

01/05/2008 – 12:52Brandraad’08: NEDERLANDSE ERFGOEDSECTOR ONVOLDOENDE BEWUST VAN BRANDRISICO’S

Brandbeveiliging staat zeer hoog op de agenda bij de Nederlandse erfgoedbeheerders. Close reading van persbericht Brandraad leidt tot heel veel vraagtekens.

Zie voor volledige tekst persbericht Brandraad’08:
http://www.brandraad.nl/persbericht_Nederlandse_erfgoedsector_onvoldoende_bewust_van_brandrisicos.pdf

Vooraf:

Hoewel de naam Brandraad’08 en het via Capita naar buiten gebrachte persbericht anders doen vermoeden zijn de conclusies van de Brandraad niet gebaseerd op studies of op een reeks van bijeenkomsten. De Brandraad kwam eenmalig maximaal 3 uur bijeen en trok daarna zijn conclusies over vele duizenden erfgoedbeheerders.
Citaten uit de tekst van het persbericht zijn vet gedrukt. Reacties zijn cursief weergegeven.

BR: Bij een groot aantal musea, archieven, bibliotheken en monumenten staat brandbeveiliging niet hoog genoeg op de agenda.
RE: Brandraad woordvoerder Rene Hage heeft in de pers medegedeeld dat aantallen niet bekend zijn.

BR: brandbeveiliging niet hoog genoeg op de agenda
RE: Hoe weet de Brandraad dit? Aantallen zijn, volgens de Raad zelf, niet bekend. Brandbeveiliging staat al jaren zeer hoog op de agenda in heel Nederland waar alle provinciale museumconsulenten in samenwerking met de brandweer de erfgoedbeheerders ondersteunen in hun veiligheidszorg, inclusief brandbeveiliging.

BR: Recente museumbranden zoals in Amersfoort en Steijl kunnen ook elders uitbreken. Onduidelijkheid over verantwoordelijkheden, onvoldoende risicobewustzijn en gebrek aan kennis van preventiemaatregelen behoren tot de belangrijkste oorzaken.
RE: Hoe weet de Brandraad dit? Het onderzoek naar de brand in het Armando Museum loopt nog en de brand in het Schutterijmuseum werd aangestoken. Beide musea voldeden aan de door de brandweer gestelde eisen.

BR: De raad is opgericht naar aanleiding van de branden in het Armando Museum en het Limburgse Schutterijmuseum
RE: de raad werd al twee maanden voor de brand in het Schutterij Museum aangekondigd.

BR: …. doel om brandveiligheid in de erfgoedsector hoger op de maatschappelijke agenda te zetten.
RE: ‘de maatschappelijke agenda (wat een vaag begrip) wordt volgens mij bepaald door wet- en regelgeving. Wanneer het gaat om brandveiligheid zijn het Bouwbesluit en de Bouwverordening, naast de ARBO wet, leidinggevend. Wanneer de Raad vindt dat die regelgeving niet voldoet dan zal men hier duidelijker over moeten zijn en eventueel via een lobby in de Tweede Kamer moeten trachten die regelgeving aan te scherpen.

BR: Door de hoeveelheid betrokken partijen bij brandbeveiliging zoals overheden, erfgoedbeheerders en de brandweer, zijn verantwoordelijkheden niet altijd helder afgebakend.
RE: veranwoordelijkheden zijn heel duidelijk afgebakend via Bouwbesluit en Bouwverordening en de toezichthoudende rol van de brandweer. Het is overigens vreemd dat de brandraad enerzijds beweert dat brandveiligheid niet hoog genoeg staat op de agenda en een paar zinnen verder beweert dat te veel partijen ermee bezig zijn.

BR: Bovendien blijkt dat de aandacht voor brandgevaar in veel gevallen pas wordt aangewakkerd na een incident elders
RE: de Brandraad werd ook opgericht n.a.v. een incident en blijkt zijn conclusies enkel op incidenten te baseren.

BR: Bij het beslissen over een pakket brandpreventiemaatregelen zijn de beheerders van instellingen vaak niet volledig geïnformeerd en laten zij zich soms leiden door vooroordelen.
RE: ‘vaak; niet volledig geïnformeerd: cijfers ontbreken zo deelde de Brandraad zelf mede. Vaak? Vooroordelen: door het ontbreken van enig cijfermateriaal of verwijzingen naar onderzoeken lijkt de Brandraad zelf zich geheel te baseren op vooroordelen.

BR: De raad stelt bijvoorbeeld vast dat de erfgoedsector noodzakelijke preventiemaatregelen zoals sprinklerinstallaties of compartimentering in historische gebouwen niet zelden ten onrechte afwijst op esthetische gronden.
RE: Sprinklers en compartimentering preventiemaatregelen? Hier gaat de brandraad echt in de fout. Sprinklers zijn een blustechniek en niet een preventiemaatregel. Compartimentering is bedoeld om brand zo lang mogelijk in het totale gebouw beheersbaar te houden; dus ook geen preventiemaatregel. Hoe weet de brandraad dat bijvoorbeeld sprinklers op esthetische gronden worden afgewezen? Ik sluit niet uit dat dit in sommige gevallen waar is, maar weet dat net no min zeker als de brandraad. Onderzoeken, cijfers, voorbeelden?

BR: De Brandraad signaleert dat de aandacht voor brandbeveiliging in de erfgoedsector weliswaar groeit, maar dat er nog het nodige te winnen valt.
ER: “weliswaar, maar..” is een volkomen onterechte bagatellisering van de stappen die de erfgoedsector de afgelopen jaren nam. Er is juist heel intensief in heel Nederland aandacht voor brandbeveiliging. Dat er nog het nodige te winnen valt is naar mijn inschatting juist. Echter, voor de brandraad is dat net zo goed een inschatting als het voor mij is.

BR: Het bewustzijn van de risico’s van brand en de kennis over de organisatorische en technische preventiemaatregelen moet hogere prioriteit krijgen bij ieder die verantwoordelijkheid draagt voor het beheer van ons cultureel erfgoed.
ER: zie hiervoor: dat bewustzijn is heel groot. Technische preventiemaatregelen? Waar denkt de brandraad aan? Sprinklers?

BR: Dat betekent ook dat er vooraf heldere veiligheidsdoelen en regels gesteld moeten worden, zodat de verantwoordelijken hierop aangesproken kunnen worden als het misgaat.
ER: heldere doelen en regels: wordt hier bedoeld dat er beleid moet worden geformuleerd? Verantwoordelijken aanspreken als het mis gaat. Dreigend. Kon de brandraad met zijn ‘advisering’ niet concrete zijn?

BR: De toenemende waarde van het Nederlands cultureel erfgoed staat in geen enkele verhouding tot de investeringen die worden gedaan om het erfgoed te beveiligen. Dat aan brandveiligheid een prijskaartje hangt, zou geen hindernis mogen vormen bij het nemen van preventieve maatregelen.
RE: ‘in geen enkele verhouding’? Het wordt eentonig: hoe weet de brandraad dit? Ik weet in ieder geval dat brandveiligheid in de hele Nederlandse erfgoedsector via vele tientallen projecten in samenwerking met de brandweer zeer centraal staat. Prijskaartje mag geen belemmering zijn? Getuigt van weinig realisme. De beschikbaaheid van gelden is altijd bepalend bij het realiseren van plannen. Het is bewonderenswaardig dat de erfgoedsector met beperkte middelen zo veel bereikt heeft, ook op het gebied van brandbeveiliging.
De afgelopen 8 jaar bezocht ik in Nederland beroeshalve circa 300 musea, bibliotheken, archieven, monumenten, kastelen, kerken en molens. Al die bezoeken vonden plaats in het kader van verhoging van risicobewustzijn en kennis van preventiemaatregelen. De tientallen projecten waar ik aan deelnam vonden allemaal plaats in nauwe samenspraak met de brandweer en gemeentelijke rampenbestrijdingsorganisaties. Ik kan, beter dan wie ook, met klem het persbericht van de brandraad tegenspreken. Dit persbericht is op geen enkel onderdeel onderbouwd en vrijwel op alle onderdelen in strijd met de feiten.

Persbericht van de Brandraad’08 is te vinden op:
http://www.brandraad.nl

Deelnemers Brandraad ‘08

• René Hagen, lector brandpreventie bij de Brandweeracademie, onderdeel van
het Nederlands Instituut Fysieke Veiligheid Nibra

• Michel Walhof, voorzitter European Fire Sprinkler Network. Bestuurslid Verenigde
Sprinkler Installateurs en directeur Aqua+

• Nina Duggen, erfgoedinspectie/collecties Den Haag, onderdeel van het
Ministerie OC&W. Bestuurslid sectie veiligheidszorg & facility management
Nederlandse Museumvereniging

• Marcel Hanssen, director risk control Aon Global Risk Consulting R´dam

• Ricardo Weewer, adviseur strategie en innovatie, regionale brandweer
Amsterdam-Amstelland

• Theo Vermeulen, projectmanager Kenniscentrum veiligheid cultureel erfgoed

• Hans Emans, dagvoorzitter van Brandraad ’08. Oud-journalist en tv-producent van
o.a. reconstructies van de rampen in Enschede, Volendam en Schiphol.

Ton Cremers
26 april 2008

April 26th, 2008

Posted In: Geen categorie

Gisteren schreef ik al een reactie op het persbericht van de zogenaamde Brandraad08. Dat bericht is te lezen op:
http://www.museumbeveiliging.com/2008/04/24/sprinklers-voor-de-meeste-musea-absoluut-niet-de-oplossing-persbericht-brandraad08-doet-geen-recht-aan-de-erfgoedsector/

Uit de krantenberichten van vandaag blijkt dat mijn vrees volkomen terecht was. Het dagblad Trouw, diverse provinciale bladen, De Pers en Spits publiceerden artikelen van dezelfde strekking: de musea kennen hun verantwoordelijkheden niet, hebben onvoldoende risico-inzicht en het ontbreekt aan voldoende kennis over preventieve maatregelen. Sommige kranten publiceren letterlijk de tekst uit het persbericht van de Brandraad08 waarin met verwijtende vinger naar de musea gewezen wordt en onder ander de baarlijke nonsens staat dat de brand in het Schutterijmuseum in Steyl veroorzaakt zou zijn door onduidelijke verantwoordelijkheden, onvoldoende risico-inzicht en onvoldoende kennis van preventieve maatregelen. Die brand werd gesticht door een uit een inrichting gevluchte schizofrene man en heeft helemaal niets te maken met tekortkomingen van dat museum. De Brandraad08 trapt hier na naar een geslachtofferd museum.

Geen van de kranten vermeldde dat die Brandraad08 initiatief was van een sprinkler verkoper, Michel Walhof van de firma Aqua. Dat is logisch, want in het persbericht van de Brandraad08 wordt dat, niet zonder reden, slechts zeer marginaal vermeld.

De naam Brandraad is heel slim gekozen. Het doet denken aan namen als Veiligheidsraad, beveiligingsraad, adviesraad e.d. en geeft een zweem van objectiviteit.

Die objectiviteit ontbreekt volledig. Deze Brandraad is niets anders dan een slim initiatief van een verkoopgretige sprinklerhandelaar. Het is hem gelukt vertegenwoordigers uit de erfgoedwereld te strikken voor zijn sprinklerpromotiecampagne. Er is helemaal niets idieels aan die Brandraad en, hier verdient Walhof echt een vette pluim, het is perfect gelukt kosteloos de Brandraad STER-reclame de wereld in te slingeren. Jammer genoeg hebben twee zeer integere, daar bestaat absoluut geen twijfel over, erfgoedprofessionals zich door deze slimme zakentruc om de tuin laten leiden en zich voor het karretje laten spannen van Walhof.

Ik kan me namelijk niet voorstellen dat de Erfgoedinspectie zich conformeert met het diffamerende persbericht van de Brandraad over de erfgoedsector.

Wat is het probleem: Walhof en Rene Hagen (ook lid van de Brandraad en meerdere keren in de pers te lezen afgelopen dagen) hebben werkelijk geen enkel benul van hetgeen zich afspeelt in de erfgoedwereld. Dat blijkt al uit algemeenheden als: “In de sector is veel aandacht voor de aanschaf en restauratie van kunst, maar er bestaat veel onwetendheid over brandpreventie”.

De enige onwetendheid die hier tentoon wordt gespreid is de onwetendheid van Walhof over de erfgoedsector alsof musea, bibliotheken en archieven voortdurend bezig zijn met aankopen en restaureren van (kunst)objecten.

Dat Walhof helemaal niets weet van de erfgoedsector blijkt ook al uit zijn vooroordeel dat er veel onwetendheid is over brandpreventie. Hoe weet hij dat? Hoe hij dat weet was gisteren in Trouw en enkele provinciale dagbladen te lezen waar Brandraadlid Rene Hagen liet weten dat er niets klopt van die kennis over brandbeveiliging in de musea, maar dat “er geen getallen bekend zijn”.

Daarmee is het niveau van de discussie duidelijk geworden. Er zijn geen getallen bekend, maar toch worden er algemene oordelen geformuleerd. Geen beste beurt voor iemand die al zijn mails ondertekent met “Lector Brandacademie”.

Michel Walhof van Aqua stevent zonder enige nuance en zonder enige kennis over de erfgoedwereld recht op zijn bevoordeelde doel af dat het niet pluis is in het museumwereldje.

Het zal duidelijk zijn wie de verlossing kan bieden: sprinklerboer Michel Walhof, directeur van de firma Aqua is de grote verlosser uit de museale onkunde.

Pleit ik hier tegen sprinklers? Degenen die mij kennen weten dat ik me al heel lang verzet tegen alle sprinklervooroordelen. Ik ben helemaal niet tegen het gebruik van sprinklers.

Ik ben er wel op tegen dat een sprinklerverkoper parasiterend op enkele recente branden de hele museumwereld over dezelfde negatieve kam scheert om zijn zaakje te kunnen promoten.

Iedereen die de uitspraken van Walhof en Hagen in de pers leest dient zich af te vragen waar die plotselinge betrokkenheid van twee kennelijke erfgoedleken met de bescherming van cultuurgoed vandaan komt.

Mijn advies aan de musea: grote omzichtigheid betrachten met de ‘advisering’ uit de hoek van iemand die veel belang heeft bij de verkoop van een product.

Ton Cremers
25 april 2008

 

Persbericht van de Brandraad’08 is te vinden op:
http://www.brandraad.nl

Deelnemers Brandraad ‘08

• René Hagen, lector brandpreventie bij de Brandweeracademie, onderdeel van
het Nederlands Instituut Fysieke Veiligheid Nibra

• Michel Walhof, voorzitter European Fire Sprinkler Network. Bestuurslid Verenigde
Sprinkler Installateurs en directeur Aqua+

• Nina Duggen, erfgoedinspectie/collecties Den Haag, onderdeel van het
Ministerie OC&W. Bestuurslid sectie veiligheidszorg & facility management
Nederlandse Museumvereniging

• Marcel Hanssen, director risk control Aon Global Risk Consulting R´dam

• Ricardo Weewer, adviseur strategie en innovatie, regionale brandweer
Amsterdam-Amstelland

• Theo Vermeulen, projectmanager Kenniscentrum veiligheid cultureel erfgoed

• Hans Emans, dagvoorzitter van Brandraad ’08. Oud-journalist en tv-producent van
o.a. reconstructies van de rampen in Enschede, Volendam en Schiphol.

toncremers@museum-security.org
http://www.museum-security.org
http://www.museumbeveiliging.com
http://www.handboekveiligheidszorgmusea.nl

April 25th, 2008

Posted In: Brandraad08, opinie

Zie ook: (Wir)warhoofd Rene Hagen, profeet der lage landen, alias Lou de Palingboer…

—–Oorspronkelijk bericht—–
Van: Ton Cremers (Museum Security Network / MuSeCo) [mailto:museum-security@museum-security.org]
Verzonden: do 4/24/2008 18:55
Aan: ‘Agnes Lamain’; toncremers@museum-security.org; Rene Hagen [NIFV]; duggen@erfgoedinspectie.nl; Theo.Vermeulen@KB.nl; r.weewer@brandweer-amsterdam-amstelland.nl; Marcel_Hanssen@aon.nl
CC: ‘Hans Emans | Emans Media’; ‘Michel Walhof’
Onderwerp: RE: brandraad 08 d.d. 23 april 2008

Beste Mensen,

Heel jammer dat ik gisteren verstek moest laten gaan. Het door jullie uitgegeven persbericht doet geen enkel recht aan de vele tonnen die vanaf 1990 door de overheid en door individuele erfgoedbeheerders zijn geïnvesteerd in de veiligheidszorg, inclusief in de brandbeveiliging.

Aanvankelijk was ik verbolgen over het feit dat op de site van de Brandraad mijn naam niet is vermeld. Dat deed voor mijn gevoel geen recht aan de inspanningen die ik ter voorbereiding op de Brandraad verrichte. Na lezing van het persbericht ben ik eerlijk gezegd blij dat ik op de site noch in het bericht terug te vinden ben.

Zie als bijlage mijn reactie op het persbericht.

Groet,

Ton Cremers

+++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++
From: Rene Hagen [NIFV] [mailto:rene.hagen@nifv.nl]
Sent: Thursday, April 24, 2008 7:26 PM
To: Ton Cremers (Museum Security Network / MuSeCo); Agnes Lamain; toncremers@museum-security.org; duggen@erfgoedinspectie.nl; Theo.Vermeulen@KB.nl; r.weewer@brandweer-amsterdam-amstelland.nl;Marcel_Hanssen@aon.nl
Cc: Hans Emans | Emans Media; Michel Walhof
Subject: RE: brandraad 08 d.d. 23 april 2008

Wat kan iemand snel van mening veranderen. Even googelen en je ziet dat meneer Cremers recent toch heel anders tegen dit onderwerp aankeek. Jammer dat persoonlijke motieven bij sommige mensen belangrijker zijn dan een werkelijke bijdrage te leveren aan de veiligheid. Het niveau van de reactie roept bij mij geen motivatie op om hier nog verder discussie over te voeren.

Iedereen een prettige avond toegewenst,

René Hagen

Lector Brandpreventie

++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++
Geachte Heer Hagen,

Mijn mening is NOOIT anders geweest. Ik heb me ingespannen om vooroordelen tegen sprinklers te ontzenuwen. Dat was alles.

Uw opmerking in Trouw: ,,in het algemeen is er geen aandacht voor de brandveiligheid van het cultureel erfgoed” slaat kant noch wal zeker gezien uw eigen toevoeging dat precieze aantallen niet gegeven kunnen worden. Waar is die opmerking dan op gebaseerd?

In plaats van mij verdacht te maken ware het beter in te gaan op de argumenten in mijn reactie. In die reactie gaf ik een heel uitgebreide opsomming van alle inspanningen die de musea de afgelopen jaren verrichtten.

Het is gewoonweg niet waar dat er in het algemeen geen aandacht zou zijn voor brandveiligheid. Waarom men niet altijd in staat is het gewenste niveau van brandveiligheid te bereiken heb ik ook in mijn tekst duidelijk gemaakt.

In mijn tekst is niet te lezen dat ik tegen sprinklers zou zijn.

Integendeel.

In Museumvisie, het lijfblad van de Museumvereniging, wordt een expert van het NIFV geciteerd die beweerde dat een gasblussysteem in het Armandomuseum veel schade had kunnen voorkomen. Schrijf ik nu naar die expert?

U geeft geen enkele inhoudelijke reactie. Dat deed ik wel. Het ware beter op argumenten in te gaan.

Ik ben zelf nog even aan het googelen gegaan en haalde dit uit mijn eerdere tekst over sprinklers (en vertel mij dan nu maar waar ik van mening veranderd ben):

<k uit: musea en sprinklers: als je bang bent voor waterschade….
http://www.museumbeveiliging.com/sprinklerdiscussie.pdf>

…Iedere keer weer wanneer ik me verzet tegen sprinklervooroordelen krijg ik het verwijt dat ik alle musea vol wil hangen met sprinklers.
Niets is minder waar.

Er zijn vele mogelijkheden… (p. 3) …Onderstaande tekst gaat over sprinklers, maar betekent niet – hopelijk is dat duidelijk – dat sprinklers het exclusieve recht hebben op automatische blussing van brand. (p. 3)

…Iedere keer weer worden dezelfde vooroordelen herhaald en het lijkt vrijwel nutteloos die vooroordelen op basis van argumenten en statistieken te bestrijden. Toch probeer ik het weer in onderstaande tekst. (p. 4)

…Sprinklers een perfecte en altijd doeltreffende techniek? Het antwoord op deze vraag is NEE (p. 4)

…Moeten we nu besluiten alle musea, bibliotheken en archieven te voorzien van sprinklers?

Dat zou net zo absurd zijn als de huidige overtuiging van te velen dat sprinklers nergens moeten worden geïnstalleerd. Sprinklers zijn bedoeld voor het blussen van branden daar waar de kans op brand het grootst is en het beheersbaar houden van branden daar waar brand volgens de risicoanalyse heel moeilijk beheersbaar is wanneer niet heel snel met blussen begonnen wordt (p. 8)

…Je plaatst een sprinklerinstallatie alleen op basis van een zorgvuldige risicoanalyse en natuurlijk tref je zo veel mogelijk preventie maatregelen (p. 8) </k>

Ik blijf bij de formulering dat Sprinklers voor de meeste musea absoluut niet de oplossing zijn om de doodeenvoudige reden dat sprinklers voor de hen niet haalbaar zijn vanwege de beperkte omvang van het gebouw en de zeer beperkte financiën. Die mening wijkt niet af van wat ik eerder vermeld heb.

De mededeling in het persbericht dat onduidelijkheid over verantwoordelijkheden, onvoldoende risicobewustzijn en gebrek aan kennis van preventiemaatregelen behoren tot de belangrijkste oorzaken van brand wordt echt niet ondersteund door de brand in het Schutterijmuseum als voorbeeld te noemen. Die brand is namelijk aangestoken.

Verder: “Dat aan brandveiligheid een prijskaartje hangt zou geen hindernis mogen vormen”.  Dit getuigt van onkunde over het erfgoedveld waar minstens 80% van de organisaties zeer krap bij kas zit en geheel afhankelijk is van onbezoldigde vrijwilligers. Heeft de Brandraad gisteren sponsorplannen geformuleerd?

Dat ‘het niveau van mijn reactie geen motivatie oproept om verder te discussiëren’ zie ik als zwaktebod. Mijn reactie is namelijk niets anders dan een opsomming van feiten en, dat ontken ik niet, grondige kritiek op het persbericht. Blijkbaar is daar gewoon geen antwoord op te geven.

Ton Cremers

Persbericht van de Brandraad’08 is te vinden op:
http://www.brandraad.nl

Deelnemers Brandraad ‘08

• René Hagen, lector brandpreventie bij de Brandweeracademie, onderdeel van
het Nederlands Instituut Fysieke Veiligheid Nibra

• Michel Walhof, voorzitter European Fire Sprinkler Network. Bestuurslid Verenigde
Sprinkler Installateurs en directeur Aqua+

• Nina Duggen, erfgoedinspectie/collecties Den Haag, onderdeel van het
Ministerie OC&W. Bestuurslid sectie veiligheidszorg & facility management
Nederlandse Museumvereniging

• Marcel Hanssen, director risk control Aon Global Risk Consulting R´dam

• Ricardo Weewer, adviseur strategie en innovatie, regionale brandweer
Amsterdam-Amstelland

• Theo Vermeulen, projectmanager Kenniscentrum veiligheid cultureel erfgoed

• Hans Emans, dagvoorzitter van Brandraad ’08. Oud-journalist en tv-producent van
o.a. reconstructies van de rampen in Enschede, Volendam en Schiphol.

April 25th, 2008

Posted In: Brandraad08

Zie ook: (Wir)warhoofd Rene Hagen, profeet der lage landen, alias Lou de Palingboer…

—–Oorspronkelijk bericht—–
Van: Ton Cremers (Museum Security Network / MuSeCo) [mailto:museum-security@museum-security.org]
Verzonden: do 4/24/2008 18:55
Aan: ‘Agnes Lamain’; toncremers@museum-security.org; Rene Hagen [NIFV]; duggen@erfgoedinspectie.nl; Theo.Vermeulen@KB.nl; r.weewer@brandweer-amsterdam-amstelland.nl; Marcel_Hanssen@aon.nl
CC: ‘Hans Emans | Emans Media’; ‘Michel Walhof’
Onderwerp: RE: brandraad 08 d.d. 23 april 2008

Beste Mensen,

Heel jammer dat ik gisteren verstek moest laten gaan. Het door jullie uitgegeven persbericht doet geen enkel recht aan de vele tonnen die vanaf 1990 door de overheid en door individuele erfgoedbeheerders zijn geïnvesteerd in de veiligheidszorg, inclusief in de brandbeveiliging.

Aanvankelijk was ik verbolgen over het feit dat op de site van de Brandraad mijn naam niet is vermeld. Dat deed voor mijn gevoel geen recht aan de inspanningen die ik ter voorbereiding op de Brandraad verrichte. Na lezing van het persbericht ben ik eerlijk gezegd blij dat ik op de site noch in het bericht terug te vinden ben.

Zie als bijlage mijn reactie op het persbericht.

Groet,

Ton Cremers

+++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++
From: Rene Hagen [NIFV] [mailto:rene.hagen@nifv.nl]
Sent: Thursday, April 24, 2008 7:26 PM
To: Ton Cremers (Museum Security Network / MuSeCo); Agnes Lamain; toncremers@museum-security.org; duggen@erfgoedinspectie.nl; Theo.Vermeulen@KB.nl; r.weewer@brandweer-amsterdam-amstelland.nl;Marcel_Hanssen@aon.nl
Cc: Hans Emans | Emans Media; Michel Walhof
Subject: RE: brandraad 08 d.d. 23 april 2008

Wat kan iemand snel van mening veranderen. Even googelen en je ziet dat meneer Cremers recent toch heel anders tegen dit onderwerp aankeek. Jammer dat persoonlijke motieven bij sommige mensen belangrijker zijn dan een werkelijke bijdrage te leveren aan de veiligheid. Het niveau van de reactie roept bij mij geen motivatie op om hier nog verder discussie over te voeren.

Iedereen een prettige avond toegewenst,

René Hagen

Lector Brandpreventie

++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++
Geachte Heer Hagen,

Mijn mening is NOOIT anders geweest. Ik heb me ingespannen om vooroordelen tegen sprinklers te ontzenuwen. Dat was alles.

Uw opmerking in Trouw: ,,in het algemeen is er geen aandacht voor de brandveiligheid van het cultureel erfgoed” slaat kant noch wal zeker gezien uw eigen toevoeging dat precieze aantallen niet gegeven kunnen worden. Waar is die opmerking dan op gebaseerd?

In plaats van mij verdacht te maken ware het beter in te gaan op de argumenten in mijn reactie. In die reactie gaf ik een heel uitgebreide opsomming van alle inspanningen die de musea de afgelopen jaren verrichtten.

Het is gewoonweg niet waar dat er in het algemeen geen aandacht zou zijn voor brandveiligheid. Waarom men niet altijd in staat is het gewenste niveau van brandveiligheid te bereiken heb ik ook in mijn tekst duidelijk gemaakt.

In mijn tekst is niet te lezen dat ik tegen sprinklers zou zijn.

Integendeel.

In Museumvisie, het lijfblad van de Museumvereniging, wordt een expert van het NIFV geciteerd die beweerde dat een gasblussysteem in het Armandomuseum veel schade had kunnen voorkomen. Schrijf ik nu naar die expert?

U geeft geen enkele inhoudelijke reactie. Dat deed ik wel. Het ware beter op argumenten in te gaan.

Ik ben zelf nog even aan het googelen gegaan en haalde dit uit mijn eerdere tekst over sprinklers (en vertel mij dan nu maar waar ik van mening veranderd ben):

<k uit: musea en sprinklers: als je bang bent voor waterschade….
http://www.museumbeveiliging.com/sprinklerdiscussie.pdf>

…Iedere keer weer wanneer ik me verzet tegen sprinklervooroordelen krijg ik het verwijt dat ik alle musea vol wil hangen met sprinklers.
Niets is minder waar.

Er zijn vele mogelijkheden… (p. 3) …Onderstaande tekst gaat over sprinklers, maar betekent niet – hopelijk is dat duidelijk – dat sprinklers het exclusieve recht hebben op automatische blussing van brand. (p. 3)

…Iedere keer weer worden dezelfde vooroordelen herhaald en het lijkt vrijwel nutteloos die vooroordelen op basis van argumenten en statistieken te bestrijden. Toch probeer ik het weer in onderstaande tekst. (p. 4)

…Sprinklers een perfecte en altijd doeltreffende techniek? Het antwoord op deze vraag is NEE (p. 4)

…Moeten we nu besluiten alle musea, bibliotheken en archieven te voorzien van sprinklers?

Dat zou net zo absurd zijn als de huidige overtuiging van te velen dat sprinklers nergens moeten worden geïnstalleerd. Sprinklers zijn bedoeld voor het blussen van branden daar waar de kans op brand het grootst is en het beheersbaar houden van branden daar waar brand volgens de risicoanalyse heel moeilijk beheersbaar is wanneer niet heel snel met blussen begonnen wordt (p. 8)

…Je plaatst een sprinklerinstallatie alleen op basis van een zorgvuldige risicoanalyse en natuurlijk tref je zo veel mogelijk preventie maatregelen (p. 8) </k>

Ik blijf bij de formulering dat Sprinklers voor de meeste musea absoluut niet de oplossing zijn om de doodeenvoudige reden dat sprinklers voor de hen niet haalbaar zijn vanwege de beperkte omvang van het gebouw en de zeer beperkte financiën. Die mening wijkt niet af van wat ik eerder vermeld heb.

De mededeling in het persbericht dat onduidelijkheid over verantwoordelijkheden, onvoldoende risicobewustzijn en gebrek aan kennis van preventiemaatregelen behoren tot de belangrijkste oorzaken van brand wordt echt niet ondersteund door de brand in het Schutterijmuseum als voorbeeld te noemen. Die brand is namelijk aangestoken.

Verder: “Dat aan brandveiligheid een prijskaartje hangt zou geen hindernis mogen vormen”.  Dit getuigt van onkunde over het erfgoedveld waar minstens 80% van de organisaties zeer krap bij kas zit en geheel afhankelijk is van onbezoldigde vrijwilligers. Heeft de Brandraad gisteren sponsorplannen geformuleerd?

Dat ‘het niveau van mijn reactie geen motivatie oproept om verder te discussiëren’ zie ik als zwaktebod. Mijn reactie is namelijk niets anders dan een opsomming van feiten en, dat ontken ik niet, grondige kritiek op het persbericht. Blijkbaar is daar gewoon geen antwoord op te geven.

Ton Cremers

Persbericht van de Brandraad’08 is te vinden op:
http://www.brandraad.nl

Deelnemers Brandraad ‘08

• René Hagen, lector brandpreventie bij de Brandweeracademie, onderdeel van
het Nederlands Instituut Fysieke Veiligheid Nibra

• Michel Walhof, voorzitter European Fire Sprinkler Network. Bestuurslid Verenigde
Sprinkler Installateurs en directeur Aqua+

• Nina Duggen, erfgoedinspectie/collecties Den Haag, onderdeel van het
Ministerie OC&W. Bestuurslid sectie veiligheidszorg & facility management
Nederlandse Museumvereniging

• Marcel Hanssen, director risk control Aon Global Risk Consulting R´dam

• Ricardo Weewer, adviseur strategie en innovatie, regionale brandweer
Amsterdam-Amstelland

• Theo Vermeulen, projectmanager Kenniscentrum veiligheid cultureel erfgoed

• Hans Emans, dagvoorzitter van Brandraad ’08. Oud-journalist en tv-producent van
o.a. reconstructies van de rampen in Enschede, Volendam en Schiphol.

April 25th, 2008

Posted In: Brandraad08

Brandraad’08: namen noch aantallen bekend, maar wel algemene conclusie

25/04/2008 – 06:55Citaat in diverse kranten:

Precieze aantallen en namen van musea kan de raad niet geven, maar ,,in het algemeen is er geen aandacht voor de brandveiligheid van het cultureel erfgoed”, aldus Rene Hagen, lector brandbeveiliging bij de Brandweeracademie.

Oeps: wat staat daar? Namen en aantallen zijn niet bekend, maar algemene conclusies zijn wel te trekken?

Blijkbaar neemt de Brandraad08 zichzelf, maar in ieder geval de lezers van het persbericht, niet serieus.

Ton Cremers

25 april 2008

Persbericht van de Brandraad’08 is te vinden op:
http://www.brandraad.nl

Deelnemers Brandraad ‘08

• René Hagen, lector brandpreventie bij de Brandweeracademie, onderdeel van
het Nederlands Instituut Fysieke Veiligheid Nibra

• Michel Walhof, voorzitter European Fire Sprinkler Network. Bestuurslid Verenigde
Sprinkler Installateurs en directeur Aqua+

• Nina Duggen, erfgoedinspectie/collecties Den Haag, onderdeel van het
Ministerie OC&W. Bestuurslid sectie veiligheidszorg & facility management
Nederlandse Museumvereniging

• Marcel Hanssen, director risk control Aon Global Risk Consulting R´dam

• Ricardo Weewer, adviseur strategie en innovatie, regionale brandweer
Amsterdam-Amstelland

• Theo Vermeulen, projectmanager Kenniscentrum veiligheid cultureel erfgoed

• Hans Emans, dagvoorzitter van Brandraad ’08. Oud-journalist en tv-producent van
o.a. reconstructies van de rampen in Enschede, Volendam en Schiphol.

April 25th, 2008

Posted In: Geen categorie

persbericht Brandraad’08: René Hagen, Lector Brandpreventie, mailt wel maar reageert niet inhoudelijk

25/04/2008 – 17:20

Zie ook: (Wir)warhoofd Rene Hagen, profeet der lage landen, alias Lou de Palingboer…

Beste Mensen,

Heel jammer dat ik gisteren verstek moest laten gaan. Het door jullie uitgegeven persbericht doet geen enkel recht aan de vele tonnen die vanaf 1990 door de overheid en door individuele erfgoedbeheerders zijn geïnvesteerd in de veiligheidszorg, inclusief in de brandbeveiliging.

Aanvankelijk was ik verbolgen over het feit dat op de site van de Brandraad mijn naam niet is vermeld. Dat deed voor mijn gevoel geen recht aan de inspanningen die ik ter voorbereiding op de Brandraad verrichte. Na lezing van het persbericht ben ik eerlijk gezegd blij dat ik op de site noch in het bericht terug te vinden ben.

Zie als bijlage mijn reactie op het persbericht.

Groet,

Ton Cremers

Wat kan iemand snel van mening veranderen. Even googelen en je ziet dat meneer Cremers recent toch heel anders tegen dit onderwerp aankeek. Jammer dat persoonlijke motieven bij sommige mensen belangrijker zijn dan een werkelijke bijdrage te leveren aan de veiligheid. Het niveau van de reactie roept bij mij geen motivatie op om hier nog verder discussie over te voeren.

Iedereen een prettige avond toegewenst,

René Hagen

Lector Brandpreventie

++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++
Geachte Heer Hagen,

Mijn mening is NOOIT anders geweest. Ik heb me ingespannen om vooroordelen tegen sprinklers te ontzenuwen. Dat was alles.

Uw opmerking in Trouw: ,,in het algemeen is er geen aandacht voor de brandveiligheid van het cultureel erfgoed” slaat kant noch wal zeker gezien uw eigen toevoeging dat precieze aantallen niet gegeven kunnen worden. Waar is die opmerking dan op gebaseerd?

In plaats van mij verdacht te maken ware het beter in te gaan op de argumenten in mijn reactie. In die reactie gaf ik een heeluitgebreide opsomming van alle inspanningen die de musea de afgelopen jaren verrichtten.

Het is gewoonweg niet waar dat er in het algemeen geen aandacht zou zijn voor brandveiligheid. Waarom men niet altijd in staat is het gewenste niveau van brandveiligheid te bereiken heb ik ook in mijn tekst duidelijk gemaakt.

In mijn tekst is niet te lezen dat ik tegen sprinklers zou zijn.

Integendeel.

In Museumvisie, het lijfblad van de Museumvereniging, wordt een expert van het NIFV geciteerd die beweerde dat een gasblussysteem in het Armandomuseum veel schade had kunnen voorkomen. Schrijf ik nu naar die expert?

U geeft geen enkele inhoudelijke reactie. Dat deed ik wel. Het ware beter op argumenten in te gaan.

Ik ben zelf nog even aan het googelen gegaan en haalde dit uit mijn eerdere tekst over sprinklers (en vertel mij dan nu maar waar ik van mening veranderd ben):

<k uit: musea en sprinklers: als je bang bent voor waterschade….
http://www.museumbeveiliging.com/sprinklerdiscussie.pdf>

…Iedere keer weer wanneer ik me verzet tegen sprinklervooroordelen krijg ik het verwijt dat ik alle musea vol wil hangen met sprinklers.
Niets is minder waar.

Er zijn vele mogelijkheden… (p. 3) …Onderstaande tekst gaat over sprinklers, maar betekent niet – hopelijk is dat duidelijk – dat sprinklers het exclusieve recht hebben op automatische blussing van brand. (p. 3)

…Iedere keer weer worden dezelfde vooroordelen herhaald en het lijkt vrijwel nutteloos die vooroordelen op basis van argumenten en statistieken te bestrijden. Toch probeer ik het weer in onderstaande tekst. (p. 4)

…Sprinklers een perfecte en altijd doeltreffende techniek? Het antwoord op deze vraag is NEE (p. 4)

…Moeten we nu besluiten alle musea, bibliotheken en archieven te voorzien van sprinklers?

Dat zou net zo absurd zijn als de huidige overtuiging van te velen dat sprinklers nergens moeten worden geïnstalleerd. Sprinklers zijn bedoeld voor het blussen van branden daar waar de kans op brand het grootst is en het beheersbaar houden van branden daar waar brand volgens de risicoanalyse heel moeilijk beheersbaar is wanneer niet heel snel met blussen begonnen wordt (p. 8)

…Je plaatst een sprinklerinstallatie alleen op basis van een zorgvuldige risicoanalyse en natuurlijk tref je zo veel mogelijk preventie maatregelen (p. 8) </k>

Ik blijf bij de formulering dat Sprinklers voor de meeste musea absoluut niet de oplossing zijn om de doodeenvoudige reden dat sprinklers voor de hen niet haalbaar zijn vanwege de beperkte omvang van het gebouw en de zeer beperkte financiën. Die mening wijkt niet af van wat ik eerder vermeld heb.

De mededeling in het persbericht dat onduidelijkheid over verantwoordelijkheden, onvoldoende risicobewustzijn en gebrek aan kennis van preventiemaatregelen behoren tot de belangrijkste oorzaken van brand wordt echt niet ondersteund door de brand in het Schutterijmuseum als voorbeeld te noemen. Die brand is namelijk aangestoken.

Verder: “Dat aan brandveiligheid een prijskaartje hangt zou geen hindernis mogen vormen”.  Dit getuigt van onkunde over het erfgoedveld waar minstens 80% van de organisaties zeer krap bij kas zit en geheel afhankelijk is van onbezoldigde vrijwilligers. Heeft de Brandraad gisteren sponsorplannen geformuleerd?

Dat ‘het niveau van mijn reactie geen motivatie oproept om verder te discussiëren’ zie ik als zwaktebod. Mijn reactie is namelijk niets anders dan een opsomming van feiten en, dat ontken ik niet, grondige kritiek op het persbericht. Blijkbaar is daar gewoon geen antwoord op te geven.

Ton Cremers

Persbericht van de Brandraad’08 is te vinden op:
http://www.brandraad.nl

Deelnemers Brandraad ‘08

• René Hagen, lector brandpreventie bij de Brandweeracademie, onderdeel van
het Nederlands Instituut Fysieke Veiligheid Nibra

• Michel Walhof, voorzitter European Fire Sprinkler Network. Bestuurslid Verenigde
Sprinkler Installateurs en directeur Aqua+

• Nina Duggen, erfgoedinspectie/collecties Den Haag, onderdeel van het
Ministerie OC&W. Bestuurslid sectie veiligheidszorg & facility management
Nederlandse Museumvereniging

• Marcel Hanssen, director risk control Aon Global Risk Consulting R´dam

• Ricardo Weewer, adviseur strategie en innovatie, regionale brandweer
Amsterdam-Amstelland

• Theo Vermeulen, projectmanager Kenniscentrum veiligheid cultureel erfgoed

• Hans Emans, dagvoorzitter van Brandraad ’08. Oud-journalist en tv-producent van
o.a. reconstructies van de rampen in Enschede, Volendam en Schiphol.

April 25th, 2008

Posted In: Geen categorie

Meer over de Brandraad08 en de musea die brandveiligheid niet hoog op de agenda zouden hebben; Brandraad opgezet door sprinklerverkoper.

www.museumbeveiliging.com/2008/04/25/meer-over-de-brandraad08-en-de-musea-die-brandveiligheid-niet-hoog-op-de-agenda-zouden-hebben-brandraad-opgezet-door-sprinklerverkoper/

25/04/2008 – 21:09

Gisteren schreef ik al een reactie op het persbericht van de zogenaamde Brandraad08. Dat bericht is te lezen op:
http://www.museumbeveiliging.com/2008/04/24/sprinklers-voor-de-meeste-musea-absoluut-niet-de-oplossing-persbericht-brandraad08-doet-geen-recht-aan-de-erfgoedsector/

Uit de krantenberichten van vandaag blijkt dat mijn vrees volkomen terecht was. Het dagblad Trouw, diverse provinciale bladen, De Pers en Spits publiceerden artikelen van dezelfde strekking: de musea kennen hun verantwoordelijkheden niet, hebben onvoldoende risico-inzicht en het ontbreekt aan voldoende kennis over preventieve maatregelen. Sommige kranten publiceren letterlijk de tekst uit het persbericht van de Brandraad08 waarin met verwijtende vinger naar de musea gewezen wordt en onder ander de baarlijke nonsens staat dat de brand in het Schutterijmuseum in Steyl veroorzaakt zou zijn door onduidelijke verantwoordelijkheden, onvoldoende risico-inzicht en onvoldoende kennis van preventieve maatregelen. Die brand werd gesticht door een uit een inrichting gevluchte schizofrene man en heeft helemaal niets te maken met tekortkomingen van dat museum. De Brandraad08 trapt hier na naar een geslachtofferd museum.

Geen van de kranten vermeldde dat die Brandraad08 initiatief was van een sprinkler verkoper, Michel Walhof van de firma Aqua. Dat is logisch, want in het persbericht van de Brandraad08 wordt dat, niet zonder reden, slechts zeer marginaal vermeld.

De naam Brandraad is heel slim gekozen. Het doet denken aan namen als Veiligheidsraad, beveiligingsraad, adviesraad e.d. en geeft een zweem van objectiviteit.

Die objectiviteit ontbreekt volledig. Deze Brandraad is niets anders dan een slim initiatief van een verkoopgretige sprinklerhandelaar. Het is hem gelukt vertegenwoordigers uit de erfgoedwereld te strikken voor zijn sprinklerpromotiecampagne. Er is helemaal niets idieels aan die Brandraad en, hier verdient Walhof echt een vette pluim, het is perfect gelukt kosteloos de Brandraad STER-reclame de wereld in te slingeren. Jammer genoeg hebben twee zeer integere, daar bestaat absoluut geen twijfel over, erfgoedprofessionals zich door deze slimme zakentruc om de tuin laten leiden en zich voor het karretje laten spannen van Walhof.

Ik kan me namelijk niet voorstellen dat de Erfgoedinspectie zich conformeert met het diffamerende persbericht van de Brandraad over de erfgoedsector.

Wat is het probleem: Walhof en Rene Hagen (ook lid van de Brandraad en meerdere keren in de pers te lezen afgelopen dagen) hebben werkelijk geen enkel benul van hetgeen zich afspeelt in de erfgoedwereld. Dat blijkt al uit algemeenheden als: “In de sector is veel aandacht voor de aanschaf en restauratie van kunst, maar er bestaat veel onwetendheid over brandpreventie”.

De enige onwetendheid die hier tentoon wordt gespreid is de onwetendheid van Walhof over de erfgoedsector alsof musea, bibliotheken en archieven voortdurend bezig zijn met aankopen en restaureren van (kunst)objecten.

Dat Walhof helemaal niets weet van de erfgoedsector blijkt ook al uit zijn vooroordeel dat er veel onwetendheid is over brandpreventie. Hoe weet hij dat? Hoe hij dat weet was gisteren in Trouw en enkele provinciale dagbladen te lezen waar Brandraadlid Rene Hagen liet weten dat er niets klopt van die kennis over brandbeveiliging in de musea, maar dat “er geen getallen bekend zijn”.

Daarmee is het niveau van de discussie duidelijk geworden. Er zijn geen getallen bekend, maar toch worden er algemene oordelen geformuleerd. Geen beste beurt voor iemand die al zijn mails ondertekent met “Lector Brandacademie”.

Michel Walhof van Aqua stevent zonder enige nuance en zonder enige kennis over de erfgoedwereld recht op zijn bevoordeelde doel af dat het niet pluis is in het museumwereldje.

Het zal duidelijk zijn wie de verlossing kan bieden: sprinklerboer Michel Walhof, directeur van de firma Aqua is de grote verlosser uit de museale onkunde.

Pleit ik hier tegen sprinklers? Degenen die mij kennen weten dat ik me al heel lang verzet tegen alle sprinklervooroordelen. Ik ben helemaal niet tegen het gebruik van sprinklers.

Ik ben er wel op tegen dat een sprinklerverkoper parasiterend op enkele recente branden de hele museumwereld over dezelfde negatieve kam scheert om zijn zaakje te kunnen promoten.

Iedereen die de uitspraken van Walhof en Hagen in de pers leest dient zich af te vragen waar die plotselinge betrokkenheid van twee kennelijke erfgoedleken met de bescherming van cultuurgoed vandaan komt.

Mijn advies aan de musea: grote omzichtigheid betrachten met de ‘advisering’ uit de hoek van iemand die veel belang heeft bij de verkoop van een product.

Ton Cremers
25 april 2008

 

Persbericht van de Brandraad’08 is te vinden op:
http://www.brandraad.nl

Deelnemers Brandraad ‘08

  • René Hagen, lector brandpreventie bij de Brandweeracademie, onderdeel van
    het Nederlands Instituut Fysieke Veiligheid Nibra
  • Michel Walhof, voorzitter European Fire Sprinkler Network. Bestuurslid Verenigde
    Sprinkler Installateurs en directeur Aqua+
  • Nina Duggen, erfgoedinspectie/collecties Den Haag, onderdeel van het
    Ministerie OC&W. Bestuurslid sectie veiligheidszorg & facility management
    Nederlandse Museumvereniging
  • Marcel Hanssen, director risk control Aon Global Risk Consulting R´dam
  • Ricardo Weewer, adviseur strategie en innovatie, regionale brandweer
    Amsterdam-Amstelland
  • Theo Vermeulen, projectmanager Kenniscentrum veiligheid cultureel erfgoed
  • Hans Emans, dagvoorzitter van Brandraad ’08. Oud-journalist en tv-producent van
    o.a. reconstructies van de rampen in Enschede, Volendam en Schiphol.

April 25th, 2008

Posted In: Geen categorie

Citaat in diverse kranten:

Precieze aantallen en namen van musea kan de raad niet geven, maar ,,in het algemeen is er geen aandacht voor de brandveiligheid van het cultureel erfgoed”, aldus Rene Hagen, lector brandbeveiliging bij de Brandweeracademie.

Oeps: wat staat daar? Namen en aantallen zijn niet bekend, maar algemene conclusies zijn wel te trekken?

Blijkbaar neemt de Brandraad08 zichzelf, maar in ieder geval de lezers van het persbericht, niet serieus.

Ton Cremers

25 april 2008

 

Persbericht van de Brandraad’08 is te vinden op:
http://www.brandraad.nl

Deelnemers Brandraad ‘08

• René Hagen, lector brandpreventie bij de Brandweeracademie, onderdeel van
het Nederlands Instituut Fysieke Veiligheid Nibra

• Michel Walhof, voorzitter European Fire Sprinkler Network. Bestuurslid Verenigde
Sprinkler Installateurs en directeur Aqua+

• Nina Duggen, erfgoedinspectie/collecties Den Haag, onderdeel van het
Ministerie OC&W. Bestuurslid sectie veiligheidszorg & facility management
Nederlandse Museumvereniging

• Marcel Hanssen, director risk control Aon Global Risk Consulting R´dam

• Ricardo Weewer, adviseur strategie en innovatie, regionale brandweer
Amsterdam-Amstelland

• Theo Vermeulen, projectmanager Kenniscentrum veiligheid cultureel erfgoed

• Hans Emans, dagvoorzitter van Brandraad ’08. Oud-journalist en tv-producent van
o.a. reconstructies van de rampen in Enschede, Volendam en Schiphol.

April 25th, 2008

Posted In: Brandraad08

WEDEROM: DE SPRINKLERDISCUSSIE

Naar aanleiding van de brand in het Armandomuseum is, mede door opmerkingen van ondergetekende in de pers, een intensieve discussie ontstaan over het nut van sprinklers bij het beperken van brandschade. Die discussie was gelardeerd met vooroordelen over sprinklers. Ik heb mij op mijn site en ook tijdens een door de sectie Veiligheidszorg en Facilitymanagement van de Museumvereniging in Utrecht georganiseerde themabijeenkomst over sprinklers met verve verzet tegen al die vooroordelen. Sprinklers vormen namelijk geen enkele bedreiging, integendeel: sprinklers beperken zowel brand- als waterschade.
Mijn uitgebreide betogen over het nut van sprinklers blijkt, o.a. door een presentatie van zakelijk directeur Hans Buurman van het Gemeentemuseum in Den Haag, tot een nieuw vooroordeel te hebben geleid namelijk dat ik van mening ben dat alle musea van sprinklers zouden moeten worden voorzien. Die mening ben ik allerminst toegedaan. Integendeel zelfs.

BRANDRAAD08

“NEDERLANDSE ERFGOEDSECTOR ONVOLDOENDE BEWUST VAN BRANDRISICO’S

Bij een groot aantal musea, archieven, bibliotheken en monumenten staat brandbeveiliging niet hoog genoeg op de agenda. Recente museumbranden zoals in Amersfoort en Steijl kunnen ook elders uitbreken. Dat concludeert de Brandraad ’08 tijdens haar eerste bijeenkomst op 23 april te Brummen. Onduidelijkheid over verantwoordelijkheden, onvoldoende risicobewustzijn en gebrek aan kennis van preventiemaatregelen behoren tot de belangrijkste oorzaken.”

De brand in het Armandomuseum genereerde nog een ander initiatief: de Brandraad08 (de naam doet vermoeden dat er ook eerdere Brandraden zijn geweest, maar dat is niet zo). Dat initiatief werd ontplooid door een van de grootste sprinklerleveranciers van Nederland, de firma Aqua. Om een vinger aan de pols te houden, een initiatief door een sprinklerleverancier naar aanleiding van de brand in het Armandomuseum en de daaropvolgende publieke discussie lijkt namelijk niet gespeend van zakelijke belangen, nam ik deel aan de voorbereiding van die Brandraad. Er is overigens geen enkel principieel bezwaar tegen dit initiatief door een bedrijf dat belang heeft bij positieve berichtgeving over sprinklers. Het gaat immers om de goede zaak: beperken van brandschade. De Brandraad08 vond op 23 april plaats in Brummen. De deelnemers aan die Brandraad publiceerden na afloop van de bijeenkomst een persbericht onder de titel “Nederlandse erfgoedsector onvoldoende bewust van brandrisico’s”.

Dat persbericht kan niet zonder reactie kan blijven.

Volgens het persbericht staat brandbeveiliging bij archieven, bibliotheken en monumenten niet hoog genoeg op de agenda. Een vooroordeel en een veroordeling die volkomen onterecht zijn.

De Archiefwet uit 1995 en het archiefbesluit van 2001 schrijven heel nadrukkelijk brandpreventie maatregelen voor. Zo moeten archiefbewaarplaatsen voorzien zijn van compartimenten met een brandwerendheid van minimaal twee uur en schrijft het Archiefbesluit bij compartimenten groter dan 1000 vierkante meter zelfs dwingend de installatie van sprinklers voor.

Er zijn in Nederland ongeveer 1200 musea. We hebben daarmee een museumdichtheid die in Europa slechts door Finland overtroffen wordt. Van die musea zijn 350 lid van de Museumvereniging. Er zijn op het moment 371 musea opgenomen in het Museumregister. Van die 371 zijn, dat geschiedt iedere vijf jaar, 111 musea herijkt. Om opgenomen te worden in het Museumregister dienen musea te voldoen aan criteria op het gebied van collectieregistratie, financieel beheer, duurzaam behoud en beheer van de collectie, publiekstaken en veiligheidszorg.

De meeste musea in Nederland zijn kleine tot zeer kleine organisaties. Vele van die organisaties ‘draaien’ geheel op de inzet van vrijwilligers en moeten werken met zeer beperkte budgetten.

Volgens de Brandraad hangt “aan brandveiligheid een prijskaartje”, maar dat “zou geen hindernis mogen vormen bij het nemen van preventieve maatregelen”. Een statement die van wel heel weinig realiteitszin getuigt.

Volgens het persbericht van de Brandraad is er in de culturele sector “onduidelijkheid over verantwoordelijkheden, onvoldoende risicobewustzijn en gebrek aan kennis van preventiemaatregelen”. Deze tekortkomingen zouden de oorzaak zijn van branden die plaatsvonden.

Dus: musea, archieven en bibliotheken weten niet wie het voor het zeggen heeft,  niet wat de risico’s zijn en te weinig kennis over preventie. Branden zijn daar het gevolg van. Het is nogal wat.

Een verwijt dat niet alleen ongefundeerd is, maar ook haaks staat op de vele stappen die sinds begin jaren negentig gezet zijn om de veiligheidszorg te verbeteren.

1. Begin jaren negentig deed het toenmalige Centraal Laboratorium (tegenwoordig het Instituut Collectie Nederland) een uitgebreid onderzoek naar het risicobeheer in de Nederlandse musea. Dat onderzoek werd afgesloten met een druk bezocht symposium in het Rijksmuseum te Amsterdam onder de titel Voor het kalf verdronken is. Bij dat symposium werd een handleiding voor het maken van calamiteitenplannen gepubliceerd onder dezelfde titel. Die zeer zorgvuldige en grondige handleiding is meerdere jaren DE handleiding geweest en feitelijk de onderlegger voor latere projecten. Het brandrisico speelde een centrale rol bij dit symposium en deze publicatie.

2. Maart 1992 liet het Ministerie van Justitie door Olav Etman en Nelleke Eelman een studie verrichten naar de Veiligheidszorg in Nederlandse Musea. Mei 1993 werd die indrukwekkende rapportage gevolgd door een vergelijkende studie: Veiligheidszorg in Vlaamse, Britse en Nederlandse Musea. Het brandrisico kwam in beide studies uitgebreid aan bod.

3. In 1994 schreef brandweercommandant Herman Meuleman, op basis van vele in de museumwereld gevoerde gesprekken de scriptie: BRANDVEILIGHEID CULTUREEL ROEREND ERFGOED. Deze scriptie is geschreven voor meerdere doelgroepen. Vooral diegenen die te maken hebben of kunnen krijgen met de twee centrale thema’s: unieke en waardevolle collecties en brand. Daarom wordt in deze scriptie ruim aandacht besteed aan het brandveiligheidsbeleid in musea en de rol van de brandweer. Herman Meuleman schrijft in zijn voorwoord:

“De keuze voor dit onderwerp komt voort uit een persoonlijke belangstelling voor het culturele roerende erfgoed en kunstcollecties in het bijzonder. De directe aanleiding was de aankoop door de Nederlandse Staat van de Victory Boogie-Woogie van Mondriaan waarvoor 16 miljoen erfgenamen vijf gulden per persoon betaalden. Vanuit mijn huidige beroep als brandweerofficier rees gelijk de vraag in welke mate onze kunstcollecties beschermd zijn tegen de gevolgen van een brand?”

De Brandraadleden hebben deze scriptie van mij toegestuurd gekregen. In het persbericht wordt de uitdrukking ’16 miljoen erfgenamen’ zonder bronvermelding opgenomen.

4. In maart 1997 publiceerde de Nederlandse Museumvereniging het Handboek Veiligheidszorg Musea en het softwareprogramma MUSAVE, de MUseum Standaard Audit VEiligheidszorg. In de ontwikkeling van dat handboek en het softwareprogramma investeerde de Nederlandse overheid (de ministeries van Binnenlandse Zaken, Justitie en Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen), meer dan honderdduizend gulden. In 2000 verscheen de tweede editie van MUSAVE. Zelfs internationaal trok dit programma veel aandacht en in de USA is, in samenwerking met ondergetekende, gewerkt aan een Amerikaanse editie. Ook in dit handboek en MUSAVE komt het brandrisico uitgebreid aan bod.

5. In het jaar 2000 verscheen van de hand van Hanna Pennock, inspecteur bij de toenmalige Inspectie Cultuurbezit (huidige naam Erfgoedinspectie) een studie over het Risicobeheer in twintig verzelfstandigde rijksmusea, een inventarisatie. De systematiek van deze gemakkelijk leesbare studie vormt feitelijk een handleiding voor alle musea bij de opzet van hun risicobeheer. De studie van Pennock verdient daarmee zonder meer de status ‘standaard’. Aan het brandrisico wordt in deze studie, hoe kan het ook anders, veel aandacht besteed.

6. In 2002 kwam de zogenaamde Haagse Pilot tot stand. In die Pilot, opgezet door het Instituut Collectie Nederland, werkten 18 Haagse musea, bibliotheken, archieven en de Tweede Kamer als beheerder van een kunstcollectie aan hun calamiteitenplannen. Ter afsluiting van de Haagse Pilot vond in het Provinciehuis van Den Haag een tweedaags symposium plaats onder de naam Glamour for Safety and Security. Aan dat symposium nam een brede vertegenwoordiging uit de Nederlandse, Belgische en Duitse erfgoedwereld deel. Sprekers kwamen uit Nederland, Duitsland en de USA. De spreker uit de USA was de New Yorkse brandweerman Joe Torillo die een studie naar branden in Amerikaanse musea en bibliotheken presenteerde.

7. De Haagse Pilot werd opgevolgd door overeenkomstige projecten in Delft, Leiden, Rotterdam, Antwerpen en Mechelen. Sinds drie jaar vinden door heel Nederland (en België) projecten plaats op basis van de voorbeelden uit Den Haag etc. In die ruim 40 projecten werken honderden erfgoedbeheerders in samenwerking met de brandweer en gemeentelijke rampenbestrijdingsafdelingen aan hun risicobeheer, inclusief brandpreventie. Deze projecten worden aangestuurd door de provinciale museumconsulenten en via de Mondriaanstichting gefinancierd door het Ministerie van OCW, door provinciale en gemeentelijke overheden en waar nodig dragen de deelnemers zelf hun financiële steentje bij. Bij die projecten krijgen de deelnemers niet alleen een uitgebreide documentatiemap en de nodige software bestanden, maar ook het door het Instituut Collecte Nederland gepubliceerde boek: Handleiding voor het maken van een calamiteitenplan voor collectiebeherende instellingen (aangezien het ICN een onderdeel is van het Ministerie van OCW is ook die publicatie door dat ministerie bekostigd).

8. Mogelijk in de marge, maar sinds 1996 draagt ook de Nederlandse website Museum Security Network bij aan de bewustwording van de risico’s waarmee de (Nederlandse) musea worden geconfronteerd.

9. Verder worden er in heel Nederland sinds drie jaar, ook weer door het Ministerie van OCW via de Mondriaanstichting gefinancierd, door experts risicoanalyses verricht in musea, archieven, bibliotheken en kerken. Het brandrisico maakt, vanzelfsprekend, van al die analyses onderdeel uit.

10. Sinds twee jaar loopt onder de naam DICE (Database Incidenten Cultureel Erfgoed) een proef met centrale registratie van incidenten in de erfgoedwereld. Ook dit initiatief wordt bekostigd door het Ministerie van OCW. Een van de risico’s die in de vragenlijst aan bod komen: brand.

11. Vanaf januari dit jaar, ook weer dankzij gelden van het Ministerie van OCW, wordt bij de Koninklijke Bibliotheek gewerkt aan de oprichting van een Kenniscentrum Veiligheid Cultureel Erfgoed. Het kan niet anders of dit Kenniscentrum zal aandacht besteden aan het risico brand.

“Niet hoog genoeg op de agenda”?

Al vele jaren staat veiligheidszorg en de zorg om brand zeer hoog op de agenda. Dat zich recent twee branden in musea voordeden zegt helemaal niets over de positie van brandveiligheid op de agenda. Het risicobeheer in de erfgoedsector, inclusief brand, staat al vanaf begin jaren negentig, en bij voortduring, op de agenda. Het wekt verbazing dat een dergelijke conclusie na een middag vergaderen via een persbericht de wereld in is gestuurd. De schrijver van dat persbericht had veel beter zijn huiswerk moeten doen en had moeten onderzoeken wat de werkelijke status is van de veiligheidszorg in de Nederlandse erfgoedsector en de aanzienlijke investeringen die gedaan zijn.

Volgens het persbericht van de Brandraad staat de toenemende waarde van het Nederlandse culturele erfgoed in geen enkele verhouding tot de investeringen die worden gedaan om dat erfgoed te beveiligen. Deze conclusie is ongefundeerd en slaat kant noch wal. Er zijn de afgelopen 15 jaar door de overheid en de instellingen vele tonnen geïnvesteerd in de veiligheidszorg van de Nederlandse erfgoedsector. Diverse nieuw gebouwde musea en archieven zijn voorzien van sprinklers en het risico brand staat zeer hoog op de agenda.De individuele spelers in die erfgoedsector spannen zich al jaren in om de veiligheidzorg op een hoger niveau te brengen. Het lijkt erop dat de initiator van de Brandraad08 met grote stappen snel thuis wilde zijn en slechts aanstuurde op het promoten van de eigen winkel.

SPRINKLERS VOOR DE MEESTE MUSEA ABSOLUUT NIET DE OPLOSSING

Zoals boven al omschreven bestaat het merendeel van de Nederlandse musea uit kleine tot zeer kleine organisaties. In het rapport van Etman en Eelman uit 1992 worden de Nederlandse musea in ‘grote’ en kleine organisaties ingedeeld. Een museum wordt ‘groot’ genoemd wanneer er meer dan 15 formatieplaatsen zijn. Een basisinstallatie voor sprinklers kost circa € 30.000,00. Dit staat nog los van het leidingennetwerk en de aanzienlijke investeringen voor de installatie in bestaande gebouwen en de complexiteit van die installatie. Daarnaast zijn er nog de jaarlijks terugkerende kosten voor onderhoud. Voor de meeste musea zijn deze kosten niet te betalen.

In mijn presentatie op de sprinkler themabijeenkomst besteedde ik bij de inleiding aandacht aan brandpreventieve maatregelen zoals compartimentering, gebruik van brandwerende materialen, organisatorische maatregelen, brandsignalering en een adequate respons op beginnende brand. Wat dat betreft verschillen Hans Buurman en ik niet van mening (als we überhaupt al van mening verschillen).

Er bestaan geen technische bezwaren tegen sprinklers. In de afgelopen 100 jaar is aangetoond dat automatische blussing door sprinklers heel veel schade kan voorkomen.

Ik blijf bij mijn standpunt, zonder enig verwijt aan dat museum, dat dit ook had gegolden voor het nu afgebrande Armandomuseum. Ik zou het niet in mijn hoofd halen die brand te wijten aan onduidelijkheid over verantwoordelijkheden, onvoldoende risicobewustzijn en gebrek aan kennis over preventiemaatregelen. In dat museum waren de nodige preventiemaatregelen (brandwerende compartimentering) genomen en er was een conform de NEN 2535 gecertificeerde brandmeldinstallatie. Er werd bij de verbouwing van kerk tot museum voldoende aandacht besteed aan brandpreventie.

De musea, archieven en bibliotheken zijn absoluut niet geholpen met een Brandraad die in zijn persbericht de beschuldigende vinger wijst naar de erfgoedsector dat brandbeveiliging niet hoog genoeg op de agenda staat. Dat doet geen recht aan alle investeringen, in geld en energie, die de afgelopen jaren zijn gedaan in het verbeteren van de veiligheidszorg.

Zijn er dan geen verbeterpunten? Natuurlijk wel. Die zijn er altijd. Automatische blussing van brand kan onder bepaalde condities tot die verbetermogelijkheden horen.

Ton Cremers
24 april 2008

 

Persbericht van de Brandraad’08 is te vinden op:
http://www.brandraad.nl

Deelnemers Brandraad ‘08

• René Hagen, lector brandpreventie bij de Brandweeracademie, onderdeel van
het Nederlands Instituut Fysieke Veiligheid Nibra

• Michel Walhof, voorzitter European Fire Sprinkler Network. Bestuurslid Verenigde
Sprinkler Installateurs en directeur Aqua+

• Nina Duggen, erfgoedinspectie/collecties Den Haag, onderdeel van het
Ministerie OC&W. Bestuurslid sectie veiligheidszorg & facility management
Nederlandse Museumvereniging

• Marcel Hanssen, director risk control Aon Global Risk Consulting R´dam

• Ricardo Weewer, adviseur strategie en innovatie, regionale brandweer
Amsterdam-Amstelland

• Theo Vermeulen, projectmanager Kenniscentrum veiligheid cultureel erfgoed

• Hans Emans, dagvoorzitter van Brandraad ’08. Oud-journalist en tv-producent van
o.a. reconstructies van de rampen in Enschede, Volendam en Schiphol.

http://www.museum-security.org

http://www.museumbeveiliging.com

http://www.handboekveiligheidszorgmusea.nl

April 24th, 2008

Posted In: Brandraad08, sprinklers

SPRINKLERS VOOR DE MEESTE MUSEA ABSOLUUT NIET DE OPLOSSING (persbericht Brandraad08 doet geen recht aan de erfgoedsector)

www.museumbeveiliging.com/2008/04/24/sprinklers-voor-de-meeste-musea-absoluut-niet-de-oplossing-persbericht-brandraad08-doet-geen-recht-aan-de-erfgoedsector/

24/04/2008 – 18:11WEDEROM: DE SPRINKLERDISCUSSIE

Naar aanleiding van de brand in het Armandomuseum is, mede door opmerkingen van ondergetekende in de pers, een intensieve discussie ontstaan over het nut van sprinklers bij het beperken van brandschade. Die discussie was gelardeerd met vooroordelen over sprinklers. Ik heb mij op mijn site en ook tijdens een door de sectie Veiligheidszorg en Facilitymanagement van de Museumvereniging in Utrecht georganiseerde themabijeenkomst over sprinklers met verve verzet tegen al die vooroordelen. Sprinklers vormen namelijk geen enkele bedreiging, integendeel: sprinklers beperken zowel brand- als waterschade.
Mijn uitgebreide betogen over het nut van sprinklers blijkt, o.a. door een presentatie van zakelijk directeur Hans Buurman van het Gemeentemuseum in Den Haag, tot een nieuw vooroordeel te hebben geleid namelijk dat ik van mening ben dat alle musea van sprinklers zouden moeten worden voorzien. Die mening ben ik allerminst toegedaan. Integendeel zelfs.

BRANDRAAD08

“NEDERLANDSE ERFGOEDSECTOR ONVOLDOENDE BEWUST VAN BRANDRISICO’S

Bij een groot aantal musea, archieven, bibliotheken en monumenten staat brandbeveiliging niet hoog genoeg op de agenda. Recente museumbranden zoals in Amersfoort en Steijl kunnen ook elders uitbreken. Dat concludeert de Brandraad ’08 tijdens haar eerste bijeenkomst op 23 april te Brummen. Onduidelijkheid over verantwoordelijkheden, onvoldoende risicobewustzijn en gebrek aan kennis van preventiemaatregelen behoren tot de belangrijkste oorzaken.”

De brand in het Armandomuseum genereerde nog een ander initiatief: de Brandraad08 (de naam doet vermoeden dat er ook eerdere Brandraden zijn geweest, maar dat is niet zo). Dat initiatief werd ontplooid door een van de grootste sprinklerleveranciers van Nederland, de firma Aqua. Om een vinger aan de pols te houden, een initiatief door een sprinklerleverancier naar aanleiding van de brand in het Armandomuseum en de daaropvolgende publieke discussie lijkt namelijk niet gespeend van zakelijke belangen, nam ik deel aan de voorbereiding van die Brandraad. Er is overigens geen enkel principieel bezwaar tegen dit initiatief door een bedrijf dat belang heeft bij positieve berichtgeving over sprinklers. Het gaat immers om de goede zaak: beperken van brandschade. De Brandraad08 vond op 23 april plaats in Brummen. De deelnemers aan die Brandraad publiceerden na afloop van de bijeenkomst een persbericht onder de titel “Nederlandse erfgoedsector onvoldoende bewust van brandrisico’s”.

Dat persbericht kan niet zonder reactie kan blijven.

Volgens het persbericht staat brandbeveiliging bij archieven, bibliotheken en monumenten niet hoog genoeg op de agenda. Een vooroordeel en een veroordeling die volkomen onterecht zijn.

De Archiefwet uit 1995 en het archiefbesluit van 2001 schrijven heel nadrukkelijk brandpreventie maatregelen voor. Zo moeten archiefbewaarplaatsen voorzien zijn van compartimenten met een brandwerendheid van minimaal twee uur en schrijft het Archiefbesluit bij compartimenten groter dan 1000 vierkante meter zelfs dwingend de installatie van sprinklers voor.

Er zijn in Nederland ongeveer 1200 musea. We hebben daarmee een museumdichtheid die in Europa slechts door Finland overtroffen wordt. Van die musea zijn 350 lid van de Museumvereniging. Er zijn op het moment 371 musea opgenomen in het Museumregister. Van die 371 zijn, dat geschiedt iedere vijf jaar, 111 musea herijkt. Om opgenomen te worden in het Museumregister dienen musea te voldoen aan criteria op het gebied van collectieregistratie, financieel beheer, duurzaam behoud en beheer van de collectie, publiekstaken en veiligheidszorg.

De meeste musea in Nederland zijn kleine tot zeer kleine organisaties. Vele van die organisaties ‘draaien’ geheel op de inzet van vrijwilligers en moeten werken met zeer beperkte budgetten.

Volgens de Brandraad hangt “aan brandveiligheid een prijskaartje”, maar dat “zou geen hindernis mogen vormen bij het nemen van preventieve maatregelen”. Een statement die van wel heel weinig realiteitszin getuigt.

Volgens het persbericht van de Brandraad is er in de culturele sector “onduidelijkheid over verantwoordelijkheden, onvoldoende risicobewustzijn en gebrek aan kennis van preventiemaatregelen”. Deze tekortkomingen zouden de oorzaak zijn van branden die plaatsvonden.

Dus: musea, archieven en bibliotheken weten niet wie het voor het zeggen heeft,  niet wat de risico’s zijn en te weinig kennis over preventie. Branden zijn daar het gevolg van. Het is nogal wat.

Een verwijt dat niet alleen ongefundeerd is, maar ook haaks staat op de vele stappen die sinds begin jaren negentig gezet zijn om de veiligheidszorg te verbeteren.

1. Begin jaren negentig deed het toenmalige Centraal Laboratorium (tegenwoordig het Instituut Collectie Nederland) een uitgebreid onderzoek naar het risicobeheer in de Nederlandse musea. Dat onderzoek werd afgesloten met een druk bezocht symposium in het Rijksmuseum te Amsterdam onder de titel Voor het kalf verdronken is. Bij dat symposium werd een handleiding voor het maken van calamiteitenplannen gepubliceerd onder dezelfde titel. Die zeer zorgvuldige en grondige handleiding is meerdere jaren DE handleiding geweest en feitelijk de onderlegger voor latere projecten. Het brandrisico speelde een centrale rol bij dit symposium en deze publicatie.

2. Maart 1992 liet het Ministerie van Justitie door Olav Etman en Nelleke Eelman een studie verrichten naar de Veiligheidszorg in Nederlandse Musea. Mei 1993 werd die indrukwekkende rapportage gevolgd door een vergelijkende studie: Veiligheidszorg in Vlaamse, Britse en Nederlandse Musea. Het brandrisico kwam in beide studies uitgebreid aan bod.

3. In 1994 schreef brandweercommandant Herman Meuleman, op basis van vele in de museumwereld gevoerde gesprekken de scriptie: BRANDVEILIGHEID CULTUREEL ROEREND ERFGOED. Deze scriptie is geschreven voor meerdere doelgroepen. Vooral diegenen die te maken hebben of kunnen krijgen met de twee centrale thema’s: unieke en waardevolle collecties en brand. Daarom wordt in deze scriptie ruim aandacht besteed aan het brandveiligheidsbeleid in musea en de rol van de brandweer. Herman Meuleman schrijft in zijn voorwoord:

“De keuze voor dit onderwerp komt voort uit een persoonlijke belangstelling voor het culturele roerende erfgoed en kunstcollecties in het bijzonder. De directe aanleiding was de aankoop door de Nederlandse Staat van de Victory Boogie-Woogie van Mondriaan waarvoor 16 miljoen erfgenamen vijf gulden per persoon betaalden. Vanuit mijn huidige beroep als brandweerofficier rees gelijk de vraag in welke mate onze kunstcollecties beschermd zijn tegen de gevolgen van een brand?”

De Brandraadleden hebben deze scriptie van mij toegestuurd gekregen. In het persbericht wordt de uitdrukking ’16 miljoen erfgenamen’ zonder bronvermelding opgenomen.

4. In maart 1997 publiceerde de Nederlandse Museumvereniging het Handboek Veiligheidszorg Musea en het softwareprogramma MUSAVE, de MUseum Standaard Audit VEiligheidszorg. In de ontwikkeling van dat handboek en het softwareprogramma investeerde de Nederlandse overheid (de ministeries van Binnenlandse Zaken, Justitie en Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen), meer dan honderdduizend gulden. In 2000 verscheen de tweede editie van MUSAVE. Zelfs internationaal trok dit programma veel aandacht en in de USA is, in samenwerking met ondergetekende, gewerkt aan een Amerikaanse editie. Ook in dit handboek en MUSAVE komt het brandrisico uitgebreid aan bod.

5. In het jaar 2000 verscheen van de hand van Hanna Pennock, inspecteur bij de toenmalige Inspectie Cultuurbezit (huidige naam Erfgoedinspectie) een studie over het Risicobeheer in twintig verzelfstandigde rijksmusea, een inventarisatie. De systematiek van deze gemakkelijk leesbare studie vormt feitelijk een handleiding voor alle musea bij de opzet van hun risicobeheer. De studie van Pennock verdient daarmee zonder meer de status ‘standaard’. Aan het brandrisico wordt in deze studie, hoe kan het ook anders, veel aandacht besteed.

6. In 2002 kwam de zogenaamde Haagse Pilot tot stand. In die Pilot, opgezet door het Instituut Collectie Nederland, werkten 18 Haagse musea, bibliotheken, archieven en de Tweede Kamer als beheerder van een kunstcollectie aan hun calamiteitenplannen. Ter afsluiting van de Haagse Pilot vond in het Provinciehuis van Den Haag een tweedaags symposium plaats onder de naam Glamour for Safety and Security. Aan dat symposium nam een brede vertegenwoordiging uit de Nederlandse, Belgische en Duitse erfgoedwereld deel. Sprekers kwamen uit Nederland, Duitsland en de USA. De spreker uit de USA was de New Yorkse brandweerman Joe Torillo die een studie naar branden in Amerikaanse musea en bibliotheken presenteerde.

7. De Haagse Pilot werd opgevolgd door overeenkomstige projecten in Delft, Leiden, Rotterdam, Antwerpen en Mechelen. Sinds drie jaar vinden door heel Nederland (en België) projecten plaats op basis van de voorbeelden uit Den Haag etc. In die ruim 40 projecten werken honderden erfgoedbeheerders in samenwerking met de brandweer en gemeentelijke rampenbestrijdingsafdelingen aan hun risicobeheer, inclusief brandpreventie. Deze projecten worden aangestuurd door de provinciale museumconsulenten en via de Mondriaanstichting gefinancierd door het Ministerie van OCW, door provinciale en gemeentelijke overheden en waar nodig dragen de deelnemers zelf hun financiële steentje bij. Bij die projecten krijgen de deelnemers niet alleen een uitgebreide documentatiemap en de nodige software bestanden, maar ook het door het Instituut Collecte Nederland gepubliceerde boek: Handleiding voor het maken van een calamiteitenplan voor collectiebeherende instellingen (aangezien het ICN een onderdeel is van het Ministerie van OCW is ook die publicatie door dat ministerie bekostigd).

8. Mogelijk in de marge, maar sinds 1996 draagt ook de Nederlandse website Museum Security Network bij aan de bewustwording van de risico’s waarmee de (Nederlandse) musea worden geconfronteerd.

9. Verder worden er in heel Nederland sinds drie jaar, ook weer door het Ministerie van OCW via de Mondriaanstichting gefinancierd, door experts risicoanalyses verricht in musea, archieven, bibliotheken en kerken. Het brandrisico maakt, vanzelfsprekend, van al die analyses onderdeel uit.

10. Sinds twee jaar loopt onder de naam DICE (Database Incidenten Cultureel Erfgoed) een proef met centrale registratie van incidenten in de erfgoedwereld. Ook dit initiatief wordt bekostigd door het Ministerie van OCW. Een van de risico’s die in de vragenlijst aan bod komen: brand.

11. Vanaf januari dit jaar, ook weer dankzij gelden van het Ministerie van OCW, wordt bij de Koninklijke Bibliotheek gewerkt aan de oprichting van een Kenniscentrum Veiligheid Cultureel Erfgoed. Het kan niet anders of dit Kenniscentrum zal aandacht besteden aan het risico brand.

“Niet hoog genoeg op de agenda”?

Al vele jaren staat veiligheidszorg en de zorg om brand zeer hoog op de agenda. Dat zich recent twee branden in musea voordeden zegt helemaal niets over de positie van brandveiligheid op de agenda. Het risicobeheer in de erfgoedsector, inclusief brand, staat al vanaf begin jaren negentig, en bij voortduring, op de agenda. Het wekt verbazing dat een dergelijke conclusie na een middag vergaderen via een persbericht de wereld in is gestuurd. De schrijver van dat persbericht had veel beter zijn huiswerk moeten doen en had moeten onderzoeken wat de werkelijke status is van de veiligheidszorg in de Nederlandse erfgoedsector en de aanzienlijke investeringen die gedaan zijn.

Volgens het persbericht van de Brandraad staat de toenemende waarde van het Nederlandse culturele erfgoed in geen enkele verhouding tot de investeringen die worden gedaan om dat erfgoed te beveiligen. Deze conclusie is ongefundeerd en slaat kant noch wal. Er zijn de afgelopen 15 jaar door de overheid en de instellingen vele tonnen geïnvesteerd in de veiligheidszorg van de Nederlandse erfgoedsector. Diverse nieuw gebouwde musea en archieven zijn voorzien van sprinklers en het risico brand staat zeer hoog op de agenda.De individuele spelers in die erfgoedsector spannen zich al jaren in om de veiligheidzorg op een hoger niveau te brengen. Het lijkt erop dat de initiator van de Brandraad08 met grote stappen snel thuis wilde zijn en slechts aanstuurde op het promoten van de eigen winkel.

SPRINKLERS VOOR DE MEESTE MUSEA ABSOLUUT NIET DE OPLOSSING

Zoals boven al omschreven bestaat het merendeel van de Nederlandse musea uit kleine tot zeer kleine organisaties. In het rapport van Etman en Eelman uit 1992 worden de Nederlandse musea in ‘grote’ en kleine organisaties ingedeeld. Een museum wordt ‘groot’ genoemd wanneer er meer dan 15 formatieplaatsen zijn. Een basisinstallatie voor sprinklers kost circa € 30.000,00. Dit staat nog los van het leidingennetwerk en de aanzienlijke investeringen voor de installatie in bestaande gebouwen en de complexiteit van die installatie. Daarnaast zijn er nog de jaarlijks terugkerende kosten voor onderhoud. Voor de meeste musea zijn deze kosten niet te betalen.

In mijn presentatie op de sprinkler themabijeenkomst besteedde ik bij de inleiding aandacht aan brandpreventieve maatregelen zoals compartimentering, gebruik van brandwerende materialen, organisatorische maatregelen, brandsignalering en een adequate respons op beginnende brand. Wat dat betreft verschillen Hans Buurman en ik niet van mening (als we überhaupt al van mening verschillen).

Er bestaan geen technische bezwaren tegen sprinklers. In de afgelopen 100 jaar is aangetoond dat automatische blussing door sprinklers heel veel schade kan voorkomen.

Ik blijf bij mijn standpunt, zonder enig verwijt aan dat museum, dat dit ook had gegolden voor het nu afgebrande Armandomuseum. Ik zou het niet in mijn hoofd halen die brand te wijten aan onduidelijkheid over verantwoordelijkheden, onvoldoende risicobewustzijn en gebrek aan kennis over preventiemaatregelen. In dat museum waren de nodige preventiemaatregelen (brandwerende compartimentering) genomen en er was een conform de NEN 2535 gecertificeerde brandmeldinstallatie. Er werd bij de verbouwing van kerk tot museum voldoende aandacht besteed aan brandpreventie.

De musea, archieven en bibliotheken zijn absoluut niet geholpen met een Brandraad die in zijn persbericht de beschuldigende vinger wijst naar de erfgoedsector dat brandbeveiliging niet hoog genoeg op de agenda staat. Dat doet geen recht aan alle investeringen, in geld en energie, die de afgelopen jaren zijn gedaan in het verbeteren van de veiligheidszorg.

Zijn er dan geen verbeterpunten? Natuurlijk wel. Die zijn er altijd. Automatische blussing van brand kan onder bepaalde condities tot die verbetermogelijkheden horen.

Ton Cremers
24 april 2008

 

Persbericht van de Brandraad’08 is te vinden op:
http://www.brandraad.nl

Deelnemers Brandraad ‘08

• René Hagen, lector brandpreventie bij de Brandweeracademie, onderdeel van
het Nederlands Instituut Fysieke Veiligheid Nibra

• Michel Walhof, voorzitter European Fire Sprinkler Network. Bestuurslid Verenigde
Sprinkler Installateurs en directeur Aqua+

• Nina Duggen, erfgoedinspectie/collecties Den Haag, onderdeel van het
Ministerie OC&W. Bestuurslid sectie veiligheidszorg & facility management
Nederlandse Museumvereniging

• Marcel Hanssen, director risk control Aon Global Risk Consulting R´dam

• Ricardo Weewer, adviseur strategie en innovatie, regionale brandweer
Amsterdam-Amstelland

• Theo Vermeulen, projectmanager Kenniscentrum veiligheid cultureel erfgoed

• Hans Emans, dagvoorzitter van Brandraad ’08. Oud-journalist en tv-producent van
o.a. reconstructies van de rampen in Enschede, Volendam en Schiphol.

http://www.museum-security.org

http://www.museumbeveiliging.com

http://www.handboekveiligheidszorgmusea.nl

April 24th, 2008

Posted In: Geen categorie

Tags: , , , , ,

By Kevin Mayhood
THE COLUMBUS DISPATCH

Jim Strider, director of collections for the Ohio Historical Society, says the society in the 1990s returned materials to the Hopi tribe, and it has consulted recently with the Miami tribe in Oklahoma as archaeologists prepare for a dig near Piqua. The tribe previously lived in that area.

At the same time that Ohio State University is preparing to send the remains of American Indians back to West Virginia, the school is returning tissue and blood samples from Yanomamo tribes, at the request of the Brazilian government.
In northeastern Ohio, the Cleveland Museum of Natural History has received a letter from Odawa Indians requesting the return of two wooden ceremonial bowls. The Cleveland Museum of Art is talking with Italian authorities who want several antiquities returned.

Similar requests for human remains, artifacts and art are on the rise nationwide, museum officials say.

“I think there will be an increase in claims over time,” said Helen Robbins, repatriation director at the Field Museum in Chicago. “Laws and policies are changing.”

Researchers, historians and others at museums and universities used to scour the globe for antiquities, artwork and other artifacts.

Digs in such places as Egypt and Greece yielded finds that were shipped to London, New York, Cleveland, Chicago and Paris, where they were displayed for crowds eager to see ancient wonders and art.

But in recent years, a growing number of governments and cultures have asked — and in some cases, demanded — that these finds be returned.

“All institutions are concerned,” Robbins said. “But I don’t think there’s any anxiety. If we have title to a collection and if permits were properly obtained and things were done openly, there’s no problem.”

Working with Indian tribes and other countries has cost museums some works but also has opened the door to new cooperation and loans, said Ford Bell, president of the American Association of Museums.

“Museums are our guardians of our heritage, and we feel a huge responsibility. At the same time, we don’t want to do anything offensive to other cultures.”

The 1990 Native American Graves Protection and Repatriation Act says that if an institution has remains from a federally recognized tribe and the tribe asks for them back, the two sides must go through a process to determine whether they will be returned.

But what happens when remains belong to a people who predate any known tribe?

That’s the case with Ohio State’s remains, as well as most of the nearly 7,000 at the Ohio Historical Society and others across the state.

Ohio State’s plan to return the remains to Putnam County, W.Va., commissioners for reburial must be approved by a federal committee and the interior secretary.

The plan is one of 11 the committee will consider at its May meeting. In the past 13 years, there had been 48 such requests.

Seventeen years after the graves law was passed, specific regulations on how to handle remains of early cultures were proposed. Some museum representatives say the regulations proposed last year don’t ensure that the remains go to those most closely tied to the ancient Indians.

Indian tribes generally support the proposal because it creates a system that eventually will allow them to bury remains of people they consider their predecessors.

Hundreds of comments are being reviewed by the National Park Service, which administers the 1990 law.

The Ohio Historical Society and others have been awaiting regulations before deciding what to do with remains and artifacts found in Hopewell and Adena burial mounds and from other prehistoric cultures.

Without clear guidance, “The act has had an unintentional consequence of keeping things in museums,” said Robert Genheimer, an archaeology curator at the Cincinnati Museum Center.

In the 1990s, the Ohio Historical Society returned Hopi materials, said Jim Strider, director of collections, and it recently has been consulting with the Miami tribe in Oklahoma as archaeologists prepare for a dig near Piqua.

The tribe lived in southwestern Ohio before being moved to a reservation.

Eric Hemenway, research repatriation assistant with the Little Traverse Bay Bands of Odawa Indians, said that, for the most part, communication between tribes and institutions has improved.

“Twenty years ago, nothing was coming back. Now … it might take a year for an item or a year for remains to come back, but they are coming back,” Hemenway said.

The tribe has received remains from a Michigan college and is working with three museums in that state for more.

It’s negotiating with the Cleveland Museum of Natural History over the two ceremonial bowls.

“When (the act) was approved, I think museums thought tribes would come through with a box and take collections,” Hemenway said.

“Museums have moccasins, knives, hammers — utility items. We’d rather they’re not on display, but we really don’t want those.”

He said the law allows the tribe to recover remains, items that had been buried with them and culturally important items.

Clark Larsen, chairman of Ohio State’s anthropology department, said talking about the issue is important. “In archaeology, there’s a whole discussion on who owns the past — artifacts and other remains beyond skeletons.”

Larsen said Ohio State is working with the Brazilian government to return Yanomamo tissue and blood samples used in a lineage study.

Returning remains, tissue and blood to rightful owners, he said, is rarely controversial.

There is, however, no international law on repatriation. In the 1990s, researchers from 20 countries, including the United States, signed a nonbinding agreement that human remains should stay in their country of origin except for scientific reasons.

A 1970 accord brokered at the United Nations essentially says that antiquities taken to museums and other institutions under suspicious circumstances must be returned to their place of origin.

Egypt, for example, is seeking ancient treasures from museums around the globe.

The Ohio Historical Society and the Toledo Museum of Art have Egyptian mummies and simple carved coffins that were donated by wealthy collectors a century ago, but neither has been contacted by the Egyptian government.

Bigger institutions, however, with flashier collections are not immune. For example, Greece and Italy persuaded the Getty Museum in Los Angeles and the Metropolitan Museum of Art in New York to return art after showing that the pieces had been looted.

The Cleveland Museum of Art and the Italian Ministry of Culture met last spring and are discussing returning “a number of items,” said James Kopniske, a museum spokesman.

Kopniske said the details are confidential, but the museum is “reviewing the history and doing our research.”

Then there is the lost collection at Myers University in Cleveland.

The cash-strapped school recently discovered it owns a collection of 4,000-year-old Sumerian artifacts that were donated in the 1930s.

“Not many people knew about the collection,” said Richard Brhel, the school’s library director.

He said the university has received no requests to return the pieces, mostly tablets, to the Iraqi government.

“The important thing is the safekeeping of the items, to preserve them for future generations,” Brhel said.

kmayhood@dispatch.com

http://www.dispatch.com/

http:/www.museum-security.org

http://www.museumbeveiliging.com

http://www.handboekveiligheidszorgmusea.nl

April 23rd, 2008

Posted In: looting and illegal art traffickers, Mailing list reports

Tags:

TUESDAY, APRIL 22, 2008
Mr Cuno takes the gloves off

James Cuno (left: all links and photos: http://tom-flynn.blogspot.com/), director of the Art Institute of Chicago, has never been backward in coming forward over cultural heritage issues and it’s all grist to the mill. But his article in the online Yale Global (Who Owns the Past?), deserves a response. I assume it’s a précis of some of the ideas in his latest book, Who Owns Antiquity?, which I haven’t yet read.

Having argued yesterday for a more constructive and civilised dialogue over these issues (here), I’ll try and keep the tone as parliamentary as possible, but it’s irritating how those arguing against a more equitable approach to cultural heritage impute overriding political motives to those who express alarm at its increasing desecration and dispersal. The real political agenda, in fact, comes from the other side.

In his Yale piece, Mr Cuno states, “Most nation states have cultural property laws that restrict the international movement in archaeological artifacts found within their borders.”

Why do most nation states have those laws? Might they be a response to what they have seen unfolding in Iraq, for example, where reckless American neo-imperialism has exponentially exacerbated the desecration of that country’s cultural heritage? Yes, Mesopotamian antiquities might be the birthright of humanity in general, but ought we to deny their value to the Iraqi people? And where is most of it ending up? In the hands of wealthy collectors who value private over public ownership. (On which subject, see this article from the New York Times posted on Ton Cremers’s Museum Security Network, relating to a collector on the board of Mr Cuno’s own museum.)

“Antiquity belongs to all of humanity” says Cuno. I’m afraid until we can rein in America’s tendency to exercise its ambition and power beyond its borders we need these cultural property laws, however frail they might occasionally seem.

“Government serves the interest of those in power,” writes Cuno. “Once in power, with control over territory, governments breed loyalty among their citizens, often by promoting a particular identity and history. National culture – language and religion, patterns of behavior, dress and artistic production – is at once the means and manifestation of such beliefs, identity and loyalty, and serves to reinforce governments in power.”

Yes, and there’s no better expression of this than the US government and its cognate — American national culture. Loyalty among its citizens is beyond question, even when its government is in contravention of international law, as in Iraq.

“Governments can use antiquities – artifacts of cultures no longer extant and in every way different from the culture of the modern nation – to serve the government’s purpose,” argues Cuno. The Parthenon Marbles are relics of an ancient culture from which modern democracy originates. The Greeks are understandably proud of that. The British, however, do use them as an expression of political power and nationalism. Moreover, I would argue that often the “extinct cultures” to which Cuno refers cannot properly be described as extinct while important objects survive as material testimony to a set of ancient cultural ideas and practices that are themselves worth preserving. Material culture reminds us of our social duties and moral obligations, which are often as local as they are universal.

At the core of Cuno’s argument against what he derisively stereotypes as “retentionist cultural property laws” (as if there were no diversity in the nature and purpose of cultural heritage struggles) is “their basis in nationalist-identity politics and implications for inhibiting our regard for the rich diversity of the world’s culture as common legacy.”

I’m sorry, you can’t have this both ways. American foreign policy under a Republican administration (coterminous, it seems, with the recent critical rise in the temperature of many cultural heritage issues) could not be more grounded in nationalist-identity politics. The imposition of ‘democracy’ on nations beyond America’s own borders has become an instrument of American nationalist-identity politics and we’re now living with the dire consequences of that in terms of global instability.

We are witnessing Iraq and surrounding region descend into a Dantean hell of internecine tribal warfare, but for Mr Cuno it is cultural property laws that are to blame for “reinforcing the dangerous tendency to divide the world into irreconcilable sectarian or tribal entities.” Au contraire, it is American foreign policy that has done most to undermine “the nature of culture as an overlapping, dynamic force for uniting rather than dividing humankind.”

Over the decades in which they’ve been in place, as Mr Cuno rightly observes, the looting of archaeological sites has continued, indeed in the eyes of many archaeologists it has increased. “This happens just as the world is increasingly divided along nationalist, sectarian lines,” he maintains. Clearly his teleological compass has lost its needle. The increase in looting can be ascribed in no small measure to the geopolitical faultlines that have opened up since the start of the so-called ‘War on Terror’.

Cuno’s dismissal of UNESCO as an organisation grounded in nation-state politics and respect for nationalism is more than a little reminiscent of the scorn poured on UN resolutions against the Iraq war (UNESCO is indeed the UN’s cultural body and thank heavens for that).

He also refers to the Taliban destruction of the Bamiyan Buddhas (right: links and photos: http://tom-flynn.blogspot.com/) as evidence of what he sees as UNESCO’s emasculated function in cultural heritage protection and then has the temerity to blame UNESCO for failing to protect the Iraq Museum following the ‘Shock and Awe’ campaign. At least UNESCO initiated a dialogue with the Taliban in an attempt to dissuade them before the destruction began, which is more than can be said for Rumsfeld’s finger-puppets in Baghdad, who watched as the museum burned.

The UNESCO Convention has not failed. But no amount of international conventions and agreements can overcome the obstacle represented by bellicose developed economies imposing their will on weaker nations, which has become a signal factor in the rise of cultural heritage desecration.

Mr Cuno, like many leading museum directors, is currently suffering from post-colonial tristesse — that melancholy condition which descends with the realisation that the great universal museum collections over which they preside are no longer able to maintain the upward growth curve that began during the imperial era. Get over it.

We must now look forward to a more equitable distribution of material culture. It is the American neoliberal psyche that needs to move beyond its “pervasive misunderstanding, even intolerance of other cultures.”

A proper understanding of that sense which Mr Cuno refers to, that “ancient and living cultures belong to all of us,” will only really set in when European and North American museum directors cease believing in their eternal and divinely-endowed role as custodians of global cultural heritage.

And finally, to mirror James Cuno’s closing rhetorical flourish, the real argument over the Parthenon Marbles, to take just one example, is indeed between those who value antiquity — archaeologists and others who yearn to see the Marbles reunited in their rightful home in Athens — and the nationalist ends to which they are manipulated in London.

Yes, we can indeed do better.

(James Cuno photo credit: antiquesandthearts.com)

POSTED BY TOM FLYNN AT 4:01 AM 0 COMMENTS LINKS TO THIS POST: http://tom-flynn.blogspot.com/

http://www.museum-security.org

http://www.museumbeveiliging.com

http://www.handboekveiligheidszorgmusea.nl

April 22nd, 2008

Posted In: International conventions, looting and illegal art traffickers, Mailing list reports, news comments / discussions, Unesco Struggle Against Illicit Trade

Tags:

This content is password protected. To view it please enter your password below:

April 22nd, 2008

Posted In: algemeen, opinie

Who Owns the Past? 

Antiquities from great cultures belong to humanity, not nation states that emerged centuries later 

All links and images: http://yaleglobal.yale.edu/display.article?id=10678 

It’s a myth that cultural-property laws protect ancient antiquities or archaeological finds. Instead, the nationalist retentionist cultural-property laws are a dividing force, inhibiting regard for the world’s culture as a common legacy, argues James Cuno, president and director of the Art Institute of Chicago. Nations often use cultural artifacts for political claims, as tools to express a specific identity. Some governments even deny excavation permits or display requests for artifacts that reveal values that don’t reinforce a self-selected national image, and thus deny to the rest of the world the history of our common past. Worse, some nationalistic governments pervert the cultural record to spur racial, religious or ethnic violence. Culture is not a pure force, yet its power extends beyond national boundaries. As Cuno says, “An understanding that ancient and living cultures belong to all of us could contribute to greater respect for the differences among us and serve as a counterargument to the call for cultural purity that flames sectarian violence.” 

CHICAGO: Unprecedented global travel and cultural exchange help make the world a smaller place but, ironically, they also stir national pride. Nationalism, combined with business calculation, now threaten to segregate antiquity that belongs to all of the humanity. 

Most nation states have cultural property laws that restrict the international movement in archaeological artifacts found within their borders. But some antiquities are undocumented, lacking evidence of archaeological circumstances or removal. In the current debate over the acquisition of undocumented antiquities, the world’s archaeological community has allied with nationalistic programs of nation states. 

Nations can and do bring charges of possession of, or conspiring to possess, stolen property against people and institutions holding objects covered by the relevant ownership laws, as seen with the Republic of Italy’s charges against the former J. Paul Getty Museum curator, Marion True, or Peru’s charges against Yale University with regard to contested Machu Picchu artifacts. More often than not, such laws are perceived as free of politics – the stuff of objective, reasoned best practice and indifferent government regulations. 

Nothing could be farther than the truth. 

Government serves the interest of those in power. Once in power, with control over territory, governments breed loyalty among their citizens, often by promoting a particular identity and history. National culture – language and religion, patterns of behavior, dress and artistic production – is at once the means and manifestation of such beliefs, identity and loyalty, and serves to reinforce governments in power. 

Governments can use antiquities – artifacts of cultures no longer extant and in every way different from the culture of the modern nation – to serve the government’s purpose. They attach identity with an extinct culture that only happened to have shared more or less the same stretch of the earth’s geography. The reason behind such claims is power. 

At the core of my argument against nationalist retentionist cultural property laws – those calling for the retention of cultural property within the jurisdiction of the nation state – is their basis in nationalist-identity politics and implications for inhibiting our regard for the rich diversity of the world’s culture as common legacy. They conspire against our appreciation of the nature of culture as an overlapping, dynamic force for uniting rather than dividing humankind. They reinforce the dangerous tendency to divide the world into irreconcilable sectarian or tribal entities. 

Sadly, the public discussion about nationalist retentionist cultural property laws focuses on their role, which foreign governments and the archaeological community promote, as a means of protecting the integrity of archaeological sites. It’s argued that the laws inhibit looting and consequent illicit trade.   

But this is only partly true. Over the decades in which they’ve been in place, strengthened by international conventions and bilateral treaties, the looting of archaeological sites has continued. In fact, many archaeologists claim it’s increased. The real purpose of such laws – and this is what we should be arguing about – is to preserve nation states’ claims of ownership over antiquities found or presumed to have been found within their jurisdiction. This happens just as the world is increasingly divided along nationalist, sectarian lines. 

The alternative to consigning the protection of our ancient heritage to national jurisdiction is the United Nations, specifically its cultural body, UNESCO. Sadly, UNESCO’s Achilles’ heel is its grounding in nation-state politics and its respect for nationalism. For example, relying on its charter, the organization maintained that it could not prevent the destruction of much of the Kabul Museum’s extraordinary collection in 2001. This occurred in the aftermath of the destruction of the monumental Buddhas at Bamiyan, led by Taliban forces who ran the Afghan government at that time and thus had sovereignty over Afghanistan’s cultural property. The UNESCO special envoy to Afghanistan had discussed the edict with the Afghan foreign minister before the destruction, but in the end UNESCO only condemned the actions, watching as the collection was attacked. 

Earlier, UNESCO had discouraged the foreign acquisition of antiquities likely to have been pirated from Afghanistan during the calamitous 1980s war with the Soviet Union. As a result, many stayed in Kabul as Afghan cultural property became subject to the Taliban’s destruction. 

Similarly, after the 2003 invasion of Iraq, UNESCO failed to protect the Baghdad Museum and the archaeological record of that vital part of the ancient world. Instead, the organization called for the return of any undocumented antiquities thought to have been improperly removed from that divided, failed state. UNESCO unambiguously respects the nation state and vests authority in it, as revealed by the preamble of the 1970 Convention on the Means of Prohibiting and Preventing the Illicit Import, Export and Transfer of Ownership of Cultural Property, which claims that “cultural property constitutes one of the basic elements of civilization and national culture,” that true value can be appreciated only in relation to the fullest possible information regarding its origin, history and traditional setting. 

Ironically any state can denounce a UNESCO Convention “on its own behalf or on behalf of any territory for which territorial relations it is responsible” and simply ignore it altogether.    

To date, 30 years later, the convention has failed because it cannot contradict the authority of member states. Meanwhile, the world is losing our common ancient heritage through
th

eft and destruction, poverty, development, warfare and sectarian violence. No amount of international conventions and agreements that proclaim to respect the “collective genius of nationals of the State” can overcome the obstacle of nationalism, the age-old route out of international agreements. 

Archaeologists go along because they depend on nation states to do their work. Nation states hold antiquities and archaeological sites as national cultural property, and control access. 

Nations that have hosted excavations depend in great part on the work of foreign archaeologists for the raw material of their nationalist ideologies, not to mention the tangible property that fuels their tourism economies. Archaeologists, especially those who benefit from working in host university museums, should examine their support of nationalist retentionist cultural property law. Many collections could not have been formed since the implementation of these laws. 

Archaeologists should work with museums to counter the nationalist basis of laws, conventions and agreements, and promote a principle of shared stewardship of our common heritage. Together we should call attention to the failure of these laws to protect our common ancient heritage and perversion of that heritage by claiming the archaeological record as a modern nation’s cultural property. 

The recent rise in nationalist and sectarian violence and the pervasive misunderstanding, even intolerance of other cultures, adds urgency to the need of resolving these differences. Ignorance of the interrelatedness of cultures overlooks that we all have a stake in their preservation. One need only consider the loss of the Gandhara sculptures in the Kabul Museum – which bore reference to the region’s historic place at the crossroads of Asia, where Greek, Chinese, Indian, Pagan, Buddhist and Hindu cultures influenced one another over centuries – to recognize what we lost in their destruction: sublime evidence of the basic truth of culture: It’s always mongrel, made of numerous and diverse influences from contact with new and strange experiences. This was as true in antiquity as it is as today. 

An understanding that ancient and living cultures belong to all of us could contribute to greater respect for the differences among us and serve as a counterargument to the call for cultural purity that flames sectarian violence. 

We can do better. Arguments between museums and archaeologists over the acquisition of undocumented antiquities are a diversion from real arguments, which ought to be between those who value antiquity and the nationalist governments who manipulate it for political gain. 

James Cuno is president and director of the Art Institute of Chicago, and the author of “Who Owns Antiquity? Museums and the Battle Over Our Ancient Heritage,” published by Princeton University Press in 2008.

April 22nd, 2008

Posted In: news comments / discussions

Over the past several weeks, this discussion group has received a number of posts about the activities of the Art Loss Register that merit serious consideration.  These questions are broader than the operation of a particular organization.  They raise general issues about the kind of system that can best protect both owners and buyers of artwork.  I use ALR as an exemplar only because it seems to be the largest such organization and the one whose operating methods are best known.

It appears that the Art Loss Register engages in three activities:

1. It will register a description of your artwork for a small fee, whether that artwork is still in your possession or has been stolen or otherwise disappeared.

2. It will search its registry for a somewhat larger fee to discover whether a work you describe is listed either in an “owned” registry or in a “stolen” registry, and provide you with a certificate setting forth the results of that search.

3. It will assist the owner in recovering stolen artwork for a negotiated fee, commonly around 20% of the current fair market value of the work.  (This is not clearly spelled out on its website, but is alleged in posts to this list.)

First Question: Is there an ethical incompatibility between these three functions?
 
In function 1, ALR is the agent of the owner; in function 2, ALR is the agent of the person requesting the search, who may be either a potential buyer or a potential seller; in function 3, ALR is the agent of the owner, its compensation is contingent but, if successful, it greatly dwarfs the compensation provided by functions 1 and 2.  Is that a problem that might distort the proper performance of function 1 or 2?

It appears that in a recent case, ALR told a person who employed it for a search that the item searched did not appear in its registry when in fact it did.  In one version of the facts, this helped induce the client to purchase the item.  In another version of the facts, the client had already purchased the item without searching the registry, and apparently only searched the registry to assure a potential buyer that the item was not stolen.  The result was that the artwork was retrieved from the person making the search inquiry, causing a substantial financial loss to that person.
                         
Second question: On either version of the facts, has ALR violated either its ethical or legal obligation to the client who hired it to search its registry?

There was a suggestion that if the client had been someone who was a collector or dealer known to the personnel at the Art Loss Register, ALR would have honestly answered that the item searched was on their stolen list.

Third question: In offering these sorts of services to the public, is it appropriate to provide a different result depending on whether you know the person who orders the work, and how much you know about that person?

It was also suggested on this list that substantial shareholders of ALR include auction houses and major galleries.  Those businesses are often involved in disputes over ownership of artwork.  It is not clear from ALR’s website which of these entities are major shareholders, nor is it specified what internal standards are in place to prevent these persons from exercising undue influence over the activities of ALR when they are parties to a dispute.

Fourth question: Is a potential conflict of interest between a person’s status as a significant shareholder and someone who might be involved in an ownership dispute problematic?

Real estate and personal property security filing systems work differently.  In those systems, the person recording a document pays a small fee, the records are open to the public, and the person searching the records pays no fee to the recordkeeper.  With ALR, the records are not open to the public, the person recording the artwork pays a small fee, and the person who wishes the record searched pays about double that fee, but still a quite modest amount.

Fifth question: Is the fact that the recordings are not open to public inspection problematic? Is the search fee problematic?

The website states that 170,000 items are registered, and roughly 10,000 new items are registered each year.  The website does not list how many searches are ordered each year.

Sixth question: Is it common in the art world for museums or galleries to register their items as they acquire them?   How common is it to register works that have “disappeared”? Is it common to order a search before purchasing? 

The numbers seem quite small to me compared to the collections of modest museums, and absolutely dwarfed by the collection of any single major museum.  Have we arrived at the point where ALR registration is common for museums, galleries or private collectors, as recording a deed is common for owners of real property?

It appears that ALR will issue a search certificate in two different situations.  It will issue a search certificate to a person who is contemplating buying an artwork as a matter of title security.  It will also issue a search certificate to a person who is trying to sell an artwork as part of that person’s marketing campaign.  ALR may or may not know in what context it is issuing the certificate.  In the first case, the certificate is designed to protect only one person.  In the second case, the certificate may be shown, like an audit statement, to a large number of persons.
 
Seventh question:  Does this possibility of dual use raise any problems?

I have not seen the text of the contract between ALR and a person who wishes to use its search facilities.  I have seen contracts between auction houses and their clients, and between “authentication foundations” and their clients, which purport to relieve the auctioneer or authenticator of liabilities to which they would ordinarily be subject.

Eighth question:  To what extent should an enterprise providing registration, search or recovery functions be able by contract to relieve themselves of liability for their negligent or intentional wrongdoings, or breaches of contract?

The members of this list have a great deal of experience in the art world.  I hope they will share both their views and their experience on these and related questions.

Bert

Herbert Lazerow

Visiting Professor

University of California Law School (4 Boalt Hall)

Berkeley CA 94720-7200

(510)642-2098

lazer@sandiego.edu

Professor and Director, Institute on Int’l & Comparative Law

University of San Diego

5998 Alcala Park

San Diego CA 92110-2492

(619)260-4597

fax 619-2230

April 22nd, 2008

Posted In: Mailing list reports

Tags:

BY BILL BLEYER

bill.bleyer@newsday.com

11:52 PM EDT, April 20, 2008
Even as the prosecution continues of the former director of the Theodore Roosevelt Association in the theft of historic letters, a surprising revelation has surfaced:

The Oyster Bay organization was ripped off before, but at that time managed to keep it quiet.

Former director Edward Renehan Jr. of Rhode Island, who is accused in the theft of four historic letters, provided information earlier this month that made public secret information about the prior case, according to people involved in the new case.

When Bonnie Jean Gable was TRA office manager about 15 years ago, she was accused of embezzling more than $100,000 to finance a theater group, sources said. Rather than prosecute Gable, who had spent the money and had few assets, the TRA agreed to place a lien on trust funds Gable stood to inherit.

The association and Renehan also tried to negotiate a settlement, the TRA and Renehan’s lawyer said. The TRA wanted him to make restitution and return other artifacts the group believes are still in his possession. But Renehan maintains he has no other artifacts, so the TRA went to the Nassau County district attorney’s office, and Renehan was indicted last month for stealing a letter written in 1918 by Roosevelt. He is due back in court today.

The Gable case became public when a statement prepared by a Manhattan publicist was sent to Renehan friends who heard about the letter investigations.

Several of an estimated 20 people who received the e-mail passed it on to the association, which says it is investigating whether it can take legal action against Renehan.

“We are deeply disturbed that Mr. Renehan misappropriated Theodore Roosevelt Association property and now has inappropriately disclosed confidential information,” TRA president James Bruns said. “This is yet another example of his abuse of trust and continuing misconduct.”

Peter Brill, Renehan’s attorney, said release of information about Gable was “unauthorized by myself or by Ed Renehan.” But he added that “it makes you wonder why the TRA chose to quietly settle a larceny … while they chose to criminally prosecute Mr. Renehan.”

Bruns responded that “unlike Mr. Renehan, Ms. Gable admitted everything, made no demands and came up with a credible way of reimbursing the association.” In contrast, “Renehan’s negotiations were focused on his attempts to gain the best possible deal, using the documents taken from the association … as well as items still in his possession as bargaining chips.”

Brill said before negotiations ended, “Renehan offered to … give them whatever they wanted — full restitution, full cooperation, with no conditions whatsoever.”

Gable had a stroke four years ago and lives in an adult home in Lee, Mass., said her brother, Patrick, a Pittsfield, Mass., attorney. “My sister fully cooperated,” he said. “The TRA will be reimbursed” the full value of his sister’s share of the trust, which is already worth more than the $300,000 the TRA anticipated.

http://www.newsday.com/

http://www.museum-security.org

http://www.museumbeveiliging.com

http://www.handboekveiligheidszorgmusea.nl

April 21st, 2008

Posted In: insider theft

To follow all links in the text below: http://tom-flynn.blogspot.com/

A couple of weeks ago, Dr Kwame Opoku of African culture website Afrikanet wrote an open letter to European and North American museum directors, posing the question, Is legality a viable concept for European and American museum directors?

In recent months, Dr Opoku has become one of the most energetic and determined voices in the restitution debate. His recent letter rehearsed the now familiar argument that directors of so-called ‘encyclopaedic’ museums must acknowledge their illegal ownership of thousands of cultural objects in their collections.

One of the people who responded to his letter was Philippe de Montebello, director of the Metropolitan Museum of Art in New York (above left). Attached to the original article was a picture of a Nok statue (right) which Mr De Montebello used as the basis for his brief response, which went as follows:

I read with interest Dr. Kwame Opoku’s article European and American Museum Directors and the Legality Concept and glanced at the photo that accompanied it.

What a haunting, strange-looking object. There is no caption accompanying the photograph so I looked in books and found that this was a product of ancient Nigeria, the Nok culture. I also discovered that more than 2,000 years ago as well an Ife culture in Nigeria produced sculpture that I found simply divine. As beautiful as anything produced at any time in the West.

Then I went to our African galleries and found — as must our audience of some 4.5 million visitors a year — that Nigeria seemed to have produced no art before the much later Benin period, well represented at the Metropolitan Museum. Why is that? Simply because the Metropolitan Museum does not own either a Nok or an Ife object. Their export and acquisition are strictly forbidden, therefore the Metropolitan Museum has refrained from their acquisition.

We have tried for years to convince the Nigerian authorities to place one object from each of these great cultures on loan to the Metropolitan for the benefit of our audiences, but unfortunately, to no avail.

Dr. Opoku believes all Nok, Ife, and Benin pieces outside of Nigeria should be returned to Nigeria; that all works produced on its territory should remain there. How this advances broad knowledge of the rich cultural history of Nigeria is a mystery to me.


Philippe de Montebello
Director
The Metropolitan Museum of Art

This exchange seems to me to encapsulate the very problem we need to get beyond if any progress is to be made on the vexed question of museums and repatriation. I am sympathetic to the position adopted by Dr Opoku, who has written some penetrating analyses of current debates in museology, particularly those pertaining to African cultural heritage, a subject hitherto roundly ignored by universal museum directors. But I am not without some sympathy for Mr De Montebello, whose job it is to protect his museum’s venerable collections. None of us wants to see the Met diminished. And let’s perhaps applaud Mr De Montebello for bothering to respond to the article.

The problem here is the nature of the dialogue, which is not really a dialogue at all, but a series of embittered volleys that merely consolidates the entrenched positions of both parties. Dr Opoku continues to write uncompromising attacks on museum directors. One can understand his growing impatience, given the unwillingness of most museum directors to address what are clearly very serious issues passionately articulated. Moreover, when he does get a response, as was the case here, he is treated with the sort of patrician disdain that has become the lingua franca of leading museum directors across Europe and North America.

It was rather surprising that Mr De Montebello did not recognise the cultural origin of the Nok statue, given that New York has been a rich and thriving centre for the trade and collecting of African art and ethnography since the 1920s. But then he can’t be expected to know about everything that crosses his desk.

However, to use that object in a rhetorical turn to pour contumely on Dr Opoku’s well-intentioned appeals and by extension on the broader issue of African cultural heritage claims was pretty contemptible. He knows that Dr Opoku is not arguing for an impoverishment of the Metropolitan’s collections, but such is the need to score cheap points…

The recent UNESCO conference in Athens called for a fresh approach to cultural heritage issues, for dialogue without prejudice and preconditions. Here is an example of how instead things can rapidly descend into mutual suspicion, personal attack and counter-attack. If we proceed in this vein it is not only cultural heritage claims that will suffer, but the museums themselves by eroding the pact of trust that exists between the institution and its public.

The Met was recently forced to adapt its position over the Euphronios krater, which led to an exchange of other objects that otherwise might not have happened. Perhaps if the Met looked more sympathetically on the Nigerian issue, those Nok, Ife and Benin pieces to which Mr De Montebello refers might then be forthcoming. But it won’t happen without friendly dialogue.

(De Montebello photo source: www.nytimes.com/2007/07/29/arts/design/29mcgr.html)

POSTED BY TOM FLYNN AT 3:28 AM 0 COMMENTS LINKS TO THIS POST
LABELS: AFRIKANET, BENIN SCULPTURE, CULTURAL HERITAGE, METROPOLITAN MUSEUM OF ART, NOK SCULPTURE, PHILIPPE DE MONTEBELLO

http://tom-flynn.blogspot.com/

http://www.museum-security.org

http://www.museumbeveiliging.com

http://www.handboekveiligheidszorgmusea.nl

April 21st, 2008

Posted In: Dr. Kwame Opoku writings about looted cultural objects, Mailing list reports

Tags:

Reference is made to the letter from Philippe de Montebello, Director of the Metropolitan Museum of Art (1), New York, which was published in AFRIKANET on Friday, 18 April, 2008. http://www.afrikanet.info/.

In his letter, Philippe de Montebello refers to my article entitled “Is Legality still a viable concept for European and American Museum Directors?” http://www.afrikanet.info/index.

The Director of the Metropolitan does not address the main point of my article, namely, that the arguments the European and American museums present in defense of their holding of stolen African cultural objects are extremely weak. It seems the director is more interested in the picture inserted in the article than in the serious comments on legality. I shall therefore only comment on the points raised in his letter.

   We are sorry that the Director of the Metropolitan Museum had to go to so much trouble in order to identify the Nok terracotta. Incidentally, why must a Nok sculpture be described as “haunting, strange-looking object”? This description comes from a museum director who has artworks from the Egyptians, Guro, Lobi, Dogon, Bamana, Senufo, Baule, Lumbo, Igbo, Fan Yoruba, Chokwe, etc among his collections. I thought we had long moved away from the period when the Europeans and Americans described whatever came out of Africa in these terms. Or are we going back to those days when an unbridgeable difference was assumed to exist between African art and European art? Surely, after the influence of African art on modern art and after so many exhibitions on African art, some organized by the Metropolitan Museum, such a description sounds somewhat odd, especially coming from a Director of one of the leading museums of the West.

   The “haunting, strange-looking object” which the director could not identify is one of the three terracotta pieces which were bought by the French and kept in the Louvre (another “universal museum”) even though the objects were on the Red List of ICOM (International Council of Museums) which contains a list of items which are forbidden to be exported. (See Annex 1 below). This fact was known to the French but they did not care for the rules and it took the intervention of ICOM to bring the matter to discussion and to the embarrassment of the French who had bought the pieces in 1999 for the planned museum, Musée du Quai Branly. (2) Finally, France acknowledged the ownership of Nigeria in those pieces and signed an agreement by which Nigeria loaned the pieces to France for a period of twenty-five years (renewable). Did Montebello never hear of this story?

   That the Metropolitan Museum does not own a Nok or Ife object should not lead to the conclusion by the Director of the Metropolitan Museum that “Nigeria seemed to have produced no art before the much later Benin period, well represented at the Metropolitan Museum”. Is the premise of this conclusion that what does not exist in the Metropolitan Museum does not exist and cannot exist? Montebello himself has said in his second paragraph that he “also discovered that more than 2000 years ago as well an Ife culture in Nigeria produced sculpture”.

First a discovery of Ife and then a conclusion that nothing existed before Benin? Attention may be drawn to the information on Nok Terracotta issued in 2000 by the Department of Arts of Africa, Oceania, and the Americas, The Metropolitan Museum of Art, in the Timeline of Art History http://www.metmuseum.org/toah/hd/nok/hd_nok.htm  (October 2000) (ANNEX 2) The note refers to an image from the Minneapolis Institute of Arts.

That image depicts a Nok figure of a seated dignitary the features of which are very similar to those of the image the Director of the Metropolitan Museum could not easily identify. The Minneapolis Institute of Arts note states that: “A few of the remarkable characteristics that distinguish Nok pieces from terracottas of later cultures in Nigeria include the triangular, pierced eyes; the elaborate coiffure and beard; and the placement of the ears.” http://www.artsmia.org/viewer/detail.php?v=12&id=5368

   If the export of Nok or Ife objects from Nigeria is strictly forbidden, it is among other reasons, to preserve them in their original setting so that archaeologists can study them before the plunderers get their hands on them and sell them to the museums of the West. The Director of the Metropolitan Museum surely knows that these objects are also on the Red List of ICOM.

   If the Metropolitan Museum has not been able to convince the Government of Nigeria to loan one object of each of the great cultures of Nigeria, there must be some reason which must have been explained by the Nigerian authorities. One cannot comment on this point without first studying the relevant correspondence.

   The statement that “Dr. Opoku believes all Nok, Ife, and Benin pieces outside of Nigeria should be returned to Nigeria; that all works produced on its territory should remain there“ is surely incorrect and the maker of the  statement knows it. As a person of culture who has spent a considerable part of my life visiting various museums all over the world, I reject very strongly this statement. It is an attempt to attribute to me an extreme position which can be easily dismissed instead of dealing with the serious arguments presented in detail (some would even say too much detail) in my various articles which are freely available on the internet.

a) I have not been concerned in my articles with all Nok, Ife and Benin pieces. I have been concerned mainly with those pieces of African culture which have been stolen, looted, illegally exported or which have dubious provenance and are in museums and their depots in Europe and America. We have not addressed the issue of private ownership. We also believe that some pieces may have been legally and legitimately acquired. The museum directors may wish to throw all in one basket in order to build up a better defence. That is their choice of strategy but this amalgam is neither honest nor very helpful.

b) Those objects which have archival or religious or ritual significance will have to be returned to the countries or communities of origin.

c) Those museums that are holding a large quantity of Benin pieces, British Museum, 700, Ethnological Museum, Berlin, 600, should return some of these to Nigeria. “Some” in my understanding does not mean “all”. The nightmare of the museum director of waking up one morning and finding that all the African pieces in his museum have disappeared has no foundation in reality but is a fiction of his troubled imagination.

d) The museums holding illegally acquired Nigerian cultural objects will have to acknowledge Nigerian ownership in these objects.

e) The Director of the Metropolitan Museum knows that there are many sculptures from Nok, Ife and Benin outside of Nigeria and in the West, if not in the Metropolitan Museum of Art. Those interested in African art have already enough information at their disposal in the various museums and in various books, such as Philippe de Montebello said he consulted. There is no danger of these civilizations becoming unknown.

f) Philippe de Montebello writes about the importance of people seeing these objects in the museums. This is true but equally important, if not more important, is the need of the peoples of the countries of origin to have access to these objects in their own countries. The American or the British may widen his knowledge about the world in seeing African sculptures in the museums but do Africans not have any need also to learn about their own culture and the cultures of others?

g) We are all interested in cultural objects being accessible to others but this must be done on fair and equal basis and definitely not to the detriment of the countries/communities of origin.

h) If Philippe de Montebello cannot identify Nok sculpture as he appears to be saying, how then will he negotiate and correspond with the Nigerian authorities? Is he seriously saying he can only recognize pieces from the cultures represented in his museum?

i) Those interested in my views on the question of the restitution of African cultural objects may wish to read my articles which are easily available at AFRIKANET and elsewhere on the internet.

j) We should try to make it possible for all peoples to view objects from all cultures and not only those in the Euro-American world. So far when Western museum directors speak of mankind, they have only meant their kind. When are they going to start thinking about sending some European masterpieces to African museums so that Africans can also assess what Europeans have been able to achieve? They could send to Accra, Kumasi, Lagos, Abuja, Bamako, Cape Town, Dakar and Yaounde some Arcimboldo, Braque, Botticelli, Bourgeois, Bernini, Cézanne, Chagall, Courbet, Dürer, Dali, Gaugin, Giorgione, Klee, Klimt, Manet, Monet, Munch, Miró, Nolde, Picasso, Pollock, Raffael, Rembrandt, Rodin, Schiele, Tizian, Van Dyck, Warhol, etc. Or should it always be a one-way traffic?

   As most readers will recall, the Director of the Metropolitan Museum of Art, New York, was one of the signatories of the so-called Declaration on the Importance and Value of the Universal Museums (2002) by which the largest museums- Louvre Museum, Paris, The Metropolitan Museum of Art, New York, J. Paul Getty Museum, Los Angeles, State Museums, Berlin, Solomon Guggenheim Museum, New York, The Museum of Fine Arts, Boston, The Museum of Modern Art, New York and others-tried to secure for themselves immunity against the growing claims for the restitution of stolen art objects in their museums and also alleged that stolen objects which had been in their museums for a very long time have become part of the cultures of the countries where they are located. Though the British Museum was the instigator of the initiative which was aimed at countering the growing political pressure of Greece for the restitution of the Parthenon/Elgin Marbles, the BM cunningly did not sign it.

To explain and make explicit the assumptions and insinuations of the champions of the so-called “universal museums” implicit in the letter of Philippe de Montebello would take another article. The reader is therefore advised to consult the following excellent articles: Mark O’Neill, “Enlightenment Museums – universal or merely global” http://www.elginism.com/20071012/826/; Tom Flynn, “The Universal Museum – a valid model for the 21 century?” (http://www.tomflynn.co.uk/)

   It should also be added, though this may not mean much to some European and American museum directors, it is not simply a question of wanting or not to return cultural objects. There are laws and rules governing these matters. The 1970 UNESCO Convention on the Means of Prohibiting and Preventing the Illicit Import, Export and Transfer of Ownership of Cultural Property as well as the 1995 UNIDROIT Convention on Stolen or Illegally Exported Cultural Objects contain provisions which relate to restitution. Various United Nations and UNESCO resolutions deal with the question of restitution and the need to return cultural objects to their countries or communities of origin. We have also had various conferences, such as, the recent UNESCO International Conference, The Return of Cultural Property to its Countries of Origin, 17-18 March, 2008, Athens, which urged museums to initiate dialogues on the return of important cultural property to the country and community of origin. Most legal systems have provisions relating to unlawful acquisition of property which are also relevant. The ICOM Code of Ethics contains provisions on the acquisition of objects by museums and on restitution (http://icom.museum/ethics.html.) It is therefore not only a question of will but also of law.

   We have written articles to urge the restitution of stolen cultural objects. Philippe de Montebello, whilst rejoicing in the possession of Benin objects (including one of the two Idia ivory hip masks, the symbol of FESTAC), by his museum, the Metroplolitan Museum of Art, New York, complains about his inability to persuade the Nigerian Government to provide his museum with Nok and Ife objects he knows are on the Red List of ICOM and therefore illegal to export. He does not say a word about restitution. Clearly the epistemological revolution which is required if the large museums are to play a truly universal role is neither for today nor for tomorrow. Philippe de Montebello sees the world only from the vantage point of those in New York or London.

“Whether the signatories to the declaration considered how their joint utterance might be received by the international cultural community, or the extent to which it might polarise museum professionals remains unclear. However, it is hard to see how a potentially divisive and provocative policy document could have been constructed with such scant disregard for the broader museum community, which was not consulted.” Tom Flynn on the Declaration on the Importance and Value of Universal Museums, “The Universal Museum – a valid model for the 21 century?” (http://www.tomflynn.co.uk/)

Kwame Opoku 20 April, 2008.

NOTES

(1) The Metropolitan Museum is described in its own press release of 8 January, 2008 http://www.metmuseum.org/press_room/7D as follows:
“The Metropolitan Museum of Art is the largest museum in the Western Hemisphere, and the world’s most encyclopedic art museum under one roof. Founded in 1870, its permanent collections, housed in 17 curatorial departments, embrace more than two million works of art spanning 5,000 years of world culture, from prehistory to the present, from every part of the globe, in all artistic media, and at the highest levels of creative excellence.”
(2) http://www.mcdonald.cam.ac.uk/projects/iarc/culturewithoutcontext/issue10/news.htm

K.Opoku, “Benin to Quai Branly: A Museum for the Arts of the Others or for the Stolen Arts of the Others?” http://www.museum-security.org/wordpress/

http://www.kmtspace.com/nok.htm

http://en.wikipedia.org/wiki/Nok

http://news.bbc.co.uk/1/hi/entertainment/arts/1790882.stm

http://query.nytimes.com/gst/fullpage.html?res=9F06E7DE113AF936A15752C1A9669C8B63

http://hum.lss.wisc.edu/hjdrewal/Nok.html

Bernard Dupaigne, Le Scandale des arts premiers: la véritable histoire du musée du quai Branly. Paris, Mille et une nuits, 2006.
For those who need an excellent introduction to Nok culture, one can recommend, The Nok Culture – Art in Nigeria 2500 years ago by Gert Chesi and Gerhard Meerzeder, Prestel, Munich, Berlin, London, New York,2006.
ANNEX. 1
ICOM RED LIST
The looting of archaeological items and the destruction of archaeological sites in Africa are a cause of irreparable damage to African history and hence to the history of humankind. Whole sections of our history have been wiped out and can never be reconstituted. These objects cannot be understood once they have been removed from their archaeological context and divorced from the whole to which they belong. Only professional archaeological excavations can help recover their identity, their date and their location. But so long as there is demand from the international art market these objects will be looted and offered for sale.

In response of this urgent situation, a list of categories of African archaeological objects particularly at risk from looting was drawn up at the Workshop on the Protection of the African Cultural Heritage held in Amsterdam from 22 to 24 October 1997. Organised by ICOM (International Council of Museums), within the framework of its AFRICOM programme, it brought together professionals from African, European and North American museums to set up a common policy for fighting against the illicit traffic in African cultural property, and to promote regional and international agreements.

The Red List includes the following categories of archaeological items:

• Nok terracotta from the Bauchi Plateau and the Katsina and Sokoto regions (Nigeria)

• Terracotta and bronzes from Ife (Nigeria)

• Esie stone statues (Nigeria)

• Terracotta, bronzes and pottery from the Niger Valley (Mali)

• Terracotta statuettes, bronzes, potteries, and stone statues from the Bura System (Niger, Burkina Faso)

• Stone statues from the North of Burkina Faso and neighbouring regions

• Terracotta from the North of Ghana (Komaland) and Côte d’Ivoire

• Terracotta and bronzes so-called Sao (Cameroon, Chad, Nigeria)
These objects are among the cultural goods most affected by looting and theft. They are protected by national legislation, banned from export, and may under no circumstances be put on sale.

An appeal is therefore being made to museums, auction houses, art dealers and collectors to stop buying them.
This list is of objects which are particularly at risk, but in no way should it be considered exhaustive. The question of the legality of export arises with regard to any archaeological item.
Press Releases
NIGERIA’S OWNERSHIP OF NOK AND SOKOTO OBJECTS RECOGNISED

5 March 2002

ICOM welcomes the French government’s decision to recognise Nigeria’s ownership of three Nok and Sokoto artefacts.

The objects in question were acquired by France in 1999 for the planned Musée du Quai Branly and belong to the categories of archaeological objects identified on the ICOM Red List as being amongst the types of cultural goods most affected by thefts and looting. They are protected by national legislation and banned from export: on no account must they be purchased or offered for sale.

ICOM also applauds Nigeria’s generous decision to deposit the artefacts concerned with the Musée du Quai Branly , to be exhibited with the museum’s permanent collection, for the exceptionally long period of 25 years (renewable), in exchange for France’s recognition of its ownership. ICOM recommends that visitors should be clearly informed of the precise status of these objects and the way in which they were discovered.

ICOM would like to take this opportunity to issue a reminder that the looting of archaeological items in Africa causes irreparable damage, destroying vital evidence of the history of the continent and of mankind as a whole. Museums must therefore take a lead in combating the illicit trade in cultural goods, by adopting scrupulous acquisition policy in line with the ICOM Code of Professional Ethics for museum professionals. 
ANNEX 2

Nok Terracottas (500 B.C.–200 A.D.)”. In Timeline of Art History. New York: The Metropolitan Museum of Art, 2000–. http://www.metmuseum.org/toah/hd/nok/hd_nok.htm (October 2000)

The Minneapolis Institute of Arts
Seated Dignitary, c. 250 B.C.
Nok People, Africa, Eastern Nigeria, Nok Plateau
Fired Clay; H. 36 1/4 x W. 10 7/8 x D.14 in.
The John R. Van Derlip Fund
http://www.artsMIA.org
  In 1943, tin mining in the vicinity of the village of Nok near the Jos Plateau region of Nigeria brought to light a terracotta head, evidence of the oldest known figurative sculpture south of the Sahara. Although stylistically related heads, figures, animals, and pottery shards have been found in a number of Nigerian sites since that time, such works are identified by the name of the small village where the first terracotta head was discovered. Artifacts continue to be unearthed without documentation of the context in which they were buried, a lack of extensive archaeological study that has severely limited our understanding of Nok terracottas. One of the earliest African centers of ironworking and terracotta figure production, the Nok culture remains an enigma.
Most Nok sculpture is hollow and coil-built like pottery. Finely worked to a resilient consistency from local clays and gravel, the millennia-long endurance of these ancient objects is a testament to the technical ability of their makers. This is not to say that Nok sculpture has survived unchanged by time. The slip (the mixture of clay and water used to give pottery surfaces an even texture) of many Nok terracottas has eroded, leaving a grainy, pocked exterior that does not reflect their original smooth appearance. Most of the Nok sculpture found consists of what appear to be portrait heads and bodies fragmented by damage and age. The recovered portions of the baked clay bodies that have survived show that they were sculpted in standing, sitting, and genuflecting postures.

Nok head fragments were once part of entire bodies and are the most renowned objects within the corpus known to date. These objects are so highly varied that it is likely they were modeled individually rather than cast from molds. Although terracottas are usually formed using additive techniques, many Nok pieces were sculpted subtractively in a manner similar to carving. This distinctive approach suggests that a comparable wood-carving tradition may have influenced them. The heads of Nok terracottas are invariably proportionally large relative to the bodies, and while not enough is known of Nok culture to explain this apparent imbalance, it is interesting to note that a similar emphasis of the head in later African art traditions often signifies respect for intelligence.
Although every Nok head is unique, certain stylistic traits are found throughout the corpus of known work. Triangular eyes and perforated pupils, noses, mouths, and ears combine to depict men and women with bold, abstracted features. Perhaps the most striking aspects of Nok sculptures are the elaborately detailed hairstyles and jewelry that adorn many of the figures. The variety, inventiveness, and beauty of their design is a beguiling record of cultivated devotion to body ornamentation. But as captivating as these embellishments are, the range of expression in Nok terracottas is far from limited to depictions of idealized health and beauty. Some pottery figures appear to depict subjects suffering from ailments such as elephantiasis and facial paralysis. These “diseased” visages may have been intended to protect against illness but, beyond conjecture, their meaning and the significance of Nok sculpture in general are still unknown.

The great sophistication of Nok terracottas has led some scholars to believe that an older, as yet undiscovered tradition must have preceded Nok terracotta arts. It has also been suggested that Nok terracottas have some sort of relationship to later portrait arts, such as those of Ife, but this is currently unproven. Masterful relics severed from their predecessors and successors by the passage of time, Nok terracottas currently occupy an important but isolated space in the history of African art.
Department of Arts of Africa, Oceania, and the Americas, The Metropolitan Museum of Art
ANNEX 3

NOK TERRACOTTA ACQUIRED ILLEGALLY BY FRANCE
Wikipedia.
Seated person. Nok cultural object, 500 BC – 500 AD.
Quai Branly, depot of Louvre, inv.No.70.1998.11. One of the three stolen items from Nigeria now in Paris.

April 21st, 2008

Posted In: Dr. Kwame Opoku writings about looted cultural objects

Wertvolle Kunst scheint in der Schweiz nicht sicher aufgehoben zu sein. Die Schlagzeilen aus jüngster Zeit – in Pfäffikon wurden Picasso-Bilder geraubt, und aus der Zürcher Bührle-Sammlung Gemälde von Cézanne, van Gogh, Degas und Monet – könnten jedenfalls diesen Eindruck erwecken.

Erst recht, nachdem am Freitag ein weiterer Kunstdiebstahl in Zürich bekannt geworden ist: In der grossen Ausstellung zu Ferdinand Hodler im Kunstmuseum Bern fehlt ein frühes Landschaftsbild, das Maulbeerbäume in karger Landschaft zeigt, aber unter dem Titel «Kahle Kastanienbäume im Tessin» berühmt geworden ist.

Das auf 1,1 Millionen Franken Wert geschätzte Werk von 1893 ist zwar im Katalog abgebildet, es wurde aber einer Sammlerin aus Zürich bereits vor anderthalb Jahren entwendet. Die Identität der Besitzerin war weder von der Polizei noch vom Kunstmuseum zu erfahren. Das Gemälde war erst vor ein paar Jahren durch Erbschaft zur heutigen Eigentümerin gelangt und 1998 in der Ausstellung der Sammlung Georg Reinhart unter dem allgemeineren Titel «Tessiner Landschaft» im Kunstmuseum Winterthur zu sehen. Matthias Frehner, der Direktor des Kunstmuseums Bern, fragte es 2005 für die Hodler-Retrospektive an, im Juni 2006 wurde der Leihvertrag besprochen, den die Sammlerin im September unterzeichnet retournierte.

Gutgläubige Besitzerin

Laut Stadtpolizei Zürich rief nur kurze Zeit nach Unterzeichnung des Leihvertrags, nämlich in der Zeit zwischen dem 12. September und dem 31. Oktober 2006, eine Frau bei der Sammlerin an, stellte sich als Beauftragte des Kunstmuseums Bern vor und gab an, sie wolle das Hodler-Bild wie vereinbart abholen. Dann fuhr eine, wie Polizei-Pressesprecher Marco Cortesi präzisiert, «Schweizerdeutsch sprechende, zwischen 1,60 und 1,65 Meter grosse, schlanke Frau mit dunkelblonden bis dunkelbraunen Haaren» in einem «dunkelfarbenen Mittelklassewagen» bei der Sammlerin vor, nahm das Gemälde entgegen, lud es ins Auto und fuhr davon.

Ob das Bild versichert ist, war nicht zu erfahren. Die Sammlerin wurde offenbar nicht misstrauisch, obwohl sie keinerlei Quittung über seine Aushändigung erhielt. Erst als am 5. März 2008 ein Transportunternehmen anrief, um das Gemälde im Auftrag des Kunstmuseums Bern abzuholen, erschrak die Besitzerin und schaltete die Polizei ein.

Der anderthalb Jahre zurückliegende Vorgang ist für Polizei und Fachleute unverständlich. «Ich habe so etwas in den 20 Jahren als Mediensprecher der Zürcher Stadtpolizei noch nie gehört», sagt Marco Cortesi. Mehrere Museumsdirektoren betonen, dass ein solches Vorgehen bei der Bilder-Übergabe sämtlichen Usancen im musealen Leihverkehr widerspricht. Üblicherweise schliesst das Museum einen Leihvertrag ab, in dem auch der Transport geregelt ist. Wünscht der Leihgeber kein spezifisches Unternehmen, wartet das Museum, bis der Grossteil der Leihgaben unter Vertrag ist, und holt mit einer Liste der Ortschaften, in denen die Werke abzuholen sind, bei einschlägigen Kunsttransportunternehmen – in der Schweiz sind dies die Firmen Mat Securities Express und Welti-Furrer – Offerten ein. Dies geschah für die Hodler-Ausstellung erst lange nach dem Verschwinden des Bildes. Deshalb lasse sich auch weitestgehend ausschliessen, dass jemand aus dem Umfeld des Transportunternehmens mit dem Diebstahl zu tun habe, wie Museumsdirektor Matthias Frehner gegenüber den Medien bestätigte.

Der beauftragte Kunsttransporteur erhält zu gegebener Zeit die exakten Adressen und meldet sich dann etwa vier Wochen vor Beginn einer Ausstellung bei den Leihgebern, um Termine für die Abholung der Werke abzusprechen. Diese werden beim Sammler in spezielle Transportkisten verpackt, die zuvor für jedes Gemälde speziell angefertigt wurden, um Schäden zu vermeiden. Das vermisste Holder-Bild wurde ohne eine solche Schutzkiste abtransportiert, wie Marco Cortesi von der Stadtpolizei Zürich sagt.

Die Polizei ermittle «in alle Richtungen», so Cortesi. Die genaue Kenntnis der Umstände legt jedoch die Vermutung nahe, dass die Täterin aus dem Umkreis des Museums oder der Sammlerin stammt. Wie sonst sollte jemand von der Ausleihe und dem kurz zurückliegenden Vertragsabschluss gewusst haben?
Die Adressen der Sammler werden von Museen allerdings stets mit grosser Sorgfalt und Diskretion behandelt. Normalerweise wird in der Ausstellungsplanung und im Katalog die allgemeine Wendung «aus Privatbesitz» verwendet. Im Fall der Hodler-Ausstellung im Kunstmuseum Bern gingen die Verantwortlichen darüber hinaus besonders vorsichtig mit den Namen und Anschriften um, weil man verhindern wollte, dass sich die Kuratoren der Hodler-Ausstellung, die das Pariser Musée d’Orsay zwischen November und Februar zeigte, an dieselben Sammler wenden.
Gravierende Folgen

Der Diebstahl steht zwar vermutlich in keinem Zusammenhang mit dem Raub der Werke aus der Sammlung Bührle in Zürich und aus der Picasso-Ausstellung in Pfäffikon, und das Kunstmuseum Bern ist wohl auch nicht darin involviert; Museumsdirektoren fürchten dennoch um den guten Ruf der Schweiz: Ausländische Leihgeber könnten allmählich den Eindruck erhalten, hier seien ihre Leihgaben nicht mehr sicher. Dass das Kunstmuseum Bern seine Sicherheitsmassnahmen für die Hodler-Ausstellungen ohnehin von Anfang an dem internationalen Top-Niveau angepasst hat, sollte dem entgegenwirken.

http://www.nzz.ch/

http://www.museum-security.org
http://www.museumbeveiliging.com
http://www.handboekveiligheidszorgmusea.nl

April 20th, 2008

Posted In: Mailing list reports

Tags:

Sinds 1 april hanteert de politie nieuwe regels bij de alarmopvolging van elektronische alarmen.

Alarmen uit beveiligingsystemen dienen eerst geverifieerd te worden voordat de politie mag worden gebeld. Blijkt bij verificatie dat er werkelijk sprake is van inbraak dan zal de politie aan de alarmopvolging prioriteit 1 geven en snel ter plekke zijn.

De politie wil overigens wel dat er binnen een kwartier een sleutelhouder aanwezig is.

Na dat kwartier zal de politie weer vertrekken. De eigen alarmopvolging is dus ook heel belangrijk. Dit geldt overigens niet alleen voor inbraakalarmen maar zeker ook voor brandalarmen. Zowel de politie als de brandweer – denk aan de collectie – kan alleen adequaat de alarmen opvolgen wanneer het museum in staat is te zorgen dat de externe en de eigen alarmopvolging naadloos op elkaar aansluiten.

Door deze nieuwe regels is ineens het focus gekomen op de alarmopvolging. De alarmopvolging is echter altijd al een zeer belangrijk onderdeel geweest van de beveiliging(sorganisatie). Dat geldt zowel tijdens openingsuren als buiten die uren.

Belangrijk is te bepalen wat precies van die alarmopvolging verwacht wordt.

Enkele voorbeelden:

Doel alarmopvolging bij inbraak: 

1. volledig voorkomen van diefstal bij een inbraak

2. voorkomen dat bij een inbraak grote delen van de collectie gestolen worden 

3. er voor zorgen dat na een inbraak een timmerman gewaarschuwd wordt om kapotte ramen en deuren provisorisch te dichten. 

Het zal duidelijk zijn dat deze drie opties heel verschillende eisen stellen aan de bouwkundige inbraakwerendheid, aan de elektronische signalering en aan de alarmopvolging. Wanneer de eerste optie het doel is dan zal de bouwkundige weerbaarheid zodanig moeten zijn dat er een vertraging is die de alarmopvolgingsorganisatie voldoende tijd gunt adequaat te reageren.

Die alarmopvolging wordt aangestuurd door de elektronische inbraaksignalering. Deze signalering moet daarom in een zo vroeg mogelijk stadium plaatsvinden. Investering in bouwkundige weerbaarheid heeft een beperkt nut wanneer inbrekers pas elektronisch gedetecteerd worden nadat ze binnen zijn (bij optie 2 en 3 kan met inpandige alarmering volstaan worden, maar bij optie 1 niet).

De politie heeft tussen enkele en 15 minuten nodig om bij prioriteit 1 voor te rijden. Die tijd wordt door eigen verificatie ter plekke onacceptabel vertraagd indien het doel is een succesvolle diefstal bij inbraak te voorkomen.

Er zal dus zodra een elektronisch signaal gegenereerd wordt onmiddellijk vanuit de particuliere alarmcentrale verificatie moeten plaatsvinden. Dat kan via camera’s of microfoons. De politie accepteert ook technische verificatie op afstand. Met technische verificatie op afstand wordt bedoeld dat er meerdere alarmen gegenereerd worden die elkaar binnen maximaal 5 minuten opvolgen en binnen de topografie van het gebouw op elkaar aansluiten.

Het zal duidelijk zijn: de inbrekers zijn dan al binnen. Het is nu eenmaal inbrekers eigen dat ze niet lang binnen blijven tenzij ze zeker weten dat het inbraakmeldsysteem niet functioneert (het Westfries Museum scenario; daar werden de bewegingsmelders overdag afgeplakt waardoor de inbrekers ongemerkt hun slag konden slaan). 

Bij technische verificatie op afstand is de alarmopvolging in het nadeel.

Dus: als een diefstal bij inbraak succesvol verijdeld moet worden dan moet aan een aantal eisen worden voldaan waarbij de maximale (?) alarmopvolgingstijd van 15 minuten door de politie uitgangspunt moet zijn. 

In de eerste plaats moet de bouwkundige weerbaarheid minimaal 15 minuten, maar liever nog enkele minuten langer, zijn.

Die weerbaarheid hoeft niet alleen in de buitenschil van het gebouw te worden gerealiseerd, maar kan ook bereikt worden via een combinatie van inbraakwerende buitenschil en inpandige compartimentering. Het gaat erom dat de te stelen goederen pas na 15 minuten bereikt kunnen worden.

Een aanval op de inbraakwerendheid moet in een zo vroeg mogelijk stadium worden gesignaleerd door elektronische signalering op de buitenschil van het gebouw of buiten de inpandige inbraakwerende compartimenten. De alarmen moeten op afstand vanuit een PAC geverifieerd kunnen worden. 

De eigen alarmopvolgingsorganisatie moet in staat zijn binnen 15 minuten nadat het alarm de PAC bereikte ter plekke te zijn.

Om dit alles te realiseren zal geïnvesteerd moeten worden in:

1. bouwkundige weerbaarheid

2. elektronische signalering

3. verificatie op afstand door middel van camera’s en of microfoons.

De vernieuwde risicoklasse-indeling spreekt in de hoogste risicocategorie over een inbraakwerendheid van 10 minuten. Dit zal in de praktijk niet altijd voldoende zijn. De te realiseren bouwkundige inbraakwerendheid zal moeten worden vastgesteld op basis van een analyse van de alarmopvolging. Zo lang die alarmopvolging meer tijd in beslag neemt dan inbrekers nodig hebben om hun buit te vergaren hebben investeringen in bouwkundige weerbaarheid en elektronische signalering een beperkt nut.

Het is duidelijk dat er hoge eisen moeten worden gesteld aan de bouwkundige weerbaarheid, de elektronische signalering, de verificatie op afstand en de alarmopvolging om pogingen tot inbraak met diefstal succesvol te verijdelen. Indien de waarde van de collectie dit rechtvaardigt moeten die hoge eisen verwezenlijkt worden.

Er zijn meer maatregelen nodig om de inbrekers af te schrikken. Hierbij kan gedacht worden aan het automatisch schakelen van de verlichting bij alarmen en de installatie van een doordringend luidalarm, gedacht kan worden aan een inpandige sirene van minimaal 120Db en, indien mogelijk, de installatie van een mistgenerator.

Alarmopvolging bij brand

In heel Nederland werken erfgoedbeheerders in regionale projecten gezamenlijk aan de optimalisering van de calamiteitenplannen waarbij uitgebreid aandacht wordt besteed aan de collectiehulpverlening. Hier geldt ook dat de eigen alarmopvolging naadloos moet aansluiten op die door de brandweer.

Indien de eigen organisatie snel ter plekke kan zijn wordt de kans om collectieobjecten te redden bij een brand groter. Analoog aan de rol van de BHV organisatie – eerste bereddering en gidsen van de brandweer – kan de collectiehulpverlening (CHV) de brandweer van informatie voorzien bij het beredderen van de collectie en mogelijk zelf een rol vervullen – mits de omstandigheden dat zonder gevaar voor mensen toelaten – bij het in veiligheid brengen van collectie.
Dit betekent dus dat de eigen alarmopvolging niet alleen bij inbraak maar ook bij brand moet zijn afgestemd op de alarmopvolging door externe partijen.

Belangrijk is dat vooraf nagedacht is over de prioriteitenstelling bij de bereddering van de collectie. Deze prioritering moet bepaald worden aan de hand van een aantal criteria:

1. de continuïteit van de bedrijfsvoering;
2. de waarde (het belang) van individuele collectieobjecten;
3. de vervangbaarheid;
4. de haalbaarheid, snelle verplaatsbaarheid;
5. kwetsbaarheid;
6. eigen collectie versus bruiklenen.

Het is niet juist er bij voorbaat vanuit te gaan dat bij een brand geen enkele beredderende actie kan worden ondernomen. Dat hangt namelijk helemaal af van de beheersbaarheid en de locatie van de brand.
Indien een brand boven in een gebouw ontstaat is er vaak veel tijd om uit lagere gebouwdelen objecten te redden. Dat bleek april 2008 bij de brand in het Schutterijmuseum in het Limburgse Steyl en in 2004 bij de brand in de Anna Amalia bibliotheek in Weimar.
De brand in het Armandomuseum oktober 2007 in Amersfoort ontstond in de dakconstructie. Indien er op dat moment medewerkers van het museum aanwezig waren geweest was er een grote kans geweest dat meerdere schilderijen in veiligheid waren gebracht.

Het spreekt vanzelf dat zowel voor diefstal als brand geldt dat de aandacht in eerste instantie uit moet gaan naar preventie.

Een snelle alarmopvolging, op basis van een adequaat en regelmatig geoefend calamiteitenplan, kan schade aan de collectie voorkomen of in ieder geval beperken.

Ton Cremers

toncremers@museumbeveiliging.com

http://www.museumbeveiliging.com

http://www.museum-security.org

http://www.handboekveiligheidszorgmusea.nl

April 19th, 2008

Posted In: Uncategorized

Sinds 1 april hanteert de politie nieuwe regels bij de alarmopvolging van elektronische alarmen.

Alarmen uit beveiligingsystemen dienen eerst geverifieerd te worden voordat de politie mag worden gebeld. Blijkt bij verificatie dat er werkelijk sprake is van inbraak dan zal de politie aan de alarmopvolging prioriteit 1 geven en snel ter plekke zijn.

De politie wil overigens wel dat er binnen een kwartier een sleutelhouder aanwezig is.

Na dat kwartier zal de politie weer vertrekken. De eigen alarmopvolging is dus ook heel belangrijk. Dit geldt overigens niet alleen voor inbraakalarmen maar zeker ook voor brandalarmen. Zowel de politie als de brandweer – denk aan de collectie – kan alleen adequaat de alarmen opvolgen wanneer het museum in staat is te zorgen dat de externe en de eigen alarmopvolging naadloos op elkaar aansluiten.

Door deze nieuwe regels is ineens het focus gekomen op de alarmopvolging. De alarmopvolging is echter altijd al een zeer belangrijk onderdeel geweest van de beveiliging(sorganisatie). Dat geldt zowel tijdens openingsuren als buiten die uren.

Belangrijk is te bepalen wat precies van die alarmopvolging verwacht wordt.

Enkele voorbeelden:

Doel alarmopvolging bij inbraak: 

1. volledig voorkomen van diefstal bij een inbraak

2. voorkomen dat bij een inbraak grote delen van de collectie gestolen worden 

3. er voor zorgen dat na een inbraak een timmerman gewaarschuwd wordt om kapotte ramen en deuren provisorisch te dichten. 

Het zal duidelijk zijn dat deze drie opties heel verschillende eisen stellen aan de bouwkundige inbraakwerendheid, aan de elektronische signalering en aan de alarmopvolging. Wanneer de eerste optie het doel is dan zal de bouwkundige weerbaarheid zodanig moeten zijn dat er een vertraging is die de alarmopvolgingsorganisatie voldoende tijd gunt adequaat te reageren.

Die alarmopvolging wordt aangestuurd door de elektronische inbraaksignalering. Deze signalering moet daarom in een zo vroeg mogelijk stadium plaatsvinden. Investering in bouwkundige weerbaarheid heeft een beperkt nut wanneer inbrekers pas elektronisch gedetecteerd worden nadat ze binnen zijn (bij optie 2 en 3 kan met inpandige alarmering volstaan worden, maar bij optie 1 niet).

De politie heeft tussen enkele en 15 minuten nodig om bij prioriteit 1 voor te rijden. Die tijd wordt door eigen verificatie ter plekke onacceptabel vertraagd indien het doel is een succesvolle diefstal bij inbraak te voorkomen.

Er zal dus zodra een elektronisch signaal gegenereerd wordt onmiddellijk vanuit de particuliere alarmcentrale verificatie moeten plaatsvinden. Dat kan via camera’s of microfoons. De politie accepteert ook technische verificatie op afstand. Met technische verificatie op afstand wordt bedoeld dat er meerdere alarmen gegenereerd worden die elkaar binnen maximaal 5 minuten opvolgen en binnen de topografie van het gebouw op elkaar aansluiten.

Het zal duidelijk zijn: de inbrekers zijn dan al binnen. Het is nu eenmaal inbrekers eigen dat ze niet lang binnen blijven tenzij ze zeker weten dat het inbraakmeldsysteem niet functioneert (het Westfries Museum scenario; daar werden de bewegingsmelders overdag afgeplakt waardoor de inbrekers ongemerkt hun slag konden slaan). 

Bij technische verificatie op afstand is de alarmopvolging in het nadeel.

Dus: als een diefstal bij inbraak succesvol verijdeld moet worden dan moet aan een aantal eisen worden voldaan waarbij de maximale (?) alarmopvolgingstijd van 15 minuten door de politie uitgangspunt moet zijn. 

In de eerste plaats moet de bouwkundige weerbaarheid minimaal 15 minuten, maar liever nog enkele minuten langer, zijn.

Die weerbaarheid hoeft niet alleen in de buitenschil van het gebouw te worden gerealiseerd, maar kan ook bereikt worden via een combinatie van inbraakwerende buitenschil en inpandige compartimentering. Het gaat erom dat de te stelen goederen pas na 15 minuten bereikt kunnen worden.

Een aanval op de inbraakwerendheid moet in een zo vroeg mogelijk stadium worden gesignaleerd door elektronische signalering op de buitenschil van het gebouw of buiten de inpandige inbraakwerende compartimenten. De alarmen moeten op afstand vanuit een PAC geverifieerd kunnen worden. 

De eigen alarmopvolgingsorganisatie moet in staat zijn binnen 15 minuten nadat het alarm de PAC bereikte ter plekke te zijn.

Om dit alles te realiseren zal geïnvesteerd moeten worden in:

1. bouwkundige weerbaarheid

2. elektronische signalering

3. verificatie op afstand door middel van camera’s en of microfoons.

De vernieuwde risicoklasse-indeling spreekt in de hoogste risicocategorie over een inbraakwerendheid van 10 minuten. Dit zal in de praktijk niet altijd voldoende zijn. De te realiseren bouwkundige inbraakwerendheid zal moeten worden vastgesteld op basis van een analyse van de alarmopvolging. Zo lang die alarmopvolging meer tijd in beslag neemt dan inbrekers nodig hebben om hun buit te vergaren hebben investeringen in bouwkundige weerbaarheid en elektronische signalering een beperkt nut.

Het is duidelijk dat er hoge eisen moeten worden gesteld aan de bouwkundige weerbaarheid, de elektronische signalering, de verificatie op afstand en de alarmopvolging om pogingen tot inbraak met diefstal succesvol te verijdelen. Indien de waarde van de collectie dit rechtvaardigt moeten die hoge eisen verwezenlijkt worden.

Er zijn meer maatregelen nodig om de inbrekers af te schrikken. Hierbij kan gedacht worden aan het automatisch schakelen van de verlichting bij alarmen en de installatie van een doordringend luidalarm, gedacht kan worden aan een inpandige sirene van minimaal 120Db en, indien mogelijk, de installatie van een mistgenerator.

Alarmopvolging bij brand

In heel Nederland werken erfgoedbeheerders in regionale projecten gezamenlijk aan de optimalisering van de calamiteitenplannen waarbij uitgebreid aandacht wordt besteed aan de collectiehulpverlening. Hier geldt ook dat de eigen alarmopvolging naadloos moet aansluiten op die door de brandweer.

Indien de eigen organisatie snel ter plekke kan zijn wordt de kans om collectieobjecten te redden bij een brand groter. Analoog aan de rol van de BHV organisatie – eerste bereddering en gidsen van de brandweer – kan de collectiehulpverlening (CHV) de brandweer van informatie voorzien bij het beredderen van de collectie en mogelijk zelf een rol vervullen – mits de omstandigheden dat zonder gevaar voor mensen toelaten – bij het in veiligheid brengen van collectie.
Dit betekent dus dat de eigen alarmopvolging niet alleen bij inbraak maar ook bij brand moet zijn afgestemd op de alarmopvolging door externe partijen.

Belangrijk is dat vooraf nagedacht is over de prioriteitenstelling bij de bereddering van de collectie. Deze prioritering moet bepaald worden aan de hand van een aantal criteria:

1. de continuïteit van de bedrijfsvoering;
2. de waarde (het belang) van individuele collectieobjecten;
3. de vervangbaarheid;
4. de haalbaarheid, snelle verplaatsbaarheid;
5. kwetsbaarheid;
6. eigen collectie versus bruiklenen.

Het is niet juist er bij voorbaat vanuit te gaan dat bij een brand geen enkele beredderende actie kan worden ondernomen. Dat hangt namelijk helemaal af van de beheersbaarheid en de locatie van de brand.
Indien een brand boven in een gebouw ontstaat is er vaak veel tijd om uit lagere gebouwdelen objecten te redden. Dat bleek april 2008 bij de brand in het Schutterijmuseum in het Limburgse Steyl en in 2004 bij de brand in de Anna Amalia bibliotheek in Weimar.
De brand in het Armandomuseum oktober 2007 in Amersfoort ontstond in de dakconstructie. Indien er op dat moment medewerkers van het museum aanwezig waren geweest was er een grote kans geweest dat meerdere schilderijen in veiligheid waren gebracht.

Het spreekt vanzelf dat zowel voor diefstal als brand geldt dat de aandacht in eerste instantie uit moet gaan naar preventie.

Een snelle alarmopvolging, op basis van een adequaat en regelmatig geoefend calamiteitenplan, kan schade aan de collectie voorkomen of in ieder geval beperken.

Ton Cremers

toncremers@museumbeveiliging.com

http://www.museumbeveiliging.com

http://www.museum-security.org

http://www.handboekveiligheidszorgmusea.nl

April 19th, 2008

Posted In: algemeen

PARIS (AFP) — As Indiana Jones gets set to hit cinema screens with a new death-defying adventure in the “Kingdom of the Crystal Skull”, a Paris museum acknowledged Friday that its own star exhibit crystal skull was not what it was cracked up to be.
One of only a dozen such skulls known to exist worldwide, the Quai Branly museum’s piece was acquired in 1878 from an Indiana Jones-type explorer, Alphonse Pinart, as an Aztec masterpiece believed to be hundreds of years old, the remnant of an ancient and mysterious civilisation.
But in a statement Friday the museum admitted the skull, rather than dating from the Aztec period, was probably made in the 19th century.
From May 20 the Paris skull goes on view to coincide with the premiere at the Cannes Film Festival of “Indiana Jones and the Kingdom of the Crystal Skull” — the fourth installment in Harrison Ford’s archaeologist’s adventures since the 1981 blockbuster “Raiders of the Lost Ark”.
While the plot of the latest archeological epic by Stephen Spielberg and George Lucas remains a tightly-guarded secret, bets are the Indiana Jones movie will mirror Aztec beliefs surrounding the skulls.
Legend has it that the Paris skull represents the Aztecs’ Mictlantecuhtli, who reigned over the land of the deceased, Mictlan. Reuniting all 12 existing skulls plus a supposed-to-exist 13th could prevent the earth from tipping over, according to fable.
In a statement Friday, the Quai Branly said results of an analysis of its skull in 2007-2008 by the country’s C2RMF research and restoration centre “seem to indicate that it was made late in the 19th century.”
Over the past decade experts had voiced growing doubts over the Aztec origin of the crystal skulls, one of which is in the British Museum, another at Washington’s Smithsonian Institute.
The London skull was examined twice, in 1996 and 2004, and both studies tended to prove it was a fake, though the final conclusions have not been made public.
Fashioned in clear quartz crystal and 11 centimetres (4.4 inches) high, the Paris skull is marked by grooves and perforations that “reveal the use of jewellery burrs and other modern tools,” the museum said.
“Never has such technical precision been found in pre-Colombian art.”
C2RMF engineers Thomas Calligaro and Yvan Coquinot told AFP that three months of analysis of the skull highlighted that the piece “is certainly not pre-Columbian, it shows traces of polishing and abrasion by modern tools.”
Analysis by a particle accelerator had also shown traces of water dating from the 19th century, they said.
Like the London skull, the Paris piece was once in the hands of Eugene Boban, a controversial Paris dealer in archaeological objects believed to be well aware of the production of fake antiquities.
But though no crystal skull yet found at archaeological digs has proved to be authentic, the 12 located around the world continue to arouse interest and speculation.
Apart from the Paris, London and Smithsonian skulls, nine belong to private individuals — the skull of destiny, the Sha-Na-Ra skull, the synergy skull, the Max skull, the Maya skull, a so-called E.T. skull, the amethyst skull, the reliquary cross skull and the pink crystal skull.
Each skull was supposed to correspond to 12 worlds in which human life was present. They were brought by the Itza, the ancient people of Atlantis, to their civilisation in order to pass on their knowledge to man.
The 13th world, the land, also had its own crystal skull, and all 13 skulls were kept in a great pyramid by the Olmecs, the Mayas and ultimately the Aztecs.
The Aztecs are said to have been responsible for the dispersal and loss of the skulls, which when brought together possessed great powers, including being lined up on the last day of the Maya calendar — December 21, 2012 — to prevent the earth from tipping over.

http://afp.google.com/

http://www.museum-security.org
http://www.museumbeveiliging.com
http://www.handboekveiligheidszorgmusea.nl

April 19th, 2008

Posted In: forgery

OUAGADOUGOU (AFP) — France has returned to Burkina Faso a haul of stolen archaeological treasures discovered in a northern French port, the Burkinabe culture minister told AFP Friday.
Filippe Sawadogo said 262 items of “national archaeological and cultural significance” to the landlocked west African nation were returned via the French embassy in Ouagadougou on Wednesday.
He praised the “perspicacity” of French customs officers at the French city of Rouen, on the River Seine, for the seizure in December 2007 of ancient ceramic, stone and bronze materials dating back to 1,300 BC.
Sawadogo said they had been stolen by a French couple, adding that France returning the pieces to Burkina Faso’s national museum was “a sign of the good cooperation which should exist between our countries”.
The trafficking of cultural heritage is not new, with Burkinabe authorities seizing 200 statuettes in September 2004 at Ouagadougou airport as they were about to be transported illegally to Europe.
French customs also intercepted 669 such items from Mali at Paris’ main Charles de Gaulle airport in 2007 along with further treasures from Niger, cultural commissioner Jean Claude Dioma told the Sidwaya newspaper.
“We were lucky, but at the same time, it’s a worrying development, because it shows there are people who are organised and who work this kind of trafficking at a very high level,” said France’s ambassador to Burkina Faso, Francois Goldblatt, in the newspaper’s report.
“I’m not up to speed with the exact legal position, but it is clear that under international conventions and the laws of France, those found guilty of this kind of trafficking face being fined at the least, with prison a possibility in the most serious cases.”

http://afp.google.com/

http://www.museum-security.org

http://www.museumbeveiliging.com

http://www.handboekveiligheidszorgmusea.nl

April 19th, 2008

Posted In: looting and illegal art traffickers, Mailing list reports

Tags:

MOSCOW—Russian art-world headlines often boil down to corruption and conflicts between state and individual interests, and the stories occupying insiders right now are no exception. ARTINFO’s Moscow correspondent reports on the opening of the first foreigner-owned gallery in the country, a national museum owning up to its past transgressions, private citizens taking matters into their own hands, and a group of patriots sinking their claws into an artist.
First foreigner-owned gallery opens in Moscow
On April 17, Berlin gallerist Volker Diehl opened Russia’s first foreigner-owned exhibition space, Diehl + Gallery One, located in the first floor of a lavish Stalin-era mansion facing the Moscow river and near the Russian White House. Diehl has long-standing connections with Russia’s art community: He’s a member of the selection committee of Russia’s biggest art fair, Art Moscow, and frequently exhibits there, and his Berlin gallery represents two Russian artists — Blue Noses and Alexey Kallima.

Diehl + Gallery One inaugurated the space with a solo show by Jenny Holzer, put on in cooperation with Monica Spruth Philomene Magers gallery of Cologne, Munich, and London. The exhibition features two large installations, Monument (2008) and Curves (2007), and a half-dozen semi-abstract prints based on declassified documents from the American government. At the opening, the artist shocked some members of Moscow’s glamorous art crowd by wearing sneakers.

While Diehl is the first foreign dealer to open a gallery in Russia, he is not the first to consider such an option. During separate visits to the country last year, gallerists Larry Gagosian and Jeffrey Deitch both expressed interest in entering the Russian art market.

Tretyakov Gallery pleads guilty
Despite this international boost, the Russian art world is still dealing with a bit of scandal. In the last week of March, Lydia Iovleva, deputy director of the State Tretyakov Gallery, finally addressed an issue that has been tarnishing the museum’s reputation for several years.

Three years ago, two art and antiquities dealers from Moscow, Igor and Tatiana Preobrazhensky, were caught selling ten artworks that they claimed were by Russian Realist painters from the 19th century. Prosecutors argued that the dealers were connected to a group of forgers of Russian descent who bought 19th-century works made in Sweden, Norway, and England, which can be very close to their Russian counterparts in style and subject matter, then added decidedly Russian details — a village here, a church there. The forger’s technique was good enough to fool experts who conducted scientific analyses on the paints and canvases in question. Court hearings for the Preobrazhenskys started this January, with both dealers declaring their innocence and claiming they are also victims of the situation.

It is believed that there are about 300 such forged artworks in circulation, a number of them bearing certificates of authenticity issued by experts at the Tretyakov, the largest institution in the country to exhibit and research Russian art. The Tretyakov isn’t the only state organization to authenticate works: the paintings in the Preobrazhensky case came with certificates from Grabar Institute for Restoration and Expertise. When the scope of the scam was discovered, attention turned to the Tretyakov experts, as everyone hoped that they would assure the market that they hadn’t authenticated any artworks involved in the massive forgery. Instead, the gallery remained silent.

As a result of the scandal, in 2006 Russia’s Culture and Cinema Agency forced all state museums and organizations to shut their authentication services, including the Tretyakov’s, a big moneymaker that brought in up to $10,000 per piece. It was only after this decision, and persistent prodding from both dealers and the government, that the gallery started an internal investigation.

The long awaited results were finally released at the end of March, with the gallery admitting to 96 wrongly assigned certificates. Unfortunately, this announcement is unlikely to put the question to rest. Many observers believe that there are more fakes circulating with the Tretyakov’s certificate, with rumors floating that blank documents with experts’ signatures were sold in large quantities illegally before 2006.

Antique dealers vs. government structures
With forgeries high on dealers’ list of worries, the Antiques Salon, Moscow’s oldest antiques fair, has chosen to address the matter at this year’s edition, which runs April 12 to 20 in the Central House of Artists.

At a special press conference on Saturday, April 19, the International Confederation of Antique and Art Dealers (ICAAD) — a network of dealers spanning the territory of the former USSR — will present a new initiative, announcing 12 experts anonymously selected by the confederation’s members to serve as an alternative to the state-approved body of 400 specialists currently licensed to issue certificates of authenticity. The experts will be able to issue certificates backed by ICAAD. It is not known whether the number of experts will differ in the years to come.

Rosokhrankultura (the Commission for Preserving Russian Culture) responded to the initiative last week at a press conference by announcing a fourth volume of the already extensive catalog of forged Russian artworks. Rosokhrancultura’s deputy director Anatoly Vilkov said of ICAAD’s initiative: “Our approved experts and ICAAD’s experts are like pupils in state and private schools.” Vilkov’s viewpoint is clear, but given the state of public education in Russia — schools are widely burdened with quality and personnel problems — the analogy can be read to favor ICAAD.

Russian nationalists take on an artist
Meanwhile, another conflict between public and private spheres erupted last Friday, when a group of Russian nationalists took an artist to court for two paintings they believe to be inciting “racial or national animosity.”

Notably, the dispute unfolded not within a gallery or museum but in the growing forum of the Internet. The plaintiffs had seen the “offending” works, two paintings by Lena Hades, who is relatively well known in Moscow but does not have gallery representation, only in the form of jpgs on her blog on Livejournal.com. One, Welcome to Russia (1999), hangs in Igor Markin’s private museum Art4.ru; the other, Chimera of the Mysterious Russian Soul (1996) was exhibited only once, at a group exhibition in Solyanka gallery in 2005.

The nationalists were offended by the artist’s depiction of the Russian soul as a cartoonish creature with clichéd attributes of Russian everyday life — a bottle of vodka, a model of Sputnik — and by the crudely painted text in Welcome that indicts the Russian character as simultaneously overaggressive and alarmingly God-fearing.

The works have also found few fans among the arts community — many view them as kitschy and formulaic — but the nationalists’ criticism goes well beyond aesthetics. After trying to get Hades to remove the works from her personal blog and using increasingly obscene language, her critics — including members of the DPNI (Movement Against Illegal Immigration) — started legal action based on article 282 of the Russian criminal code, which prohibits “excitation of racial or national animosity.”

The larger issue in this conflict is Russians’ struggle to have their voices heard within an increasingly authoritarian state, which tends to cut various political groups off the political radar screen. Because the nationalists, like the members of Garry Kasparov’s ultra-liberal “Other Russia” party, are banned from the decision-making process, their only chance to be heard is on blogs. They are keen to show up in the news but afraid to tackle large subjects. Lena Hades is an easy target. If indicted, she could face up to five years in prison.

http://www.artinfo.com/

http://www.museum-security.org

http://www.museumbeveiliging.com

http://www.handboekveiligheidszorgmusea.nl

April 19th, 2008

Posted In: forgery

14 Jahre nach dem Raub von drei wertvollen Gemälden aus der Frankfurter Kunsthalle Schirn müssen sich zwei Männer ab 14. Mai vor Gericht verantworten. Den beiden Beschuldigten im Alter von 64 und 60 Jahren werde Erpressung vorgeworfen, da sie zwei der Bilder an die Eigentümer zurückverkauft hätten, teilte die Frankfurter Staatsanwaltschaft am Freitag mit.

Frankfurt/Main (ddp). 14 Jahre nach dem Raub von drei wertvollen Gemälden aus der Frankfurter Kunsthalle Schirn müssen sich zwei Männer ab 14. Mai vor Gericht verantworten. Den beiden Beschuldigten im Alter von 64 und 60 Jahren werde Erpressung vorgeworfen, da sie zwei der Bilder an die Eigentümer zurückverkauft hätten, teilte die Frankfurter Staatsanwaltschaft am Freitag mit.

Bei dem Raub in der Nacht zum 29. Juli 1994 hatten vier maskierte Männer zwei Werke des britischen Malers William Turner (1775-1851)und das Gemälde «Nebelschwaden» von Caspar David Friedrich (1774-1840) geraubt. Die zwei Turner-Bilder stammten aus der Londoner Tate Gallery, das Friedrich-Gemälde gehörte der Hamburger Kunsthalle. Zwei der Täter waren 1999 geschnappt und zu Haftstrafen von acht Jahren verurteilt worden. Von den Hintermännern und den Kunstwerken mit einem Versicherungswert von fast 40 Millionen Euro fehlte lange Zeit jede Spur.

Erst durch eine WDR-Dokumentation im November 2005 erhielt die Frankfurter Staatsanwaltschaft entscheidende Hinweise. In dem Filmbeitrag nannte ein von der Tate Gallery und der Hamburger Kunsthalle beauftragter Rechtsanwalt die Namen der jetzt angeklagten beiden Männer. Die Frankfurter Ermittler spürten die Beschuldigten bald darauf in Brasilien auf.

Die beiden Autohändler sollen das Turner-Bild «Licht und Farbe» für rund zwei Millionen Euro an die Tate Gallery verkauft haben. Für Friedrichs «Nebelschwaden» kassierten sie demnach etwa 250 000 Euro.

Auch das dritte Bild kehrte auf bislang unbekanntem Weg wieder zum Eigentümer zurück. Wie die beiden Beschuldigten in den Besitz der Bilder gelangten, ist unklar. Auch vom eigentlichen Auftraggeber des Kunstraubs, bei dem ein Wachmann überwältigt worden war, fehlt weiterhin jede Spur.

http://www.ad-hoc-news.de

April 18th, 2008

Posted In: Museum thefts

Shay Nordal is beginning to think if it wasn’t for bad luck the Selkirk Marine Museum would have no luck at all.
One year after floodwaters almost forced the permanent closure of the historic site, the museum manager was forced to dial 911Wednesday morning after sparks from a welders torch started a small fire on the museum’s cornerstone ship, the Keenora.
Nordal said the welding was being done to put a new safety rail on the ship’s boat deck. Despite the efforts of a “fireman” on hand with a spray can to douse sparks, some fell the equivalent of two stories over the side of the ship and onto the cargo deck.
Nordal said the sparks found their way under the metal covering of the gunwail and onto the tinder-dry wood beneath.
With water pipes at the site still frozen, members of the Selkirk Fire Department were called in and hosed down any smoldering embers in short order.
“The ships was built in 1897 so the wood is a little dry,” Nordal smiled. “We had taken precautions by having someone else there but these things can start quickly.”

Nordal said it could have been much worse. With the Keenora the centerpiece of the museum, if it was to catch fire, the museum would lose approximately 80 per cent of their displays.
“The items in there are irreplaceable,” Nordal said.
Last spring, ice jams caused the Red River to rise over one metre in a two-day period – within inches of 1996 flood levels, the highest ever recorded in Selkirk – causing thousands of dollars in damage to the museum. Water not only filled the lower levels of the larger ships, destroying what remained in their holds, two vessels broke away from their foundations with several fishing boats strewn about the site and damaged in the ice.
As if the unsanitary water from the Red wasn’t enough, flood water breached the Selkirk lift station behind the museum rendering it useless, sending raw sewage into the museum shop and exhibits.
Doors and door jams swelled, mud covered everything and expanded floorboards buckled. Damage to the buildings and ships was bad enough officials said the museum might never open again.
The museum’s restoration became a source of community pride as numerous businesses large and small donated everything from cash and cleaning equipment to employee manpower in an effort to repair the damage.
The museum was able to open for business July 23 with four of the six ships open to the public.
With Wednesday’s fire causing only minor external damage, Nordal said she and emergency crews were able to laugh about the latest mishap and chalk it up to bad timing.
“One of the firemen was joking that last year we had all that water and this year we didn’t have any to put the fire out,” Nordal laughed.

http://www.interlakespectator.com/

April 18th, 2008

Posted In: Fire in cultural institutions

In opdracht van het Ministerie van OCW bouwt de Koninklijke Bibliotheek (KB) sinds begin dit jaar aan het Kenniscentrum Veiligheid Cultureel Erfgoed. Het Kenniscentrum heeft twee doelen: het uitdragen van het belang voor aandacht voor veiligheidszorg in erfgoedinstellingen en het bundelen en gestructureerd toegankelijk maken van de kennis en informatie die op dit gebied in Nederland aanwezig is.

Voorgeschiedenis

Sinds het begin van de eenentwintigste eeuw is de focus op veiligheid in de maatschappij enorm toegenomen. Nationale en internationale rampen als de Nieuwjaarsbrand in Volendam, de vuurwerkramp in Enschede en de aanslagen van 11 september hebben het thema veiligheid op de politieke agenda gezet. Veiligheidszorg kreeg ondertussen in de erfgoedwereld ook de nodige aandacht. In 2002 werd de Haagse pilot gestart, een proefproject voor de huidige netwerkaanpak waarbij binnen een regio de culturele instellingen gezamenlijk werken aan het opstellen van de eigen calamiteitenplannen en afspraken maken om elkaar bij calamiteiten bij te staan. De Haagse pilot werd gevolgd door het succesvolle congres Glamour for Safety & Security, gehouden in november 2003. De erfgoedwereld kende ondertussen zijn eigen rampen. Kort na de opheffing van de gespecialiseerde afdeling voor kunst en antiek en de daaraan gekoppelde database van gestolen kunst bij de KLPD vonden spraakmakende diefstallen plaats uit het Van Gogh Museum, het Frans Hals Museum en het Museon. Aanleiding genoeg voor het veld om in gesprek te raken met de Directie Cultureel Erfgoed van OCW. Uit dit overleg volgde begin 2005 een drietal aanbevelingen aan de politiek. Er moest opnieuw een landelijke database voor gestolen kunst worden opgezet, er moest een landelijk systeem komen voor een gezamenlijke registratie van incidenten in erfgoedinstellingen en er moest een kenniscentrum op het gebied van veiligheidszorg in de erfgoedsector worden ingericht. Staatssecretaris Medy van der Laan nam deze aanbevelingen over en verwoordde ze in een beleidsbrief aan de Tweede Kamer, die met de voornemens instemde. De database voor incidentenregistratie is in 2005-2006 opgezet door de KB. Naar het kenniscentrum is in die periode nader onderzoek gedaan door het Instituut Collectie Nederland (ICN). In 2006 is de KB gevraagd een uitwerkingsvoorstel voor een kenniscentrum op te stellen. Dit voorstel is in juni 2007 door het Ministerie van OCW goedgekeurd, waarna het ministerie de KB gevraagd heeft het kenniscentrum in te richten.

Het Kenniscentrum

Het Kenniscentrum Veiligheid Cultureel Erfgoed heeft als doel veiligheidszorg een prominente plaats in de Nederlandse erfgoedinstellingen te geven. Het kenniscentrum doet dat in de eerste plaats door alle verspreid aanwezige kennis te bundelen en via een website en een loket gestructureerd toegankelijk te maken voor zowel de professionele als vrijwillige medewerkers in de instellingen. Daarnaast wordt het belang van veiligheidszorg actief uitgedragen.
De website www.kvce.nl wordt opgezet als brede algemene ingang voor het onderwerp integrale veiligheidszorg in de erfgoedsector. De informatie zal worden aangeboden in een aantal hoofdrubrieken, te weten risicobeheer, veiligheidsbeleid, maatregelen en wetgeving en regelingen. Daarnaast zal apart aandacht besteed worden aan de regionale netwerken veiligheidszorg. De al bestaande database voor incidentenregistratie DICE zal ook een belangrijk onderdeel van het Kenniscentrum worden. Een gedeelte van de website bevat algemene informatie en is publiek toegankelijk, maar er is ook een beveiligde laag die alleen voor geautoriseerde gebruikers met inlognaam en wachtwoord toegankelijk is. Onder andere DICE krijgt een plaats in die beveiligde omgeving. Daarnaast zal in het beschermde gedeelte een forum worden ingericht waar discussies kunnen worden gevoerd en ervaringen worden uitgewisseld. De website wordt nu gebouwd, en zal in de zomer van 2008 online gaan. Op het webadres is tot dier tijd algemene informatie over het Kenniscentrum te vinden.
De website is een brede algemene ingang. Maar de medewerkers van het Kenniscentrum zijn ook telefonisch en via email te benaderen voor advies en informatie. Een gedeelte van de inlichtingen en adviezen zal gegeven worden op basis van eigen kennis en ervaring. Indien nodig zal ook verwezen worden naar expertise elders in het veld.

Incidentenregistratie

Het Kenniscentrum is een centrum voor en door de erfgoedwereld. Het zal alleen goed kunnen functioneren als het ook gebruikt gaat worden als instrument voor uitwisseling van kennis en ervaring. Dit gebeurt onder andere via de Database Incidentenregistratie Cultureel Erfgoed DICE. De database is in 2006 gebouwd en aanvankelijk als proefproject gebruikt door een aantal instellingen uit Den Haag, Leiden, Delft en Rotterdam. In 2007 is de proef geëvalueerd en is besloten met DICE verder te gaan als landelijke database, binnen het op te richten Kenniscentrum. DICE moet een belangrijk instrument voor het Kenniscentrum worden. Het levert een schat aan informatie op over risico’s die erfgoedinstellingen lopen, en over de maatregelen die bij calamiteiten genomen worden. Ook kunnen op basis van de meldingen in DICE nieuwe trends, zoals de diefstal en vernieling van buitenkunst, sneller worden onderkend. DICE is zo opgezet dat de instellingen de database ook als middel voor de eigen incidentenregistratie kunnen gebruiken. De ingevoerde incidenten kunnen uitsluitend door de eigen instelling en de databasebeheerder van het Kenniscentrum worden ingezien. Het Kenniscentrum gebruikt de gegevens voor geanonimiseerde rapportages, en voor het ontwikkelen van best en worst practices.

Draagvlak

Het Kenniscentrum wordt opgezet door de KB, maar is geen taak voor de KB alleen. Er is een stuurgroep ingericht op directieniveau met vertegenwoordigers van een aantal grote Nederlandse instellingen die op dit terrein werkzaam zijn. Daarnaast is er een klankbordgroep met inhoudelijke deskundigen uit de hoek van zowel archieven, bibliotheken, kerken, monumenten, musea als het digitale erfgoed. De museumconsulenten en de door hun gecoördineerde regionale preventienetwerken spelen bij het opzetten van het Kenniscentrum ook een belangrijke rol.

Het Kenniscentrum is voor de periode tot eind 2009 ondergebracht bij de KB. In de zomer van 2009 wordt het functioneren van het Kenniscentrum geëvalueerd. Het zal dan zijn bestaansrecht bewezen moeten hebben. Op basis van het evaluatierapport zal OCW in het najaar van 2009 beslissen over een eventueel vervolg. Dan wordt door het ministerie ook besloten worden waar in het erfgoedveld het Kenniscentrum zijn definitieve plaats zal vinden.

April 18th, 2008

Posted In: commentaar

A painting by leading Swiss artist Ferdinand Hodler was stolen from a private collection in 2006, it has emerged. 

The work was taken from a Zurich collector and was destined to go on show at a Hodler retrospective in Bern, the Museum of Fine Arts director Matthias Frehner confirmed on Friday. 

The work, believed to be Landscape in Ticino, still features in the catalogue for the exhibition, A Symbolic Vision, which opened earlier this month. 

Zurich police confirmed a Hodler painting had been stolen in 2006 but would not identify it. 

However a report on the police website from March 2007 states a SFr1.1 million ($1.09 million) painting by the artist dated 1893, measuring 63cm by 50cm and depicting chestnut trees in Ticino was stolen in Zurich sometime between September 12 and October 31, 2006. 

Hodler, who lived from 1853 until 1918, is generally considered Switzerland’s national artist. The Museum of Fine Arts exhibition in Bern showcases around 150 works charting Hodler’s path from early realism to the symbolism characterizing his later works.    

April 18th, 2008

Posted In: Mailing list reports

Tags:

New Museum Offers the Official Line on Tibet

BEIJING — Not far from National Stadium, the city’s mammoth, just-finished Olympic arena, another construction project is still facing an Olympic deadline. The building, sheathed in a green construction tent, will house Beijing’s first museum exclusively dedicated to Tibet.

Inside, curators will display antiquities, dynastic records and reproductions to demonstrate China’s dominion over Tibet as far back as the 13th century. Many experts question China’s historical claims, but few clouds of doubt are likely to darken the museum. Even the Dalai Lama is being edited out of the narrative.

“He will not appear after 1959,” said Lian Xiangmin, a Chinese scholar involved in the museum, referring to the year the Tibetan spiritual leader fled to India after a failed uprising against Chinese rule. “This is a Tibet museum, and we don’t recognize him as part of Tibet anymore.”

History is often interpreted to meet the political objectives of whichever government is doing the interpreting. The historical relationship between Tibet and China is replete with claims, disputes and caveats. But the ruling Communist Party does not hesitate to eliminate any uncertainty and use history as a political tool to validate its hold on Tibet.

Yet if the party’s unflinching line on Tibet’s historical status has effectively quashed any domestic dissenting views, it also has fueled Tibetan resentment. The authorities are now suppressing the largest outbreak of anti-Chinese unrest in Tibet in two decades, a violent uprising that many Tibetans trace, in part, to seething anger over cultural and religious repression.

Buddhist monks who led initially peaceful protests last month outside Lhasa were partly complaining about the “patriotic education” campaigns that required them to denounce the Dalai Lama and submit to history lessons about China’s rightful control over the region. Last week, monks at Drepung monastery outside Lhasa, the capital of the Tibet Autonomous Region, reportedly protested a new round of patriotic education.

Across China, schoolchildren are taught that Tibet is an inalienable part of the country. Tour guides in Lhasa must follow approved versions of history. Dissenting scholars have been marginalized, censored and, in a handful of cases, imprisoned. Questioning official history can expose scholars to accusations of separatism. A Tibetan scholar, Dolma Kyab, has been jailed since 2005 after writing an unapproved history of Tibet.

“History is linked to legitimacy,” said Tashi Rabgey, director of the Contemporary Tibetan Studies Initiative at the University of Virginia. “The problem for Beijing is that their presence on the Tibetan Plateau has never been legitimized. And their attempt to control history is an effort to do that.”

Tibet touches a raw nerve for many Chinese, including those living overseas, because of the legacy of foreign intervention in China during the 19th century and early 20th century. British troops invaded Tibet in 1903 and 1904 as the Qing Dynasty was nearing collapse. Today, many Chinese recall the role of the Central Intelligence Agency in Tibet during the 1950s and interpret Western sympathy for the current protests as another foreign effort to destabilize and divide China.

The Communist Party clearly wants to counter what it regards as international misperceptions about Tibet’s status and has focused on history as an important arena to argue its case. The government has established more than 50 research institutions dedicated to Tibet and, by extension, to supporting the Chinese version of Tibetan history.

In 2000, Zhao Qizheng, then the information minister for the State Council, or China’s cabinet, told scholars at a closed conference on Tibet that their research should be used to sway foreign opinion.

“We should maximize the use of our 50 Tibetology centers and 1,000 Tibetologists to carry out external propaganda work on Tibet,” Mr. Zhao said. His speech was later obtained and publicized by a pro-Tibet advocacy group. He added: “We should enhance our influence on international Tibetologists. By means of cultural exchange, we should enhance our influence on the Western community and its opinion.”

Mr. Lian, the scholar, said the museum was under the auspices of the China Tibetology Research Center in Beijing. He said Chinese scholars, long separated from the outside world, were now sharing their work at international conferences and promoting it on the Internet. He said scholarship, not politics, was the priority of his center.

“As scholars, the truth is what is most valuable to us,” said Mr. Lian, head of research at the Tibetology center. “Everyone can have their own view of matters, but you have to have evidence to support your argument.”

But others are less convinced, especially those censored for dissenting views. Woeser, a Tibetan blogger, lost her editing job at a literary magazine based in Lhasa after writing a 2003 book, “Tibet Notes,” that included a friendly reference to the Dalai Lama. “They wrote to the publisher and said, ‘One of your authors wrote a book with severe political mistakes,’ ” said Ms. Woeser, who, like some Tibetans, uses only one name. “Anything about the reality of Tibet is not allowed to be published.”

Ms. Woeser said history was such a politically charged issue inside the Tibet Autonomous Region that even tour guides were scrutinized. In 2003, President Hu Jintao, a former party boss in Tibet, was involved in the creation of the “Support Tibet Tour Guide Plan.” State media reports say the program calls for recruiting 100 tour guides to work in Lhasa from outside Tibet every year until 2013. Most of those chosen are Communist Party members.

At the heart of the historical dispute lies the Western concept of sovereignty. The Communist Party has promoted the concept of China as a diverse but unified nation of 56 ethnic groups. The majority Han constitute nearly 92 percent of the population, but the remaining 8 percent, including Mongols, Hui Muslims, Manchus, Uighur Muslims and Tibetans, are often said to have been assimilated into the motherland over centuries of unbroken history.

Many scholars say that narrative oversimplifies history to support contemporary political and territorial claims. Historians generally agree that the relationship between China and Tibet became fully intermingled during the Yuan Dynasty, from the 1270s to 1368. The dispute is over the nature of the relationship.

The Tibetan government in exile says Buddhist lamas established a “priest-patron” relationship under which they became spiritual advisers to the Yuan rulers without sacrificing Tibetan self-rule or independence — an arrangement replicated in the last imperial dynasty, the Qing, which lasted from 1644 to 1912.

Chinese scholars say this logic is disingenuous. They point to records detailing how Tibet was subject to certain laws of the Yuan and Qing rulers — a paper trail they say proves not just that Tibet is an inalienable part of China but also that Chinese emperors had the authority to select the Dalai Lama.

Elliot Sperling, a leading Tibet specialist at Indiana University, said both sides massage their interpretations. He said Tibet cannot be regarded as truly independent during the Yuan and Qing dynasties, given that records show Tibet as subservient to Chinese rules and policies.

But Dr. Sperling said China’s claim to unbroken control of Tibet was also dubious. During the Ming dynasty, from 1368 to 1644, Tibet had scant connection to Chinese rulers, he said. And describing the Yuan and Qing dynasties as “Chinese” overlooks the fact that each took power after what was at the time viewed as a foreign invasion: Mongols established the Yuan; Manchus invaded and founded the Qing.

“What China doesn’t want to deal with is the fact that the Mongols had an empire,” said Dr. Sperling, director of Tibetan Studies at Indiana University’s department of Central Eurasia Studies. “It wasn’t a Chinese state. It was an empire.”

In this context, some scholars consider Tibet’s past relationship with China more akin to that of a vassal state. China’s government relinquished any remaining control over Tibet after the fall of the Qing in 1912. The current Dalai Lama, and his predecessor, ruled Tibet until 1951, when Mao invaded in what China maintains was a “peaceful liberation” that freed Tibetans from a feudal theocracy.

“We know that Tibetans and some Western scholars say that Tibet was an independent state during this period, but we don’t agree,” said Mr. Lian, the scholar with the research center.

Wang Lixiong, a dissident scholar in Beijing who has challenged some of the Communist Party’s historical claims, said imperial China regarded itself as the center of the world and had little concern about the political status of subservient neighbors like Tibet. But he said modern political needs had made this approach an inconvenient legacy.

“Now we are in a Westernized political situation,” said Mr. Wang, who is married to Ms. Woeser and is now banned from being published in China. “We have this definition of sovereignty, so we fight over every inch of territory.”

Robert Barnett, a Tibet specialist at Columbia University, said Tibet scholars inside China often did excellent work. But he said many scholars in China avoided specializing in Tibetan history after the 13th century because of the political overtones — and potential risks. He said one book was banned for including a sentence that questioned the official view that an eighth-century Tibetan king was half Chinese.

Mr. Barnett said that passengers arriving at the Lhasa airport from Nepal sometimes had their bags searched for unapproved books or photographs. “Managing accounts of history there and eradicating any sign that Tibet was separate from China is an official industry,” Mr. Barnett said in an interview conducted by e-mail.

Mr. Lian, the scholar at the Tibetology Institute, said plans were still evolving for the new Tibet museum complex. Officials are aiming for a pre-Olympic grand opening, but he noted that the project had hit delays. “We’re not going to rush it,” he said.

Asked about the importance of history, Mr. Lian paused.

“Why is history important?” he repeated. “By looking into history, we can see the future.”

http://www.nytimes.com/
 

April 18th, 2008

Posted In: Mailing list reports

Tags:

This content is password protected. To view it please enter your password below:

April 16th, 2008

Posted In: commentaar

This content is password protected. To view it please enter your password below:

April 15th, 2008

Posted In: commentaar

Just east of Oceanside, a thief is killed in early March, electrocuted while trying to cut live power lines in order to steal a few dollars’ worth of copper.

(more…)

April 15th, 2008

Posted In: Mailing list reports

Tags: